Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-21
ECLI:NL:RBROT:2025:10685
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11388514 CV EXPL 24-27630
datum uitspraak: 21 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. M. van Gastel,
tegen
1 [persoon B] ,
2. [persoon C],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
gemachtigde: mr. L.J. Witvliet.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’ en ‘ [persoon C] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 24 oktober 2024, met bijlagen;
het antwoord in conventie, tevens inhoudende een eis in reconventie, met bijlagen;
het antwoord in reconventie, met bijlagen;
de e-mail van [persoon B] en [persoon C] van 20 februari 2024, met één bijlage.
één bijlage die [persoon A] tijdens de zitting heeft overgelegd (specificatie huurachterstand 2016);
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [persoon B] en [persoon C] .
1.2.
Op 21 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [persoon A] aanwezig samen met zijn gemachtigde. [persoon B] en [persoon C] zijn in persoon verschenen samen met, namens hun gemachtigde, mr. D. Lagendijk.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[persoon B] huurt vanaf 1 januari 2017 de woning aan de [adres] in Rockanje van [persoon A] . Zij woont samen met haar partner, [persoon C] , en hun vier minderjarige kinderen in de woning.
2.2.
[persoon A] stelt dat [persoon B] op verschillende manieren tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Volgens [persoon A] heeft [persoon B] namelijk een huurachterstand laten ontstaan, betaalt [persoon B] stelselmatig de huur te laat, veroorzaakt zij samen met haar gezin overlast vanuit de woning, heeft zij de woning (tijdelijk) in gebruik gegeven aan [persoon C] en hebben zij en haar gezin schade aan de woning veroorzaakt. [persoon A] eist daarom dat de kantonrechter de huurovereenkomst met [persoon B] ontbindt en [persoon B] en [persoon C] veroordeelt de woning te ontruimen. Daarnaast eist [persoon A] dat [persoon B] en [persoon C] worden veroordeeld om de huurachterstand en de lopende huur aan haar te betalen. Omdat [persoon B] en [persoon C] de huur niet op tijd hebben betaald, eist [persoon A] dat zij ook een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten en rente aan hem moeten betalen.
2.3.
[persoon B] en [persoon C] zijn het niet eens met de eis van [persoon A] . Zij betwisten dat [persoon B] op enige wijze tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Daarnaast stellen [persoon B] en [persoon C] dat [persoon A] zich bij het verhogen van de huur niet heeft gehouden aan de maximale toegestane percentages voor woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs. [persoon B] en [persoon C] eisen daarom dat [persoon A] hetgeen te veel aan huur in rekening is gebracht, moet terugbetalen. Verder stellen [persoon B] en [persoon C] dat [persoon A] servicekosten in rekening heeft gebracht voor internet, wifi en televisie en voor klein onderhoud, terwijl deze services niet zijn geleverd. [persoon B] en [persoon A] eisen daarom primair dat [persoon A] € 1.020,00 aan servicekosten voor internet, wifi en televisie en € 4.320,00 aan servicekosten voor klein onderhoud aan hen moet terugbetalen en subsidiair dat [persoon A] aan hen een specificatie van de gemaakte kosten moet verstrekken, waarbij zij zich het recht voorbehouden hun vordering nog nader te specificeren.
2.4.
De kantonrechter ontbindt de huurovereenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] . [persoon B] en [persoon C] moeten binnen drie maanden de woning ontruimen. Daarnaast veroordeelt de kantonrechter [persoon A] om aan [persoon B] en [persoon C] een bedrag van € 569,18 aan huur/servicekosten (terug) te betalen. Alle andere eisen worden afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[persoon B] en [persoon C] hebben een huurachterstand van € 5.959,20 laten ontstaan
2.5.
De kantonrechter begrijpt dat tussen partijen discussie bestaat over de vraag of sprake is van een huurachterstand en zo ja, hoe hoog deze is. [persoon B] en [persoon C] hebben namelijk bij antwoord de door [persoon A] in de dagvaarding gestelde huurachterstand betwist. Daarnaast zou [persoon A] volgens [persoon B] en [persoon C] onterecht twee betalingen van € 500,00 niet in de berekening van de huurachterstand hebben meegenomen.
2.6.
