Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-22
ECLI:NL:RBROT:2025:10606
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
9,924 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/695402 / FA RK 25-1693
Beschikking van 22 mei 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel
10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz
op verzoek van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1989, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
op dit moment zonder vaste woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. S.E.M. Hooijman te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[zorgaanbieder 1] te [plaats] (hierna: zorgaanbieder); en
de geneesheer-directeur van de zorgaanbieder (hierna: geneesheer-directeur).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen van 11 februari 2025;
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen van 20 februari 2025;
het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen van 20 februari 2025;
de verwijsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2025;
het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen van 7 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 10 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[persoon A] en [persoon B] , juristen, beiden verbonden aan de zorgaanbieder.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van 23 november 2024 heeft de burgemeester van de [gemeente] ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen. Bij beschikking van 27 november 2024 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker tot en met 18 december 2024 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin het toedienen van medicatie, het opnemen in een accommodatie en het beperken van de bewegingsvrijheid als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.2.
Verzoeker heeft op 13 december 2024 klachten ingediend bij de [klachtencommissie] (hierna: de klachtencommissie) over onder meer het feit dat hem mondeling is medegedeeld dat hij na 18 december 2024 zou worden overgeplaatst naar [zorgaanbieder 2] en hij het hier niet mee eens is.
2.3.
De klachtencommissie heeft op 20 december 2024 de beslissing op de klacht van verzoeker medegedeeld en deze op 31 december 2024 vastgesteld en verstuurd. De klachtencommissie heeft de klacht met betrekking tot de overplaatsing niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Op 20 december 2024 is aan verzoeker medegedeeld dat hij op 23 december 2024 zou worden overgeplaatst naar [zorgaanbieder 2] . Verzoeker is op 23 december 2024 naar [zorgaanbieder 2] overgeplaatst.
2.5.
Verzoeker heeft op 24 december 2024 weer een klacht ingediend bij de klachtencommissie over de beslissing van de geneesheer-directeur om verzoeker over te plaatsen naar [zorgaanbieder 2] .
2.6.
Op 30 december 2024 is ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend.
2.7.
De klachtencommissie heeft op 9 januari 2025 de beslissing op de klacht van verzoeker gegeven en deze op 16 januari 2025 vastgesteld en verstuurd. De klachtencommissie heeft de klacht met betrekking tot de formele eisen gegrond verklaard, het inhoudelijke klachtonderdeel ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
2.8.
Verzoeker is tien weken bij [zorgaanbieder 2] opgenomen geweest. Begin maart 2025 is verzoeker weer teruggeplaatst van [zorgaanbieder 2] naar [zorgaanbieder 1] . Op 4 april 2025 is verzoeker uit [zorgaanbieder 1] ontslagen.
3Verzoek en verweer
3.1.
In zijn verzoekschrift van 11 februari 2025 verzoekt verzoeker zijn klacht over de overplaatsing (hierna: klacht 1) alsnog gegrond te verklaren. Dat ten tijde van indiening de formele artikel 8:16 lid 2 Wvggz brief ontbrak, stond een inhoudelijke behandeling van de klacht niet in de weg. De opmerking van de klachtencommissie dat een nieuwe klachtprocedure kan worden gestart als de beslissing is genomen, en verzoeker deze op schrift heeft, zodat aan de vereisten van artikel 8:16 van de Wvggz is voldaan, miskent de wet. De wet geeft immers een klachtgrond op het moment dat de beslissing is genomen, zelfs als aan de verplichting van artikel 8:16 lid 2 Wvggz (nog) niet is voldaan. Tegen het niet nakomen van de verplichting tot het schrijven van een brief is een zelfstandige klachtgrond in de wet opgenomen. Deze uitleg van de wet maakt het indienen van een klacht met een verzoek tot schorsing van de beslissing voorafgaand aan een overplaatsing nagenoeg onmogelijk, terwijl de Wvggz juist de rechtsbescherming van patiënten voor ogen heeft.
3.2.
Ten aanzien van klacht 1 betoogt de zorgaanbieder gemotiveerd dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat het verzoekschrift niet conform artikel 10:7 lid 2 Wvggz is ingediend binnen zes weken, nadat de uitspraak aan verzoeker is medegedeeld. Volgens de zorgaanbieder heeft verzoeker geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat de termijnoverschrijding als niet-verwijtbaar kan worden aangemerkt. Subsidiair stelt de zorgaanbieder dat verzoeker geen procesbelang heeft, omdat verzoeker op 24 december 2024 een nieuwe klacht over de overplaatsing heeft ingediend, welke klacht inmiddels door de klachtencommissie is behandeld.
