Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-01
ECLI:NL:RBROT:2025:11488
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
13,028 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/335412-21 en 10/045900-25
Parketnummer vordering TUL VV: 10/031902-23
Datum uitspraak: 1 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
preventief uit anderen hoofde gedetineerd in de [naam P.I] , [detentieadres] , [postcode 2] te [detentieplaats] ,
raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/335412-21 en 10/045900-25 ten laste gelegde;
schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel voor het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest voor het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde;
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/031902-23, te weten een jeugddetentie voor de duur van 59 dagen en omzetting van deze jeugddetentie naar een gevangenisstraf.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak parketnummer 10/335412-21
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde openlijk geweld. De verklaringen van de aangevers, dat zij in elkaar geslagen zijn door een grote groep jongens, worden ondersteund door de getuigenverklaringen. De verdachte past in het door aangever [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de verdachte die tegen zijn hoofd heeft geschopt. Ook heeft aangever [slachtoffer 1] de verdachte herkend op een van de aan hem getoonde foto’s. Daarbij komt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij bij de groep is gebleven. De verdachte heeft zich op geen enkel moment van het geweld gedistantieerd.
4.1.2.
Beoordeling
Vast staat dat aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en getuige [getuige 1]
op 12 april 2021 naar metrostation Oosterflank te Rotterdam zijn gekomen na een ruzie
met een of meer jongens op Snapchat. Bij het metrostation aangekomen werd het drietal door een grote groep jongens achternagezeten en belaagd. [slachtoffer 1] werd door meerdere personen geslagen en gestoken met een stok met een scherpe punt. [slachtoffer 2] werd
door meerdere personen geschopt en geslagen en hij werd ook in zijn zij gestoken met een
mes. [slachtoffer 2] liep daarbij potentieel dodelijk letsel op.
Uit de omschrijving van de camerabeelden van de Mertensstraat (pag. 169 van het doorgenummerde procesdossier) volgt dat er negentien jongens door de Mertensstraat achter de latere slachtoffers aan renden, waaronder de verdachte. De verdachte verklaart ook dat hij uit nieuwsgierigheid is mee gerend met de groep die achter de slachtoffers aan ging. Hij verklaart dat hij niet hard kon rennen, omdat hij slippers droeg en daarom achteraan liep. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over de verdachte verklaard dat zijn vriend slippers aan had en dus niet zo ver kon rennen. Volgens de verdachte bleef hij op een grote afstand (200 meter) en heeft hij niets gezien van het geweld dat is gepleegd. Dat de verdachte geen geweldshandelingen richting aangevers heeft gepleegd, wordt ondersteund door de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
De mishandeling van aangever [slachtoffer 1] is vastgelegd met een dashcam. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de omschrijving van de dashcambeelden niet van enige bijdrage van de verdachte aan de openlijke geweldpleging. Het enige bewijs dat hem mogelijk aan het geweld kan linken, betreft de herkenning van aangever [slachtoffer 1] . Uit het dossier volgt dat aangever [slachtoffer 1] , nadat aan hem foto 4 wordt getoond, verklaard: “Deze jongen heeft mij getrapt tegen mijn hoofd” (pag. 142 van het doorgenummerde procesdossier). Op foto 4 staat een jongen met een pet, donkere kleding en Adidas slippers op het metrostation. De verdachte heeft zichzelf ook herkend op die foto. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet waaraan de aangever de verdachte herkent. Daarnaast blijkt uit de omschrijving van de dashcambeelden juist niet dat de verdachte, een van de personen is, die de aangever heeft geschopt. Gelet hierop en op het feit dat de groep jongens die achter de latere slachtoffers aanrenden uit minimaal negentien personen bestond, is deze herkenning van onvoldoende gewicht om tot een veroordeling te komen.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en dat hij daaraan een significante bijdrage heeft geleverd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte van het tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring parketnummer 10/045900-25
Het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde is door de verdachte grotendeels bekend. De verdachte heeft echter ontkend dat hij of de medeverdachte het slachtoffer heeft geschopt toen hij op de grond lag. Deze lezing van de verdachte wordt bevestigd door hetgeen de getuige [getuige 2] verklaart tegen de verbalisant. Deze getuige verklaart namelijk dat het slachtoffer niet geslagen en geschopt was toen hij op de grond lag. Om deze reden zal de verdachte worden vrijgesproken van het schoppen tegen het hoofd.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan de Korne,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke
plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3]
door die [slachtoffer 3] een of meermalen
- tegen het hoofd te slaan en/of schoppen en/of
- tegen de ribben te schoppen;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Parketnummer 10/045900-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met een medeverdachte (zijn broertje) schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer meerdere keren op zijn hoofd is geslagen en in zijn ribben is geschopt. Het slachtoffer heeft door het geweld meerdere verwondingen opgelopen. Het slachtoffer en de verdachte zijn buren en hadden al langere tijd een conflict. Dit rechtvaardigt echter niet de handelwijze van de verdachte op die bewuste datum, waarbij hij het slachtoffer achterna is gegaan en hem van achteren heeft aangevallen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid bij zowel het slachtoffer als bij omstanders die van het geweld getuige zijn geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hieruit volgt onder meer dat de verdachte op 8 april 2025 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 30 maanden.