[persoon A] heeft, naar aanleiding van het antwoord van [persoon B] en [persoon C] , een bijgewerkt overzicht overgelegd van de in rekening gebrachte huurtermijnen en de daartegenover door [persoon B] en [persoon C] verrichte betalingen. Volgens dit overzicht is sprake van een huurachterstand van € 5.959,20. De kantonrechter leidt uit de stukken af dat deze huurachterstand betrekking heeft op de huur over de periode januari 2017 tot en met februari 2025. De twee betalingen van augustus 2016 van ieder € 500,00 waar [persoon B] en [persoon C] zich op beroepen, hebben geen betrekking op deze huurperiode en zijn daarom logischerwijs door [persoon A] ook niet in de berekening van de huurachterstand meegenomen.
2.7.
[persoon B] en [persoon A] hebben de juistheid van het hiervoor genoemde overzicht niet meer betwist. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het overzicht – los van hetgeen hierna over de huurprijsverhogingen en de servicekosten nog zal worden besproken – klopt en dat de huurachterstand (inclusief servicekosten) over de periode januari 2017 tot en met februari 2025 € 5.959,20 bedraagt.
[persoon A] heeft € 1.188,38 te veel aan huur in rekening gebracht
2.8.
De huur is op 1 januari 2017 aangevangen met een (kale) huurprijs van € 700,00. De woning kwalificeert daarom als woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs. Op grond van artikel 5.1 van de huurovereenkomst mag de huur op voorstel van [persoon A] jaarlijks worden verhoogd met een percentage dat maximaal gelijk is aan het op de ingangsdatum van die wijziging wettelijk toegestane percentage voor woonruimte met een niet-geliberaliseerde huurprijs (hierna: het wettelijk toegestane percentage). Volgens [persoon B] en [persoon C] heeft [persoon A] zich bij het verhogen van de huurprijs niet gehouden aan het wettelijk toegestane percentage en heeft [persoon A] daardoor te veel huur in rekening gebracht. Dit wordt door [persoon A] erkent. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag met welke (maximale) percentages de huur dan wel verhoogd had mogen worden. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
2.9.
[persoon A] heeft per 1 augustus 2020 de kale huur verhoogd naar € 750,00. Op grond van het wettelijk toegestane percentage had [persoon A] de kale huur op dat moment maximaal mogen verhogen met 5,1%. Dit betekent dat de kale huur per 1 augustus 2022 verhoogd mocht worden tot € 735,70 (€ 700 x 105,1%). De stelling van [persoon A] dat hij in dat geval vanaf 1 juli 2023, gelet op het wettelijk toegestane percentage op dat moment van 3,1%, alsnog € 750,00 aan kale huur in rekening mocht brengen, wordt door de kantonrechter niet gevolgd. [persoon A] heeft immers op dat moment feitelijk de huur niet verhoogd en hij kan niet nu met terugwerkende kracht alsnog per die datum een huurprijsverhoging doorvoeren.
2.10.
[persoon A] heeft per 1 januari 2024 de kale huur verhoogd naar € 800,00. Op grond van het wettelijk toegestane percentage had [persoon A] de kale huur op dat moment maximaal mogen verhogen met 3,1%. Dit betekent dat de kale huur per 1 januari 2024 verhoogd mocht worden tot € 758,51 (€ 735,70 x 103,1%).
2.11.
[persoon A] heeft tot slot de kale huur per 1 januari 2025 verhoogd naar € 854,60. Op grond van het wettelijk toegestane percentage had [persoon A] de kale huur op dat moment maximaal mogen verhogen met 5,8%. Dit betekent dat de kale huurprijs per 1 januari 2025 verhoogd mocht worden tot € 802,50 (€ 758,51 x 105,8%).
2.12.
Het voorgaande betekent dat er over de periode augustus 2020 tot en met december 2023 in totaal € 586,30 (41 maanden x (€ 750,00 - € 735,70)) te veel aan huur in rekening gebracht. Over de periode januari 2024 tot en met december 2024 is in totaal € 497,88 (12 maanden x (€ 800,00 - € 758,51)) te veel aan huur in rekening gebracht. Over de maanden januari en februari 2025 is in totaal € 104,20 (2 maanden x (€ 854,60 - € 802,50) te veel aan huur in rekening gebracht.