3.3.
In zijn verzoekschrift van 20 februari 2025 (hierna: klacht 2) verzoekt verzoeker zijn klacht over de overplaatsing ook inhoudelijk gegrond te verklaren en hem een schadevergoeding toe te kennen. Verzoeker licht toe dat niet zijn gedrag in de kliniek maar slechts zijn justitiële verleden in Frankrijk bepalend is geweest bij de overplaatsing. Hij wordt in zijn overtuiging dat de overplaatsing naar een forensische setting alleen daarmee te maken heeft, gesterkt door het oordeel van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan van 9 december 2024 waarin het ernstig nadeel opeens "levensgevaar" in plaats van "de algemene veiligheid van personen en goederen is in gevaar" is, terwijl het gedrag van verzoeker daar tot dan toe in de kliniek geen enkele aanleiding toe gaf.
Dat de overplaatsing is ingegeven door een ingeschat sterk verhoogd risico op een geweldsincident, valt volgens verzoeker niet te rijmen met de constatering van de onafhankelijk psychiater dat sprake was van ernstig nadeel als "de algemene veiligheid van personen en goederen is in gevaar" in combinatie met de opmerking dat met medicamenteuze behandeling verzoeker rustiger en stabiel is en langere tijd niet in aanraking komt met justitie.
Verzoeker is van mening dat niet zijn psychiatrisch toestandsbeeld, zoals het ontbreken van
ziektebesef en het niet tonen van berouw ten opzichte van behandelaren, als maatstaf moet worden genomen, maar het gedrag van verzoeker zelf - ondanks dat psychiatrisch toestandsbeeld - vanaf het moment dat hij door de politie uit de woning van zijn moeder is gehaald, op het politiebureau, als in de kliniek zelf.
Volgens verzoeker werd insluiting tijdens de mondelinge behandeling voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel door de psychiater niet nodig gevonden en is die zorgvorm ook niet in de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel toegewezen. Oplopende agitatie, welke later zou hebben geleid tot een kortdurende separatie, heeft
ook niet geresulteerd in een wijzigingsverzoek ex artikel 8:12 Wvggz. Wat deze kortdurende separatie betreft, geeft verzoeker aan te hebben meegewerkt om de rust te bewaren. Verzoeker kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat de wens van de zorgverantwoordelijke om verzoeker over te plaatsen al in een zeer vroeg stadium, dus voor dit incident, is genomen.
Zeker nu overplaatsing naar een forensische setting met een hoog beveiligingsniveau (celdeuren) en ander verlofregime zeer verstrekkend is, terwijl de medicamenteuze behandeling reeds was gestart en vanuit het verleden succesvol blijkt, had de beslissing tot overplaatsing niet mogen worden genomen.
3.4.
De hele gang van zaken heeft volgens verzoeker extreem veel spanning en frustratie bij hem opgeleverd en er is dus sprake van immateriële schade. Verzoeker heeft weken in
onzekerheid gezeten over de overplaatsing. Daarbij heeft de werkwijze van de zorgverantwoordelijke verzoeker gehinderd tijdig een klacht met de mogelijkheid tot het verkrijgen van een schorsing in te dienen door 1) de klachtencommissie op 20 december 2024 niet te informeren over het overplaatsingsbesluit, 2) direct na die zitting van de klachtencommissie verzoeker te vertellen dat hij wordt overgeplaatst zonder duidelijk te maken dat dit nu wel een klachtwaardig besluit is, 3) op 23 december 2024 de overplaatsing op zeer korte termijn te realiseren, en 4) op 23 december 2024 de artikel 8:16 lid 2 Wvggz beslissing niet aan verzoeker te overhandigen maar na te zenden aan [zorgaanbieder 2] .
Verzoeker is van mening dat hij schade heeft geleden door gebrekkige informatievoorziening, waarbij hem de mogelijkheid is ontnomen om tijdig te klagen en de rechtsgevolgen van de klacht te doen opschorten. Volgens de oriëntatiepunten wordt hiervoor een schade van € 20,- toegekend. Dit bedrag doet echter in het geheel geen recht aan de situatie.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoeker is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten.