7.3.2.
Rapportages
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), heeft een briefrapport over de verdachte opgemaakt met betrekking tot de zaak met parketnummer 10/335412-21, gedateerd 1 mei 2025. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte op 8 april 2025 voor andersoortige feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en deze straf thans ondergaat. Gelet hierop zal de rechtbank ook in de onderhavige zaak een gevangenisstraf opleggen, zodat deze aansluitend kan worden uitgezeten.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het vonnis van 8 april 2025 is gewezen na het begaan van het bewezenverklaarde feit.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Parketnummer 10/335412-21
8.1.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 769,12 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vordering aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.
8.1.3.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.1.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
8.2.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 2]
i
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.787,18 aan materiële schade en een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vordering aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.
8.2.3.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.2.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
Parketnummer 10/045900-25
8.3.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 3] ter zake van het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 141,28 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen. Daarbij verzoekt de officier van justitie om de toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen en de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 250,-.
8.3.
Beoordeling
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.
Daarnaast is de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade toegebracht. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feit en de inbreuk die daarmee is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Dat wat aan hoofdsom meer is gevorderd zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 februari 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.391,28, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9Vordering tenuitvoerlegging
9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 29 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 80 dagen, waarvan een gedeelte groot 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 14 juli 2023.
9.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de voorwaardelijke jeugddetentie van 59 dagen dient te worden omgezet in een gevangenisstraf en aldus ten uitvoer dient te worden gelegd.
10.3.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft om afwijzing van de vordering verzocht, omdat de vordering ziet op een andersoortig feit.
9.3.
Beoordeling
Het hierboven bewezenverklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezenverklaarde feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. Gelet op het feit dat de verdachte inmiddels meerderjarig is en thans een gevangenisstraf uitzit, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt. Met toepassing van artikel 6:6:29 Sv bepaalt de rechtbank dat de opgelegde jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf van 59 dagen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.391,28 (zegge: dertienhonderdeenennegentig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 141,28 aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 3] te betalen € 1.391,28 (hoofdsom, zegge: dertienhonderdeenennegentig euro en achtentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.391,28 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 59 dagen, van de bij vonnis van 29 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank onder parketnummer 10/031902-23 aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie, en bepaalt dat de jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Loorbach, voorzitter,
en mrs. J.S. van den Berge en R. van den Wildenberg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/335412-21
hij, op of omstreeks 12 april 2021 te Rotterdam,openlijk, te weten op de kruising van de Berlagestraat en het Berlagepad, in elkgeval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) pers(o)onen te weten [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 1]door meermalen tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;
Parketnummer 10/045900-25
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan de Korne,in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijkeplaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3][slachtoffer 3] door die Balen een of meermalen- tegen het hoofd te slaan en/of schoppen en/of- tegen de ribben te schoppen;
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/335412-21 en 10/045900-25
Parketnummer vordering TUL VV: 10/031902-23
Datum uitspraak: 1 juli 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode 1] te [woonplaats] ,
preventief uit anderen hoofde gedetineerd in de [naam P.I] , [detentieadres] , [postcode 2] te [detentieplaats] ,
raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 juni 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder parketnummer 10/335412-21 en 10/045900-25 ten laste gelegde;
schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel voor het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met aftrek van voorarrest voor het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde;
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/031902-23, te weten een jeugddetentie voor de duur van 59 dagen en omzetting van deze jeugddetentie naar een gevangenisstraf.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak parketnummer 10/335412-21
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde openlijk geweld. De verklaringen van de aangevers, dat zij in elkaar geslagen zijn door een grote groep jongens, worden ondersteund door de getuigenverklaringen. De verdachte past in het door aangever [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de verdachte die tegen zijn hoofd heeft geschopt. Ook heeft aangever [slachtoffer 1] de verdachte herkend op een van de aan hem getoonde foto’s. Daarbij komt dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij bij de groep is gebleven. De verdachte heeft zich op geen enkel moment van het geweld gedistantieerd.