Dictum
De kantonrechter:
In conventie
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen [persoon A] en [persoon B] en veroordeelt [persoon B] en [persoon C] om binnen drie maanden nadat dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Rockanje te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [persoon B] en [persoon C] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [persoon A] te stellen;
3.2.
veroordeelt [persoon B] om vanaf maart 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [persoon A] te betalen € 802,50 per maand met de verhoging die is toegestaan;
3.3.
veroordeelt [persoon B] en [persoon C] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 1.198,47 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
wijst al het andere af;
In reconventie
3.5.
veroordeelt [persoon A] om aan [persoon B] te betalen € 569,18 aan te veel betaalde huur/servicekosten;
3.6.
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] en [persoon C] worden begroot op € 304,50 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.7.
wijst al het andere af;
In conventie en in reconventie
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
62828
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia).
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.
Beoordeling
Opgeteld heeft [persoon A] over de periode augustus 2020 tot en met februari 2025 € 1.188,38 te veel aan huur in rekening gebracht.
[persoon A] heeft € 5.340,00 te veel aan servicekosten in rekening gebracht
2.13.
[persoon B] en [persoon C] stellen dat [persoon A] maandelijks servicekosten in rekening heeft gebracht voor internet, wifi en televisie en voor klein onderhoud, terwijl hij sinds februari 2022 geen internet, wifi en televisie meer aan hen levert en nooit klein onderhoud aan de woning heeft verricht. Volgens [persoon B] en [persoon C] had [persoon A] daarom deze servicekosten niet in rekening mogen brengen. [persoon B] en [persoon C] stellen dat [persoon A] € 1.020,00 aan servicekosten voor internet, wifi en televisie en € 4.320,00 aan servicekosten voor klein onderhoud te veel in rekening heeft gebracht.
2.14.
[persoon A] erkent dat hij vanaf februari 2022 geen internet, wifi en televisie meer aan [persoon B] en [persoon C] heeft geleverd en nooit klein onderhoud aan de woning heeft verricht. [persoon A] stelt dat partijen hebben afgesproken dat [persoon A] deze servicekosten in rekening zou brengen zonder dat deze services daadwerkelijk door hem zouden worden geleverd. Volgens [persoon A] dienden de servicekosten als verkapte huur, zodat de kale huur laag genoeg zou blijven voor [persoon B] om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Daarbij stelt [persoon A] dat [persoon B] en [persoon C] wel gebruik konden maken van het internetsignaal van de beneden gelegen horecazaak. Het voorgaande wordt door [persoon B] en [persoon C] betwist.
2.15.
[persoon A] draagt de stelplicht en bewijslast van de stelling dat partijen hebben afgesproken dat hij deze services nooit daadwerkelijk aan hen zou leveren en dat de servicekosten dus dienden als verkapte huur (artikel 150 Rv). [persoon A] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat partijen dit hebben afgesproken. Dit is daarom naar het oordeel van de kantonrechter niet vast komen te staan. Het voorgaande betekent dat [persoon A] gehouden was internet, wifi en televisie aan [persoon B] en [persoon C] te leveren en klein onderhoud aan de woning te verrichten. Nu [persoon A] deze services niet heeft geleverd – waarbij de kantonrechter het niet voldoende acht dat [persoon B] en [persoon C] gebruik konden maken van het internetsignaal van de beneden gelegen horecazaak –, had [persoon A] hiervoor geen servicekosten in rekening mogen brengen.
De bedragen die door [persoon A] te veel aan huur en servicekosten in rekening zijn gebracht, worden verrekend met de huurachterstand waardoor [persoon A] nog een bedrag van € 569,18 aan te veel betaalde huur/servicekosten aan [persoon B] moet terugbetalen
2.16.
[persoon A] eist in conventie dat [persoon B] en [persoon C] de huurachterstand van € 5.959,20 aan hem moeten betalen. [persoon B] en [persoon C] eisen daartegenover in reconventie dat [persoon A] € 1.084,30 aan te veel betaalde huur en € 5.340,00 aan te veel betaalde servicekosten aan hen moet terugbetalen.
2.17.