Klacht 1
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift wel tijdig is ingediend. Pas toen de beslissing van de klachtencommissie op 31 december 2024 op schrift was gezet, waren de inhoudelijke gronden van de klachtencommissie bekend.
4.3.
De rechtbank gaat mee in het standpunt van verzoeker en overweegt daarbij als volgt. De Wvggz vult niet nader in wat het meedelen van de beslissing als bedoeld in artikel 10:7 lid 2 Wvggz behelst. Volgens artikel 10:5 lid 2 Wvggz neemt de klachtencommissie echter een schriftelijke en gemotiveerde beslissing. De zorgaanbieder heeft verklaard dat de mededeling telefonisch aan betrokkene is gedaan en via de mail aan de patiëntenvertrouwenspersoon en de betrokken behandelaar. Voor de rechtbank is noch uit de overgelegde stukken noch tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden wat precies op 20 december 2024 aan verzoeker is medegedeeld. Met verzoeker is de rechtbank van oordeel dat verzoeker pas op 31 december 2024 kennis heeft kunnen nemen van de motivering van de klachtencommissie. Rekening houdend met de kwetsbare positie van verzoeker is de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 10:5 lid 2 Wvggz van oordeel dat verzoeker in alle redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de zes weken termijn van artikel 10:7 lid 2 Wvggz pas op 31 december 2024 is gaan lopen. Om die reden oordeelt de rechtbank dat het verzoekschrift tijdig is ingediend.
4.4.
De rechtbank is vervolgens evenwel van oordeel dat verzoeker geen procesbelang heeft bij de behandeling van klacht 1, omdat verzoeker deze klacht opnieuw heeft ingediend middels klacht 2 en de klachtencommissie klacht 2 inmiddels heeft behandeld. Dat verzoeker zijn verzoek van 11 februari 2025 in stand heeft gehouden omdat hij het belangrijk vond om de gang van zaken te laten zien, acht de rechtbank begrijpelijk. Dit maakt echter nog niet dat verzoeker hierbij een procesbelang heeft.
4.5.
Concluderend betekent dit dat de rechtbank verzoeker ten aanzien van klacht 1 niet-ontvankelijk verklaart.
Klacht 2
4.6.
Aangezien het verzoekschrift op 20 februari 2025 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoekschrift tijdig gediend. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
4.7.
Verzoeker heeft de rechtbank primair verzocht het inhoudelijk klachtonderdeel over de overplaatsing ook gegrond te verklaren en hem in dat kader een schadevergoeding toe te kennen. Verzoeker verzoekt de rechtbank niet om een beslissing te nemen over de formele eisen van de overplaatsing. De klachtencommissie heeft de klacht op formele eisen al gegrond verklaard. Wel verzoekt verzoeker in dat kader ook een schadevergoeding. Volgens Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:1042 (zie ook Hoge Raad 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:825) is de rechter bij zijn beoordeling van het verzoek in beginsel niet gebonden aan de beslissing van de klachtencommissie. Dit is anders indien partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten waarover door de klachtencommissie is beslist, geen beslissing van de rechter verlangen. In dat geval dient de rechter de beslissing van de klachtencommissie over die geschilpunten te eerbiedigen en daarmee bij zijn beslissing over daarmee samenhangende geschilpunten rekening te houden.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel verzoeker als de zorgaanbieder te kennen gegeven dat zij ten aanzien van de beslissing van de klachtencommissie over de formele eisen van de overplaatsingsbeslissing geen beslissing van de rechtbank verlangen. De rechtbank zal de beslissing van de klachtencommissie over de formele eisen van de overplaatsingsbeslissing eerbiedigen en op dit punt alleen een beslissing nemen over het verzoek om schadevergoeding, rekening houdend met de beslissing van de klachtencommissie.
4.9.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de klacht overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt niet het betoog van verzoeker dat de overplaatsingsbeslissing niet genomen had mogen worden, omdat er geen sterk verhoogd risico op herhaling van een geweldsdelict was en er dus geen forensisch gevaar was. Verzoeker werd onder politiebegeleiding – geboeid en ingesnoerd – in een ambulance bij [zorgaanbieder 1] binnengebracht. Zijn gedrag werd op dat moment door zijn behandelaren als zodanig ontregeld beoordeeld dat verblijf op de afdeling zonder insluiting volgens hen onverantwoord was. Hij is om die reden een paar dagen gesepareerd geweest.
