Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-13
ECLI:NL:RBROT:2025:10737
Civiel recht
Kort geding
4,783 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummers: C/10/699165 / KG ZA 25-407
C/10/699193 / KG ZA 25-410
Vonnis in kort geding van 13 juni 2025
in de zaak van:
[eiser]
,
woonplaats kiezende te Rotterdam,
eiser,
advocaat: mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam,
tegen
[gedaagde 1]
,
wonende te Bergschenhoek,
gedaagde,
advocaat: mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,
en in de zaak van:
[eiseres]
,
wonende te Bergschenhoek,
eiseres,
advocaat: mr. G.F. van den Ende te Rotterdam,
tegen
[gedaagde 2]
,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
gedaagde,
advocaat: mr. R.W.J.M. te Pas te Rotterdam.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
De zaken in het kort
Partijen zijn ex-partners en gezamenlijk eigenaar van een woning in Bergschenhoek. Tijdens een eerder (eerste) kort geding hebben zij afgesproken dat de vrouw de man uitkoopt tegen betaling van de helft van de overwaarde en dat de reële markwaarde van de woning door een taxateur wordt vastgesteld, waarbij de getaxeerde waarde geldt als bindend advies. De woning is door een door partijen aangewezen taxateur getaxeerd. Volgens de man komt de taxatie echter niet overeen met de werkelijke waarde van de woning. Daarom heeft hij in een tweede kort geding gevorderd dat de vrouw haar medewerking aan een hertaxatie verleent. Die vordering is afgewezen. In dit (derde) kort geding vordert de man opnieuw medewerking aan een hertaxatie. De voorzieningenrechter wijst de vordering opnieuw af. De vrouw vordert dat de man zijn medewerking verleent aan de overeengekomen overdracht van zijn aandeel in de woning aan haar. Die vordering wordt toegewezen.
Procesverloop
1.1.
Partijen hebben de volgende stukken ingediend:
de dagvaarding van de vrouw van 14 mei 2025, met producties 1 tot en met 12,
de dagvaarding van de man van 15 mei 2025, met producties 1 tot en met 8,
de conclusie van antwoord van de vrouw, met producties 1 tot en met 7,
de conclusie van antwoord van de man, met producties 9 en 10,
de pleitnotities van mr. Te Pas.
1.2.
De advocaten van partijen hebben verzocht om de zaken op één zitting te behandelen. De voorzieningenrechter heeft dit toegestaan. De mondelinge behandeling in beide zaken heeft vervolgens plaatsgevonden op 30 mei 2025.
1.3.
Vanwege de samenhang tussen de zaken is de voorzieningenrechter ambtshalve tot voeging overgegaan. Dit vonnis wordt daarom in beide zaken gewezen.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met hun twee, inmiddels jongvolwassen, kinderen samengewoond in de woning aan [adres] (hierna: de woning). Partijen zijn eigenaar van de woning.
2.2.
Nadat de relatie was geëindigd, heeft de vrouw bij dagvaarding van 31 december 2024 een kort geding tegen de man aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank (zaaknummer: C/10/691338 / KG ZA 24-1219). Daarin vorderde zij het uitsluitend gebruik en genot van de woning en het bevel aan de man om de woning te verlaten. Op 10 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben toen afspraken met elkaar gemaakt, die zijn vastgelegd in een proces-verbaal. De afspraken luiden als volgt:
“Partijen spreken over de woning aan [adres] (hierna: de woning) het volgende af:
1. De woning is gemeenschappelijk eigendom. [gedaagde 1] zal [eiser] uitkopen tegen betaling van de helft van de overwaarde.
2. Partijen zullen gezamenlijk Makelaar Dullink de opdracht geven om de woning te taxeren tegen de reële marktwaarde in onverhuurde staat. Die opdracht zal binnen een week na heden worden gegeven. Beide partijen zullen iemand aanwijzen die, ieder voor zich, bij de taxatie aanwezig zullen zijn; zij zullen zelf niet aanwezig zijn maar wel voor hun eigen vertegenwoordiger telefonisch bereikbaar zijn. De kosten voor de makelaar worden door partijen door ieder voor de helft gedragen. De door de makelaar getaxeerde waarde geldt als een bindend advies.