De kantonrechter begrijpt uit hetgeen [persoon B] en [persoon C] ter zitting hebben verklaard dat zij de bedragen die [persoon A] te veel aan huur en servicekosten in rekening heeft gebracht, wensen te verrekenen met de huurachterstand. Omdat aan alle eisen voor verrekening is voldaan (artikel 6:217 BW), verrekent de kantonrechter het bij 2.12. vastgestelde bedrag van € 1.188,38 aan te veel in rekening gebrachte huur en het bedrag van € 5.340,00 aan te veel in rekening gebrachte servicekosten met de huurachterstand van € 5.959,20. Dit heeft tot gevolg dat niet langer sprake is van een huurachterstand. De kantonrechter komt daarom niet meer toe aan de eis van [persoon A] in conventie tot terugbetaling van de huurachterstand. Het restant van € 569,18 ((€ 1.188,38 + € 5.340,00) - € 5.959,20) dat door [persoon B] en [persoon C] dus te veel is betaald aan huur/servicekosten, moet [persoon A] aan [persoon B] terugbetalen. Dit wordt daarom in reconventie toegewezen. Omdat [persoon C] geen huurder is en niet is gesteld of gebleken dat hij getrouwd is met [persoon B] , zodat hij ook niet om die reden van rechtswege medehuurder is, kan [persoon A] niet tot terugbetaling van dit bedrag aan [persoon C] worden veroordeeld. De kantonrechter komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan de rest van de eis in reconventie.
[persoon B] en [persoon C] hoeven geen incassokosten en rente te betalen
2.18.
De kantonrechter wijst de door [persoon A] gevorderde incassokosten en de rente af. In artikel 20.6 van de algemene huurvoorwaarden staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [persoon A] daar geen beroep op doen en kan hij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [persoon B] en [persoon C] een boete van € 25,00 per kalenderdag moeten betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoen. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zouden [persoon B] en [persoon C] als zij te laat betalen alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [persoon A] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Er zijn verder geen oneerlijke bepalingen
2.19.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.20.
[persoon A] eist dat de huurovereenkomst met [persoon B] wordt ontbonden. De kantonrechter mag de huurovereenkomst alleen ontbinden als [persoon B] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en die tekortkoming ernstig genoeg is. De kantonrechter moet daarbij rekening houden met alle omstandigheden.
2.21.
Op grond van de wet (artikel 7:213 BW) en de algemene huurvoorwaarden dient [persoon B] zich als een goed huurster te gedragen. Dit houdt onder meer in, zo blijkt ook uit artikel 13.4 van de algemene huurvoorwaarden, dat [persoon B] zich moet onthouden van het veroorzaken van overlast aan omwonenden. Daarbij geldt dat [persoon B] als hoofdhuurder niet enkel verantwoordelijk is voor haar eigen gedrag, maar ook voor de gedragingen van [persoon C] die met haar toestemming in de woning woont (artikel 7:219 BW).
2.22.
[persoon A] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [persoon B] en [persoon C] overlast veroorzaken verschillende (schriftelijke) getuigenverklaringen overgelegd van buurtbewoners en hulpverleners. Volgens deze getuigenverklaringen zouden [persoon B] en [persoon C] onder meer voor geluidoverlast en drugsoverlast zorgen en zich regelmatig agressief en intimiderend opstellen tegenover omwonenden. Dit laatste vindt bevestiging in het whatsappgesprek dat tussen [persoon C] en zijn onderbuurvrouw heeft plaatsgevonden, welke eveneens door [persoon A] is overgelegd. Uit dit whatsappgesprek blijkt dat [persoon C] zich buitengewoon ongepast en intimiderend heeft opgesteld tegenover zijn onderbuurvrouw, onder meer door binnen zeer korte tijd een grote hoeveelheid whatsappberichten naar haar te sturen, haar een ‘kankerrat’ te noemen en bedreigingen als ‘Game on’ en ‘Ja je wil me hebben. Je gaat me krijgen’ te uiten.
Beoordeling
Dat het hier zou gaan om een (wederkerige) burenruzie tussen [persoon B] en [persoon C] en hun onderbuurvrouw, zoals door [persoon B] en [persoon C] wordt gesteld, blijkt nergens uit. Verder erkennen [persoon B] en [persoon C] dat [persoon C] op enig moment vanaf de eerste verdieping van de woning een stofzuiger door een gesloten raam naar beneden heeft gegooid. De kantonrechter begrijpt dat de stofzuiger daarbij – gelukkig – op de overkapping van het terras van de beneden gelegen horecazaak terecht is gekomen, maar dat diverse glasscherven van het gebroken raam wel op het terras zijn gevallen. [persoon C] heeft daarmee een zeer onveilige situatie gecreëerd voor omwonenden en voorbijgangers. [persoon B] en [persoon C] hebben voor deze gedraging geen enkele – laat staan een redelijke – verklaring gegeven.