Volgens de zorgaanbieder werden tijdens de opname duidelijke aanwijzingen vastgesteld voor ernstige denkstoornissen, waaronder incoherentie en psychotische overtuigingen die gepaard gingen met agitatie. Daarnaast ontbraken volgens de zorgaanbieder ziektebesef en enig berouw met betrekking tot eerdere gewelddadige gedragingen. Het behandelteam schatte het risico op herhaling van agressief gedrag als verhoogd in. Uit hetero-anamnestische informatie bleek volgens de zorgaanbieder dat verzoeker voorafgaand aan de opname verward gedrag vertoonde, verbaal dreigend was naar zijn moeder, overmatig cannabis en alcohol gebruikte, zich bij aanhouding fors fysiek had verzet en in de thuissituatie een huisverbod opgelegd had gekregen. Hierbij speelde volgens de zorgaanbieder ook mee dat verzoeker een justitiële voorgeschiedenis heeft. Zo heeft verzoeker volgens de zorgaanbieder in het verleden meerdere geweldsdelicten gepleegd – deels vanuit psychotische belevingen. Verzoeker heeft in Frankrijk zijn vrouw en schoonzus naar eigen zeggen licht letsel toegebracht, volgens de zorgaanbieder door met een wapen rubberen kogels op hen af te vuren. Op basis van een risicotaxatie van deze (recente) voorgeschiedenis hebben de behandelaren van verzoeker geconcludeerd dat sprake was van een forensisch risicoprofiel en dat intensieve begeleiding en beveiliging in een forensische kliniek geïndiceerd was. Om die reden is besloten om verzoeker over te plaatsen naar een [afdeling] afdeling van [zorgaanbieder 2] .
Hoewel in de kliniek geen sprake van fysiek geweld was, acht de rechtbank de overplaatsingsbeslissing proportioneel vanwege het gedrag van verzoeker bij en kort na de opname in combinatie met ernst van het psychiatrisch toestandsbeeld, zijn justitiële verleden en het feit dat volgens de zorgaanbieder bij verzoeker sprake was van het ontbreken van ziekte-inzicht. De rechtbank heeft er begrip voor dat het andere verlofregime voor verzoeker zeer verstrekkend is geweest, maar dat betekent niet dat de overplaatsing niet proportioneel of doelmatig was. De rechtbank heeft ook geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van de zorgaanbieder dat [zorgaanbieder 1] van mening was dat zij de benodigde begeleiding en beveiliging niet konden bieden. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat bij het nemen van de overplaatsingsbeslissing inhoudelijk is voldaan aan de wettelijke uitgangspunten en criteria.
Schadevergoeding
4.10.
De klachtencommissie heeft klacht 2 ten aanzien van de formele eisen gegrond verklaard, omdat de beslissing te laat op schrift is gesteld.
4.11.
Op grond van artikel 10:11 lid 2 Wvggz kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek in het verzoekschrift van 11 februari 2025 niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om die reden af;
5.2.
verklaart het inhoudelijke klachtonderdeel in het verzoekschrift van 20 februari 2025 over de overplaatsingsbeslissing ongegrond, en wijst af het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding in het kader van het inhoudelijke klachtonderdeel over de overplaatsingsbeslissing;
5.3.
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 20,- aan verzoeker;
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier op 22 mei 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/695402 / FA RK 25-1693
Beschikking van 22 mei 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel
10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz
op verzoek van:
[betrokkene]
,
geboren op [geboortedatum] 1989, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
op dit moment zonder vaste woon- of verblijfplaats,
advocaat mr. S.E.M. Hooijman te Rotterdam.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[zorgaanbieder 1] te [plaats] (hierna: zorgaanbieder); en
de geneesheer-directeur van de zorgaanbieder (hierna: geneesheer-directeur).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen van 11 februari 2025;
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen van 20 februari 2025;
het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen van 20 februari 2025;
de verwijsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2025;
het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen van 7 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 10 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
betrokkene met zijn hiervoor genoemde advocaat;
[persoon A] en [persoon B] , juristen, beiden verbonden aan de zorgaanbieder.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van 23 november 2024 heeft de burgemeester van de [gemeente] ten aanzien van verzoeker een crisismaatregel genomen. Bij beschikking van 27 november 2024 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker tot en met 18 december 2024 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin het toedienen van medicatie, het opnemen in een accommodatie en het beperken van de bewegingsvrijheid als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.2.