3. [gedaagde 1] zal vervolgens zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen 2 maanden, aan [eiser] laten weten of zij hem kan uitkopen tegen de door de makelaar vastgestelde waarde.
4. Als [gedaagde 1] [eiser] kan uitkopen dan wordt dat vervolgens wederom zo spoedig mogelijk uitgevoerd doordat partijen daartoe gezamenlijk opdracht gegeven aan een te kiezen notaris. [gedaagde 1] zal daarvoor drie notarissen voordragen, waarvan [eiser] daar één van zal kiezen. De kosten voor de notaris, en voor zover vereist overdrachtsbelasting, worden gedragen door [gedaagde 1].
5. [gedaagde 1] zal er voor zorgen dat de woning is opgeruimd voordat de taxatie plaatsvindt. De woning zal niet geverfd worden voor de taxatie en er vindt ook geen ander onderhoud plaats.
Partijen vragen vonnis voor de overige geschilpunten. (…)”
2.3.
Bij vonnis van 24 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter de man bevolen om de woning binnen twee weken met zijn spullen te verlaten. Verder is in het vonnis op verzoek van partijen een aanpassing van de afspraak in punt 2 van het proces-verbaal vastgelegd. Die houdt in dat de taxatie van de woning niet door Makelaar Dullink, maar door [makelaar] wordt uitgevoerd.
2.4.
Op 27 januari 2025 heeft [naam] van [makelaar] de woning getaxeerd. [naam] heeft op 31 januari 2025 een taxatierapport uitgebracht, waarin hij de marktwaarde van de woning heeft bepaald op € 435.000,00.
2.5.
Bij e-mail van 28 februari 2025 heeft de advocaat van de vrouw aan de advocaat van de man bevestigd dat de vrouw de man kan uitkopen als wordt uitgegaan van de door [naam] vastgestelde waarde. Ook zijn drie notarissen voorgedragen en is de advocaat van de man gevraagd welke notaris de voorkeur van de man heeft. De man heeft daarop laten weten dat hij het niet eens is met de door [naam] vastgestelde marktwaarde en een hertaxatie wenst.
2.6.
Bij dagvaarding van 18 februari 2025 heeft de man bij de voorzieningenrechter in deze rechtbank een kort geding tegen de vrouw aanhangig gemaakt (zaaknummer: C/10/694467 / KG ZA 25-146) en medewerking aan een hertaxatie gevorderd. De vrouw heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd dat de man, onder oplegging van een dwangsom, wordt bevolen om zijn spullen uit de woning op te halen.
2.7.
Bij vonnis van 12 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld om zijn spullen binnen drie weken na betekening van het vonnis op te halen en aan die veroordeling een dwangsom verbonden. De vordering van de man tot hertaxatie van de woning is afgewezen. Daartoe is in het vonnis overwogen:
“5.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij de inhoud van het taxatierapport slechts marginaal mag toetsen. Dat wil zeggen dat moet worden beoordeeld of de taxateur van [makelaar], alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
5.5.
[makelaar] heeft bij de taxatie de objectkenmerken van de woning vergeleken met die van een drietal referentieobjecten, waaronder het door de man genoemde object dat voor € 498.000,00 is verkocht. Anders dan de man meent, heeft [makelaar] het verschil tussen de verkoopprijs van dat object en de marktwaarde van de woning toegelicht. De onderhoudssituatie en de mate van luxe van het object zijn volgens [makelaar] namelijk beter. Als toelichting staat: “Keuken, toilet, badkamer, wand- en vloerafwerking verkeren in betere staat. Tuin is fraaier aangelegd.” De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het betoog van de man dat [makelaar] die toelichting nader had moeten onderbouwen. Dat gaat over de subjectieve waardering van de waarneming van de makelaar en dat valt buiten het kader van de marginale toetsing.
5.6.