4.1.2.
Beoordeling
Vast staat dat aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en getuige [getuige 1]
op 12 april 2021 naar metrostation Oosterflank te Rotterdam zijn gekomen na een ruzie
met een of meer jongens op Snapchat. Bij het metrostation aangekomen werd het drietal door een grote groep jongens achternagezeten en belaagd. [slachtoffer 1] werd door meerdere personen geslagen en gestoken met een stok met een scherpe punt. [slachtoffer 2] werd
door meerdere personen geschopt en geslagen en hij werd ook in zijn zij gestoken met een
mes. [slachtoffer 2] liep daarbij potentieel dodelijk letsel op.
Uit de omschrijving van de camerabeelden van de Mertensstraat (pag. 169 van het doorgenummerde procesdossier) volgt dat er negentien jongens door de Mertensstraat achter de latere slachtoffers aan renden, waaronder de verdachte. De verdachte verklaart ook dat hij uit nieuwsgierigheid is mee gerend met de groep die achter de slachtoffers aan ging. Hij verklaart dat hij niet hard kon rennen, omdat hij slippers droeg en daarom achteraan liep. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft over de verdachte verklaard dat zijn vriend slippers aan had en dus niet zo ver kon rennen. Volgens de verdachte bleef hij op een grote afstand (200 meter) en heeft hij niets gezien van het geweld dat is gepleegd. Dat de verdachte geen geweldshandelingen richting aangevers heeft gepleegd, wordt ondersteund door de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
De mishandeling van aangever [slachtoffer 1] is vastgelegd met een dashcam. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de omschrijving van de dashcambeelden niet van enige bijdrage van de verdachte aan de openlijke geweldpleging. Het enige bewijs dat hem mogelijk aan het geweld kan linken, betreft de herkenning van aangever [slachtoffer 1] . Uit het dossier volgt dat aangever [slachtoffer 1] , nadat aan hem foto 4 wordt getoond, verklaard: “Deze jongen heeft mij getrapt tegen mijn hoofd” (pag. 142 van het doorgenummerde procesdossier). Op foto 4 staat een jongen met een pet, donkere kleding en Adidas slippers op het metrostation. De verdachte heeft zichzelf ook herkend op die foto. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet waaraan de aangever de verdachte herkent. Daarnaast blijkt uit de omschrijving van de dashcambeelden juist niet dat de verdachte, een van de personen is, die de aangever heeft geschopt. Gelet hierop en op het feit dat de groep jongens die achter de latere slachtoffers aanrenden uit minimaal negentien personen bestond, is deze herkenning van onvoldoende gewicht om tot een veroordeling te komen.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad en dat hij daaraan een significante bijdrage heeft geleverd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte van het tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewezenverklaring parketnummer 10/045900-25
Het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde is door de verdachte grotendeels bekend. De verdachte heeft echter ontkend dat hij of de medeverdachte het slachtoffer heeft geschopt toen hij op de grond lag. Deze lezing van de verdachte wordt bevestigd door hetgeen de getuige [getuige 2] verklaart tegen de verbalisant. Deze getuige verklaart namelijk dat het slachtoffer niet geslagen en geschopt was toen hij op de grond lag. Om deze reden zal de verdachte worden vrijgesproken van het schoppen tegen het hoofd.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan de Korne,
in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke
plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3]
door die [slachtoffer 3] een of meermalen
- tegen het hoofd te slaan en/of schoppen en/of
- tegen de ribben te schoppen;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Parketnummer 10/045900-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich samen met een medeverdachte (zijn broertje) schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het slachtoffer meerdere keren op zijn hoofd is geslagen en in zijn ribben is geschopt. Het slachtoffer heeft door het geweld meerdere verwondingen opgelopen. Het slachtoffer en de verdachte zijn buren en hadden al langere tijd een conflict. Dit rechtvaardigt echter niet de handelwijze van de verdachte op die bewuste datum, waarbij hij het slachtoffer achterna is gegaan en hem van achteren heeft aangevallen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Een dergelijk feit veroorzaakt bovendien gevoelens van onveiligheid bij zowel het slachtoffer als bij omstanders die van het geweld getuige zijn geweest. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 mei 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hieruit volgt onder meer dat de verdachte op 8 april 2025 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 30 maanden.
