Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-05
ECLI:NL:RBROT:2025:10888
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,324 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11441843 CV EXPL 24-5585
datum uitspraak: 5 juni 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] N.V,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , België ,
eiseres,
gemachtigden: mr. J. Lubbers en mr. D.H.J. Bouchier,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 29 november 2024, met bijlagen 1 tot en met 7;
het antwoord;
de e-mail van [gedaagde] van 17 maart 2025, met bijlagen;
de akte van [eiseres] , met bijlagen 8 tot en met 9;
de e-mail van [gedaagde] .
1.2.
Op 5 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met voor [eiseres]
mr. T.O. van Hoorn en mr. N. Reilink, in plaats van hun kantoorgenoten mr. Lubbers en mr. Bouchier, en met [persoon A] , de broer van [gedaagde] , die hem daartoe heeft gemachtigd. [gedaagde] heeft aangeboden bijlagen in het geding te brengen, wat is gebeurd. Vervolgens heeft [eiseres] genoemde akte met bijlagen genomen, waarop [gedaagde] heeft gereageerd. De datum van de uitspraak is nader bepaald op heden.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[eiseres] levert diensten waarmee gebruikers betaald kunnen parkeren op veel parkeerlocaties in Nederland en België. Zij levert haar diensten via de smartphone apps ‘ [naam app 1] ’ en ‘ [naam app 2] ’ (hierna samen genoemd: de App).
2.2.
[eiseres] heeft ontdekt dat er grootschalige fraude is gepleegd, doordat vele malen gebruik gemaakt is van de App zonder dat [eiseres] daarvoor betaald kreeg. Dat is gedaan door duizenden gebruikers, voornamelijk in de regio Rotterdam. Daarbij is steeds eenzelfde werkwijze gehanteerd via het Snapchatprofiel ‘ [gebruikersnaam] ’ tegen betaling van € 50,- per maand om ongelimiteerd te kunnen parkeren, door gebruikmaking van bepaalde accounts, van valse gegevens, een daaraan gekoppelde prepaid creditcard zonder saldo, waardoor geen geld kon worden afgeschreven, en van een vals of voor de gelegenheid gecreëerd ‘weggooi’ e-mailadres. [eiseres] heeft hierdoor aanzienlijke schade geleden omdat zij inkomsten heeft gederfd, terwijl zij wel heeft moeten betalen aan de aanbieders van betaalde openbare parkeergelegenheden.
2.3.
Omdat geconstateerd is dat bij voormelde frauduleuze werkwijze tevens het kenteken [kentekennummer] ingevoerd is in de App en gebleken is dat het voertuig met dit kenteken op naam stond van [gedaagde] , heeft [eiseres] op 1 mei 2024 een brief gestuurd naar [gedaagde] waarin zij gesommeerd is om binnen 15 dagen na ontvangst van de brief
€ 1.488,80 aan openstaande parkeerkosten te betalen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Vervolgens is [eiseres] tot dagvaarden overgegaan.
2.4.
[eiseres] eist - verkort weergegeven - [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan haar van:
€ 1.488,80 aan hoofdsom, met rente;
€ 223,32 aan buitengerechtelijke incassokosten;
de proceskosten.
2.5.
[gedaagde] is het hiermee niet eens.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
Afwijzing hoofdsom
2.6.
De geëiste hoofdsom wordt afgewezen. Dit om de volgende reden.
2.7.
Op de voet van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.
2.8.
De eis tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.488,80 aan hoofdsom in verband met onbetaald gebleven parkeertransacties is gebaseerd op ten eerste ongerechtvaardigde verrijking, ten tweede onrechtmatige daad of ten derde wanprestatie. Voor alle drie is van belang dat er voldoende feitelijke grondslag dient te zijn om [gedaagde] te kunnen veroordelen en, zoals vermeld, draagt [eiseres] hiervan de bewijslast. In het bijzonder is van belang dat vast moet komen te staan dat [gedaagde] (of iemand anders met haar toestemming) daadwerkelijk haar auto geparkeerd heeft op de locaties waarvoor de parkeerkosten in rekening zijn gebracht. Dat staat niet vast, want is betwist.