De stelling van de man, dat de vrouw in de woning er een rommeltje van had gemaakt en daardoor de taxatiewaarde verminderde, vindt geen steun in de foto’s van de woning die in het taxatierapport zijn opgenomen. Bovendien is onderdeel van de schikking dat de vrouw ervoor zorgt dat de woning opgeruimd is voordat de taxatie plaatsvindt. Indien dat niet het geval was, lag het op de weg van de advocaat van de man, die bij de inspectie aanwezig was, om dat kenbaar te maken aan [makelaar]. Dat is (blijkbaar) niet gebeurd.
5.7.
Aldus is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat de taxateur van [makelaar] in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen en dat er geen omstandigheden zijn die de gebondenheid van de man aan de schikking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. De conclusie is dat de man een hertaxatie niet kan afdwingen, hij is gebonden aan de taxatiewaarde van € 435.000,00.”
2.8.
Bij appeldagvaarding van 7 april 2025 heeft de man hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 maart 2025. Er was ten tijde van de zitting in dit kort geding nog geen zicht op een uitspraakdatum.
2.9.
Op 15 april 2025 heeft de man bij de Stichting Tuchtrechtspraak NRVT (hierna: het tuchtcollege) een klacht ingediend tegen [naam]. De man heeft zijn klacht op 25 april 2025 aangevuld. Bij e-mail van 15 mei 2025 heeft [naam] daarop gereageerd. Het tuchtcollege had tijdens de zitting in dit kort geding nog geen uitspraak gedaan.
Geschil
3.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis bepaalt dat de vrouw de taxateur de gelegenheid geeft om de woning te taxeren, met machtiging om bij de uitvoering van het vonnis de hulp van de sterke arm in te roepen, en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2.
De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.3.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de man veroordeelt tot het verlenen van medewerking aan de overname door de vrouw van het aandeel van de man in de woning, en aldus zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de benodigde akte bij een notaris verbonden aan Just Notarissen te Zoetermeer binnen vier weken na betekening van dit vonnis,
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of handtekening van de man tot levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw als de man niet aan de veroordeling tot medewerking aan de overname voldoet,
de man veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
Beoordeling
4.1.
Partijen hebben beiden een spoedeisend belang bij hun vorderingen. Dat spoedeisend belang is erin gelegen dat partijen op dit moment niet verder kunnen. Zij zijn al geruime tijd uit elkaar, maar nog steeds gezamenlijk eigenaar van de woning. Nu de vrouw stelt dat zij de man op basis van de gemaakte afspraken kan uitkopen als wordt uitgegaan van de door [naam] vastgestelde waarde en de man meent dat uitkoop pas kan plaatsvinden als de woning opnieuw is getaxeerd, bestaat behoefte aan een beslissing op korte termijn.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling in het eerste kort geding hebben partijen afspraken gemaakt over de woning (zie 2.2. hiervoor). Die afspraken houden, na een in het vonnis van 24 januari 2025 vastgelegde aanpassing (zie 2.3.), onder meer in dat een taxateur van [makelaar] de woning tegen de reële marktwaarde in onverhuurde staat taxeert, dat de door de taxateur getaxeerde waarde geldt als bindend advies en dat de vrouw de man kan uitkopen uitgaande van die waarde. [naam] heeft de marktwaarde van de woning per 27 januari 2025 bepaald op € 435.000,00. De man stelt dat deze waarde niet overeenkomt met de werkelijke waarde van de woning en dat sprake is van fraude door [naam]. Volgens de man moet de woning opnieuw worden getaxeerd om onherstelbare schade te voorkomen.
4.3.
De man heeft in een eerder (tweede) kort geding al gevorderd dat de vrouw meewerkt aan een hertaxatie. Die vordering is afgewezen (zie hiervoor in 2.7.). In dit kort geding vordert de man opnieuw de medewerking van de vrouw aan een hertaxatie. Het instellen van dezelfde vordering in een nieuwe procedure is in het civiele recht toegestaan, tenzij dit in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit om de navolgende redenen het geval.
4.4.