7.3.2.
Rapportages
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), heeft een briefrapport over de verdachte opgemaakt met betrekking tot de zaak met parketnummer 10/335412-21, gedateerd 1 mei 2025. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte op 8 april 2025 voor andersoortige feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en deze straf thans ondergaat. Gelet hierop zal de rechtbank ook in de onderhavige zaak een gevangenisstraf opleggen, zodat deze aansluitend kan worden uitgezeten.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het vonnis van 8 april 2025 is gewezen na het begaan van het bewezenverklaarde feit.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Parketnummer 10/335412-21
8.1.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 1]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1] , vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 769,12 aan materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vordering aan het oordeel van de rechtbank.
8.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.
8.1.3.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.1.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
8.2.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 2]
i
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Hamers, ter zake van het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.787,18 aan materiële schade en een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vordering aan het oordeel van de rechtbank.
8.2.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.
8.2.3.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.2.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
Parketnummer 10/045900-25
8.3.
Vordering benadeelde partij
[slachtoffer 3]
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 3] ter zake van het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 141,28 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.500,00 aan immateriële schade.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen. Daarbij verzoekt de officier van justitie om de toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade kan worden toegewezen en de immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van maximaal € 250,-.
8.3.
Beoordeling
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet (voldoende gemotiveerd) is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.
Daarnaast is de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade toegebracht. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feit en de inbreuk die daarmee is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, zal die schade naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.250,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Dat wat aan hoofdsom meer is gevorderd zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 februari 2025.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 1.391,28, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9Vordering tenuitvoerlegging
9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 29 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 80 dagen, waarvan een gedeelte groot 59 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 14 juli 2023.
9.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de voorwaardelijke jeugddetentie van 59 dagen dient te worden omgezet in een gevangenisstraf en aldus ten uitvoer dient te worden gelegd.
10.3.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft om afwijzing van de vordering verzocht, omdat de vordering ziet op een andersoortig feit.
9.3.
Beoordeling
Het hierboven bewezenverklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezenverklaarde feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf. Gelet op het feit dat de verdachte inmiddels meerderjarig is en thans een gevangenisstraf uitzit, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet meer voor jeugddetentie in aanmerking komt. Met toepassing van artikel 6:6:29 Sv bepaalt de rechtbank dat de opgelegde jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf van 59 dagen.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/335412-21 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder parketnummer 10/045900-25 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.391,28 (zegge: dertienhonderdeenennegentig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 141,28 aan materiële schade en € 1.250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer 3] te betalen € 1.391,28 (hoofdsom, zegge: dertienhonderdeenennegentig euro en achtentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.391,28 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 23 (drieëntwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 59 dagen, van de bij vonnis van 29 juni 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank onder parketnummer 10/031902-23 aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie, en bepaalt dat de jeugddetentie wordt vervangen door een gevangenisstraf;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Loorbach, voorzitter,
en mrs. J.S. van den Berge en R. van den Wildenberg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10/335412-21
hij, op of omstreeks 12 april 2021 te Rotterdam,openlijk, te weten op de kruising van de Berlagestraat en het Berlagepad, in elkgeval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) pers(o)onen te weten [slachtoffer 2]en/of [slachtoffer 1]door meermalen tegen het lichaam te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen;
Parketnummer 10/045900-25
hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan de Korne,in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijkeplaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3][slachtoffer 3] door die Balen een of meermalen- tegen het hoofd te slaan en/of schoppen en/of- tegen de ribben te schoppen;