Verzoeker heeft op 13 december 2024 klachten ingediend bij de [klachtencommissie] (hierna: de klachtencommissie) over onder meer het feit dat hem mondeling is medegedeeld dat hij na 18 december 2024 zou worden overgeplaatst naar [zorgaanbieder 2] en hij het hier niet mee eens is.
2.3.
De klachtencommissie heeft op 20 december 2024 de beslissing op de klacht van verzoeker medegedeeld en deze op 31 december 2024 vastgesteld en verstuurd. De klachtencommissie heeft de klacht met betrekking tot de overplaatsing niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Op 20 december 2024 is aan verzoeker medegedeeld dat hij op 23 december 2024 zou worden overgeplaatst naar [zorgaanbieder 2] . Verzoeker is op 23 december 2024 naar [zorgaanbieder 2] overgeplaatst.
2.5.
Verzoeker heeft op 24 december 2024 weer een klacht ingediend bij de klachtencommissie over de beslissing van de geneesheer-directeur om verzoeker over te plaatsen naar [zorgaanbieder 2] .
2.6.
Op 30 december 2024 is ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend.
2.7.
De klachtencommissie heeft op 9 januari 2025 de beslissing op de klacht van verzoeker gegeven en deze op 16 januari 2025 vastgesteld en verstuurd. De klachtencommissie heeft de klacht met betrekking tot de formele eisen gegrond verklaard, het inhoudelijke klachtonderdeel ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
2.8.
Verzoeker is tien weken bij [zorgaanbieder 2] opgenomen geweest. Begin maart 2025 is verzoeker weer teruggeplaatst van [zorgaanbieder 2] naar [zorgaanbieder 1] . Op 4 april 2025 is verzoeker uit [zorgaanbieder 1] ontslagen.
3Verzoek en verweer
3.1.
In zijn verzoekschrift van 11 februari 2025 verzoekt verzoeker zijn klacht over de overplaatsing (hierna: klacht 1) alsnog gegrond te verklaren. Dat ten tijde van indiening de formele artikel 8:16 lid 2 Wvggz brief ontbrak, stond een inhoudelijke behandeling van de klacht niet in de weg. De opmerking van de klachtencommissie dat een nieuwe klachtprocedure kan worden gestart als de beslissing is genomen, en verzoeker deze op schrift heeft, zodat aan de vereisten van artikel 8:16 van de Wvggz is voldaan, miskent de wet. De wet geeft immers een klachtgrond op het moment dat de beslissing is genomen, zelfs als aan de verplichting van artikel 8:16 lid 2 Wvggz (nog) niet is voldaan. Tegen het niet nakomen van de verplichting tot het schrijven van een brief is een zelfstandige klachtgrond in de wet opgenomen. Deze uitleg van de wet maakt het indienen van een klacht met een verzoek tot schorsing van de beslissing voorafgaand aan een overplaatsing nagenoeg onmogelijk, terwijl de Wvggz juist de rechtsbescherming van patiënten voor ogen heeft.
3.2.
Ten aanzien van klacht 1 betoogt de zorgaanbieder gemotiveerd dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden, omdat het verzoekschrift niet conform artikel 10:7 lid 2 Wvggz is ingediend binnen zes weken, nadat de uitspraak aan verzoeker is medegedeeld. Volgens de zorgaanbieder heeft verzoeker geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat de termijnoverschrijding als niet-verwijtbaar kan worden aangemerkt. Subsidiair stelt de zorgaanbieder dat verzoeker geen procesbelang heeft, omdat verzoeker op 24 december 2024 een nieuwe klacht over de overplaatsing heeft ingediend, welke klacht inmiddels door de klachtencommissie is behandeld.
3.3.
In zijn verzoekschrift van 20 februari 2025 (hierna: klacht 2) verzoekt verzoeker zijn klacht over de overplaatsing ook inhoudelijk gegrond te verklaren en hem een schadevergoeding toe te kennen. Verzoeker licht toe dat niet zijn gedrag in de kliniek maar slechts zijn justitiële verleden in Frankrijk bepalend is geweest bij de overplaatsing. Hij wordt in zijn overtuiging dat de overplaatsing naar een forensische setting alleen daarmee te maken heeft, gesterkt door het oordeel van de zorgverantwoordelijke in het zorgplan van 9 december 2024 waarin het ernstig nadeel opeens "levensgevaar" in plaats van "de algemene veiligheid van personen en goederen is in gevaar" is, terwijl het gedrag van verzoeker daar tot dan toe in de kliniek geen enkele aanleiding toe gaf.