In het vonnis in het tweede kort geding is al overwogen dat de inhoud van dit taxatierapport slechts marginaal mag worden getoetst. Niet alleen is algemeen aanvaard dat taxatie van onroerende zaken een beredeneerde inschatting en geen exacte wetenschap is, maar bovendien hebben partijen afgesproken dat de taxatie als bindend advies wordt aangemerkt. Op grond daarvan heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [naam] in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. In dit kort geding heeft de man geen feiten en omstandigheden genoemd op grond waarvan hij nu redelijkerwijs een ander oordeel kon verwachten. Zo zijn geen andere of nieuwe, na het vonnis van 12 maart 2025 voorgevallen feiten en omstandigheden gesteld. Anders dan in het tweede kort geding heeft de man betoogd dat sprake is van fraude door [naam]. Hij heeft dit echter niet nader toegelicht. Gelet daarop heeft de man de vrouw nodeloos in rechte betrokken, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de man tegen het vonnis van 12 maart 2025 ook hoger beroep heeft ingesteld. Zonder nadere toelichting kan de stelling dat sprake is van fraude er immers niet toe leiden dat de man niet meer gebonden is aan de met de vrouw gemaakte afspraken. Daarbij wordt nog opgemerkt dat als op enig moment zou komen vast te staan dat inderdaad sprake is geweest van fraude (hetgeen op dit moment niet te beoordelen valt), de man zich voor een vergoeding van de daardoor door hem geleden schade tot [naam] kan wenden. Er is in die zin geen sprake van onomkeerbare schadelijke gevolgen; de man zal hoe dan ook worden uitgekocht door de vrouw, de mogelijke gevolgen beperken zich tot het bedrag dat hij ontvangt.
De conclusie in dit kort geding luidt dan ook dat de man zich aan de met de vrouw gemaakte afspraken moet houden.
4.5.
De vorderingen van de man worden dus afgewezen. De vorderingen van de vrouw liggen daarmee voor toewijzing gereed. De vrouw vordert immers nakoming door de man van de gemaakte afspraken, in die zin dat dat de man medewerking verleent aan de overname door de vrouw van zijn aandeel in de woning. Nu de man geen notaris heeft willen kiezen, wordt in de beslissing vastgelegd dat de akte dient te worden verleden door een notaris van het door de vrouw voorgestelde notariskantoor. Gelet op de standpunten en de houding van de man bestaat eveneens aanleiding om op grond van artikel 3:300 lid 1 BW te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming/handtekening van de man die nodig is voor de levering door de man van zijn aandeel in de woning aan de vrouw. Vanzelfsprekend zal de vrouw ervoor moeten zorgen dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening wordt ontslagen.
4.6.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Net als in het tweede kort geding ziet de voorzieningenrechter aanleiding om daarvan af te wijken. De man werkt namelijk nog steeds niet mee aan de tenuitvoerlegging van de gemaakte afspraken en heeft de vrouw daarnaast onnodig in rechte betrokken. De man wordt dus als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de vrouw veroordeeld. In beide zaken worden de proceskosten begroot op € 1.062,50 (€ 331,00 aan griffierecht, vanwege de samenhang tussen de zaken € 553,50 aan salaris advocaat en € 178,00 aan nakosten plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. In de zaak van de vrouw komt daar nog een vergoeding van de dagvaardingskosten van € 162,98 bij, dus in totaal € 1.225,48.
Dictum
De voorzieningenrechter
in de zaak van de man met zaaknummer C/10/699165 / KG ZA 25-407
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.062,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als de man hier niet tijdig aan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet hij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad,
in de zaak van de vrouw met zaaknummer C/10/699193 / KG ZA 25-410
5.4.
veroordeelt de man om binnen vier weken na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de overname door de vrouw van zijn aandeel in de woning aan de [adres], met kadastrale aanduiding [perceel], en aldus zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de benodigde akte bij een notaris verbonden aan Just Notarissen te Zoetermeer,
5.5.
bepaalt dat, als de man niet aan de veroordeling in 5.4. voldoet, dit vonnis in de plaats treedt van de toestemming/handtekening van de man die nodig is voor de levering door de man van zijn aandeel in de woning aan de vrouw,
5.6.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.225,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als de man hier niet tijdig aan voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet hij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.
[2971/106]