2.9.
Er zijn geen beelden waarop te zien valt dat de auto geparkeerd is geweest op de betreffende locaties op de data en de tijdstippen waarvoor parkeerkosten in rekening zijn gebracht.
2.10.
Er is ook geen bewijs in het geding gebracht wat daarop duidt, waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de App gedownload is op en gebruikt is met een mobiele telefoon die te herleiden valt tot [gedaagde] , waarbij een antenne voor mobiele communicatie in de buurt van de parkeerlocatie(s) door die telefoon aangestraald is ten tijde van het gebruikmaken van de parkeerdiensten.
2.11.
Omdat niet vaststaat dat de verweten gedragingen plaatsgevonden hebben met de auto van [gedaagde] , is er onvoldoende basis om haar enkel als kentekenhouder voor de kosten hiervan aan te spreken. Daarbij speelt mee dat gebruikers van de App elk kenteken kunnen invullen. Het is ook niet denkbeeldig dat naast voormelde frauduleuze handelingen tevens gebruik gemaakt is van een vals kenteken en dat iemand anders dus met hetzelfde kenteken rondrijdt, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd. Voor een vermoeden dat de kentekenhouder de bestuurder is, is in deze situatie geen ruimte.
2.12.
Onderkend wordt dat [eiseres] in bewijsnood verkeert en het bewijsprobleem wil verleggen, zoals uit de dagvaarding volgt en ter zitting naar voren is gebracht. Daarin gaat de kantonrechter echter niet mee, want er is geen bijzondere regel waaruit dit voortvloeit. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen een andere verdeling van de bewijslast ook niet mee. Integendeel, van [gedaagde] kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij bewijst de verweten gedragingen niet te hebben begaan, althans dat zij bewijst wat zij op de betreffende data en tijdstippen wel heeft gedaan, waaruit dan misschien zou kunnen worden afgeleid dat haar auto ten tijde van de verweten gedragingen elders was. Dat kan namelijk lastig zijn omdat de parkeerhandelingen al twee jaar geleden hebben plaatsgevonden, want dateren uit de periode van januari tot en met (begin) juni 2023, en een dergelijke omkering van de bewijslast tot onterechte veroordeling zou kunnen leiden.
2.13.
De omstandigheid dat [gedaagde] zich op de zitting bereid heeft verklaard haar gangen na te gaan en alsnog stukken heeft aangeleverd, brengt niet met zich dat zij de op [eiseres] rustende bewijslast naar zich toe heeft getrokken. Dat die stukken niets zeggen over de data van aanmelden in de App en de locatie van de auto toen is misschien zo, maar dat blijft het (bewijs)probleem van [eiseres] , om de redenen hiervoor genoemd.
2.14.
Als gezegd staat niet vast dat de verweten gedragingen daadwerkelijk plaatsgevonden hebben met de auto van [gedaagde] . Het door [eiseres] gedane bewijsaanbod ziet niet specifiek op dit punt. Daarom wordt het bewijsaanbod gepasseerd. Bij deze stand van zaken wordt de eis dus afgewezen.
Afwijzing nevenvorderingen
2.15.
Omdat de hoofdsom wordt afgewezen, worden de geëiste rente en buitengerechtelijke incassokosten ook afgewezen.
Proceskosten betalen
2.16.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan reis- en verletkosten, omdat [gedaagde] zich heeft laten bijstaan door haar broer die geen professionele gemachtigde is.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis af;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
465
Vgl. artikel 5 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en artikelen 181 t/m 185 Wegenverkeerswet 1994.
Anders dan in (bijvoorbeeld) ECLI:NL:RBROT:2025:4165