2.23.
Alles overwegende komt de kantonrechter tot het oordeel dat [persoon B] zich niet als een goed huurster heeft gedragen. [persoon A] heeft namelijk voldoende gesteld dat [persoon B] en [persoon C] vanuit de woning ernstige overlast veroorzaken en [persoon B] en [persoon C] hebben dat onvoldoende gemotiveerd betwist. [persoon B] en [persoon C] hebben namelijk geen stukken overgelegd waaruit het tegendeel blijkt en hebben ook geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander licht op de zaak werpen. De enkele ontkenning van [persoon B] en [persoon C] dat zij overlast veroorzaken, is in dit geval – gelet op de stukken die [persoon A] heeft overgelegd – niet voldoende.
2.24.
Het voorgaande betekent dat [persoon B] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat deze tekortkoming ernstig genoeg is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat onder bepaalde omstandigheden emoties de overhand kunnen nemen en kunnen leiden tot ongepaste uitlatingen en/of gedragingen, gaat het gedrag van [persoon C] naar het oordeel van de kantonrechter alle perken te buiten. Daarbij kan de omstandigheid dat [persoon B] en [persoon C] met hun vier minderjarige kinderen in de woning wonen niet tot een ander oordeel leiden. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet bij een beslissing als de onderhavige, die betrekking heeft op de woonruimte van een minderjarig kind, het belang van het kind weliswaar een eerste overweging zijn, maar dat betekent niet dat de enkele aanwezigheid van minderjarige kinderen zonder meer aan ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in de weg staat. In dit geval is de tekortkoming van [persoon B] van dien aard dat naar het oordeel van de kantonrechter van [persoon A] niet kan worden verlangd dat hij de huurovereenkomst blijft voortzetten. De kantonrechter ontbindt daarom de huurovereenkomst. Of [persoon B] daarnaast ook nog op andere wijze tekort is geschoten, zoals door [persoon A] wordt gesteld, kan daarom in het midden blijven.
[persoon B] en [persoon C] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.25.
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moeten [persoon B] en [persoon C] de woning met al hun spullen verlaten. Gelet op het belang van de minderjarige kinderen die in de woning verblijven, ziet de kantonrechter aanleiding om een langere ontruimingstermijn toe te kennen. Een ontruimingstermijn van drie maanden na betekening van het vonnis wordt redelijk geacht om [persoon B] en [persoon C] in staat te stellen om vervangende woonruimte te vinden.
2.26.
Vanaf maart 2025 tot en met de dag van de ontruiming moet [persoon B] de huur c.q. een gebruiksvergoeding aan [persoon A] betalen (artikel 7:225 BW). Omdat [persoon C] geen huurder is en ook niet is gesteld of gebleken dat hij getrouwd is met [persoon B] , zodat hij ook niet om die reden van rechtswege medehuurder is, kan [persoon C] niet veroordeeld worden tot betaling van de huur c.q. een gebruiksvergoeding. Gelet op hetgeen bij 2.7. is overwogen, stelt de kantonrechter de huur c.q. gebruiksvergoeding vast op € 802,50 per maand. [persoon A] heeft niet uitgelegd waarom [persoon B] een vergoeding moet betalen voor de rest van die maand. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[persoon B] en [persoon C] moeten de proceskosten in conventie betalen
2.27.
De proceskosten in conventie komen voor rekening van [persoon B] en [persoon C] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [persoon B] en [persoon C] aan [persoon A] moeten betalen op € 137,47 aan dagvaardingskosten, € 248,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.198,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
[persoon A] moet de proceskosten in reconventie betalen
2.28.
De proceskosten in reconventie komen voor rekening van [persoon A] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Omdat de eis in reconventie (grotendeels) voortvloeit uit het verweer in conventie, begroot de kantonrechter de kosten die [persoon A] aan [persoon B] en [persoon C] moet betalen op € 169,50 aan salaris voor de gemachtigde (0,5 punt) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 304,50. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.29.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat beide partijen dat eisen (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.