Dat de overplaatsing is ingegeven door een ingeschat sterk verhoogd risico op een geweldsincident, valt volgens verzoeker niet te rijmen met de constatering van de onafhankelijk psychiater dat sprake was van ernstig nadeel als "de algemene veiligheid van personen en goederen is in gevaar" in combinatie met de opmerking dat met medicamenteuze behandeling verzoeker rustiger en stabiel is en langere tijd niet in aanraking komt met justitie.
Verzoeker is van mening dat niet zijn psychiatrisch toestandsbeeld, zoals het ontbreken van
ziektebesef en het niet tonen van berouw ten opzichte van behandelaren, als maatstaf moet worden genomen, maar het gedrag van verzoeker zelf - ondanks dat psychiatrisch toestandsbeeld - vanaf het moment dat hij door de politie uit de woning van zijn moeder is gehaald, op het politiebureau, als in de kliniek zelf.
Volgens verzoeker werd insluiting tijdens de mondelinge behandeling voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel door de psychiater niet nodig gevonden en is die zorgvorm ook niet in de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel toegewezen. Oplopende agitatie, welke later zou hebben geleid tot een kortdurende separatie, heeft
ook niet geresulteerd in een wijzigingsverzoek ex artikel 8:12 Wvggz. Wat deze kortdurende separatie betreft, geeft verzoeker aan te hebben meegewerkt om de rust te bewaren. Verzoeker kan zich ook niet aan de indruk onttrekken dat de wens van de zorgverantwoordelijke om verzoeker over te plaatsen al in een zeer vroeg stadium, dus voor dit incident, is genomen.
Zeker nu overplaatsing naar een forensische setting met een hoog beveiligingsniveau (celdeuren) en ander verlofregime zeer verstrekkend is, terwijl de medicamenteuze behandeling reeds was gestart en vanuit het verleden succesvol blijkt, had de beslissing tot overplaatsing niet mogen worden genomen.
3.4.
De hele gang van zaken heeft volgens verzoeker extreem veel spanning en frustratie bij hem opgeleverd en er is dus sprake van immateriële schade. Verzoeker heeft weken in
onzekerheid gezeten over de overplaatsing. Daarbij heeft de werkwijze van de zorgverantwoordelijke verzoeker gehinderd tijdig een klacht met de mogelijkheid tot het verkrijgen van een schorsing in te dienen door 1) de klachtencommissie op 20 december 2024 niet te informeren over het overplaatsingsbesluit, 2) direct na die zitting van de klachtencommissie verzoeker te vertellen dat hij wordt overgeplaatst zonder duidelijk te maken dat dit nu wel een klachtwaardig besluit is, 3) op 23 december 2024 de overplaatsing op zeer korte termijn te realiseren, en 4) op 23 december 2024 de artikel 8:16 lid 2 Wvggz beslissing niet aan verzoeker te overhandigen maar na te zenden aan [zorgaanbieder 2] .
Verzoeker is van mening dat hij schade heeft geleden door gebrekkige informatievoorziening, waarbij hem de mogelijkheid is ontnomen om tijdig te klagen en de rechtsgevolgen van de klacht te doen opschorten. Volgens de oriëntatiepunten wordt hiervoor een schade van € 20,- toegekend. Dit bedrag doet echter in het geheel geen recht aan de situatie.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoeker is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten.
Klacht 1
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift wel tijdig is ingediend. Pas toen de beslissing van de klachtencommissie op 31 december 2024 op schrift was gezet, waren de inhoudelijke gronden van de klachtencommissie bekend.
4.3.
