Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-20
ECLI:NL:RBROT:2025:11579
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,096 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
[rekestnummer]
uitspraakdatum: 20 maart 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [plaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 19 november 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in behandeling bij GGN Mastering Credit, hierna te noemen: RVO;
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
GGN Mastering Credit heeft namens RVO voorafgaand aan de zitting op 19 februari 2025 een verweerschrift toegezonden. GGN Mastering Credit heeft aangegeven dat er namens RVO niemand ter zitting zal verschijnen.
Ter zitting van 6 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw Z. de Boer, werkzaam bij Geldplein Rotterdam, voorheen genaamd Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen: schuldhulpverlening).
Op 6 maart 2025 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijf concurrente schuldeisers met zeven vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 81.386,03 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 27 september 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 10,00% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Op 17 oktober 2024 is aan de weigerende schuldeiser een heroverweging toegezonden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt fulltime. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Vier schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. RVO stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 65.287,65 op verzoeker, welke 80,22% van de totale schuldenlast beloopt.
3Het verweer
In haar verweerschrift stelt RVO zich op het standpunt dat de schuld van verzoeker niet te goeder trouw is ontstaan. De schuld ziet op een ten onrechte, door het verstrekken van onjuiste en valse gegevens, ontvangen voorschot op de Tegemoetkoming Vaste Lasten in verband met corona. Achteraf bleek verzoeker geen recht te hebben op deze uitkering, waardoor het gehele bedrag dient te worden terugbetaald. Daarnaast merkt RVO op zij de enige weigerende schuldeisers is, maar dat zij desondanks 80,22% van de totale schuldenlast vertegenwoordigt. Instemmen met het voorstel zou betekenen dat RVO 90% van haar vordering, te weten een bedrag van € 58.758,36 zou moeten kwijtschelden. RVO stelt zich voorts op het standpunt dat de berekening die ten grondslag ligt aan het voorstel is gebaseerd op een tijdelijke dienstbetrekking. Niet valt in te zien waarom verzoeker in de nabije toekomst niet meer inkomsten kan verwerven en, al dan niet in een wettelijke schuldsaneringsregeling, een hoger aanbod zou kunnen doen. Met het oog hierop is RVO dan ook van mening dat het thans gedane voorstel niet het maximale voorstel is. Verder stelt RVO dat zij de aan haar aangeboden minnelijke schuldregeling slechts heeft kunnen beoordelen op grond van summiere informatie. Het minnelijk voorstel wordt in de brief van 27 september 2024 immers nauwelijks onderbouwd. RVO heeft zodoende geen kennis kunnen nemen van de aard en samenstelling van de schulden, de precieze gegevens waarop de berekening van de afloscapaciteit is gebaseerd en het bestaan van eventuele overige vermogensbestanddelen. Ook is het op basis van de voorliggende informatie onduidelijk of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling tot een toewijzing zal leiden. Ten slotte verwijst RVO naar een vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin het verzoek om een gedwongen schuldregeling op vergelijkbare gronden wordt afgewezen.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van RVO bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of RVO in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van RVO een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 80,22% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat RVO in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Bij deze weigering heeft RVO naar het oordeel van de rechtbank een groot belang mogen hechten aan de wijze waarop haar vordering is ontstaan en de mate van verwijtbaarheid van verzoeker. De schuld komt voort uit de onderneming die verzoeker op zijn naam heeft gevoerd, genaamd [onderneming] . Verzoeker heeft verklaard dat hij door een ondoordachte beslissing heeft besloten om tezamen met een derde een subsidie aan te vragen. Zonder overleg heeft deze derde, die beschikte over eHerkenning, een bedrag van € 72.000,00 aangevraagd. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat hij geen andere keuze had dan de aanvraag te accepteren. Verzoeker heeft verklaard dat hij bereid was een lening aan te vragen, maar niet voor een dergelijk groot bedrag. Verzoeker wist of had moeten weten dat hij geen recht had op het bedrag van € 72.000,00 en dat de aanvraag kennelijk niet naar waarheid was ingevuld. Verzoeker voelde zich verplicht het bedrag over te maken naar degene die de aanvraag had ingediend. De verklaring van verzoeker dat de valse aanvraag is gedaan door een derde en dat hij het geld heeft overgemaakt naar zijn rekening is niet onderbouwd met bewijsstukken en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt zich te hebben ingespannen om het geld te verhalen op deze derde of de vordering terug te betalen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bezwaren van RVO voldoende gegrond zijn en dat in deze concrete omstandigheden van ernstige fraude geen sprake is van een onredelijke weigering van RVO.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van RVO als weigerende schuldeiser zwaarder weegt dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om RVO te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025.