De rechtbank gaat mee in het standpunt van verzoeker en overweegt daarbij als volgt. De Wvggz vult niet nader in wat het meedelen van de beslissing als bedoeld in artikel 10:7 lid 2 Wvggz behelst. Volgens artikel 10:5 lid 2 Wvggz neemt de klachtencommissie echter een schriftelijke en gemotiveerde beslissing. De zorgaanbieder heeft verklaard dat de mededeling telefonisch aan betrokkene is gedaan en via de mail aan de patiëntenvertrouwenspersoon en de betrokken behandelaar. Voor de rechtbank is noch uit de overgelegde stukken noch tijdens de mondelinge behandeling duidelijk geworden wat precies op 20 december 2024 aan verzoeker is medegedeeld. Met verzoeker is de rechtbank van oordeel dat verzoeker pas op 31 december 2024 kennis heeft kunnen nemen van de motivering van de klachtencommissie. Rekening houdend met de kwetsbare positie van verzoeker is de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 10:5 lid 2 Wvggz van oordeel dat verzoeker in alle redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de zes weken termijn van artikel 10:7 lid 2 Wvggz pas op 31 december 2024 is gaan lopen. Om die reden oordeelt de rechtbank dat het verzoekschrift tijdig is ingediend.
4.4.
De rechtbank is vervolgens evenwel van oordeel dat verzoeker geen procesbelang heeft bij de behandeling van klacht 1, omdat verzoeker deze klacht opnieuw heeft ingediend middels klacht 2 en de klachtencommissie klacht 2 inmiddels heeft behandeld. Dat verzoeker zijn verzoek van 11 februari 2025 in stand heeft gehouden omdat hij het belangrijk vond om de gang van zaken te laten zien, acht de rechtbank begrijpelijk. Dit maakt echter nog niet dat verzoeker hierbij een procesbelang heeft.
4.5.
Concluderend betekent dit dat de rechtbank verzoeker ten aanzien van klacht 1 niet-ontvankelijk verklaart.
Klacht 2
4.6.
Aangezien het verzoekschrift op 20 februari 2025 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoekschrift tijdig gediend. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
4.7.
Verzoeker heeft de rechtbank primair verzocht het inhoudelijk klachtonderdeel over de overplaatsing ook gegrond te verklaren en hem in dat kader een schadevergoeding toe te kennen. Verzoeker verzoekt de rechtbank niet om een beslissing te nemen over de formele eisen van de overplaatsing. De klachtencommissie heeft de klacht op formele eisen al gegrond verklaard. Wel verzoekt verzoeker in dat kader ook een schadevergoeding. Volgens Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:1042 (zie ook Hoge Raad 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:825) is de rechter bij zijn beoordeling van het verzoek in beginsel niet gebonden aan de beslissing van de klachtencommissie. Dit is anders indien partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten waarover door de klachtencommissie is beslist, geen beslissing van de rechter verlangen. In dat geval dient de rechter de beslissing van de klachtencommissie over die geschilpunten te eerbiedigen en daarmee bij zijn beslissing over daarmee samenhangende geschilpunten rekening te houden.
4.8.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel verzoeker als de zorgaanbieder te kennen gegeven dat zij ten aanzien van de beslissing van de klachtencommissie over de formele eisen van de overplaatsingsbeslissing geen beslissing van de rechtbank verlangen. De rechtbank zal de beslissing van de klachtencommissie over de formele eisen van de overplaatsingsbeslissing eerbiedigen en op dit punt alleen een beslissing nemen over het verzoek om schadevergoeding, rekening houdend met de beslissing van de klachtencommissie.
4.9.
Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van de klacht overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt niet het betoog van verzoeker dat de overplaatsingsbeslissing niet genomen had mogen worden, omdat er geen sterk verhoogd risico op herhaling van een geweldsdelict was en er dus geen forensisch gevaar was. Verzoeker werd onder politiebegeleiding – geboeid en ingesnoerd – in een ambulance bij [zorgaanbieder 1] binnengebracht. Zijn gedrag werd op dat moment door zijn behandelaren als zodanig ontregeld beoordeeld dat verblijf op de afdeling zonder insluiting volgens hen onverantwoord was. Hij is om die reden een paar dagen gesepareerd geweest.
Volgens de zorgaanbieder werden tijdens de opname duidelijke aanwijzingen vastgesteld voor ernstige denkstoornissen, waaronder incoherentie en psychotische overtuigingen die gepaard gingen met agitatie. Daarnaast ontbraken volgens de zorgaanbieder ziektebesef en enig berouw met betrekking tot eerdere gewelddadige gedragingen. Het behandelteam schatte het risico op herhaling van agressief gedrag als verhoogd in. Uit hetero-anamnestische informatie bleek volgens de zorgaanbieder dat verzoeker voorafgaand aan de opname verward gedrag vertoonde, verbaal dreigend was naar zijn moeder, overmatig cannabis en alcohol gebruikte, zich bij aanhouding fors fysiek had verzet en in de thuissituatie een huisverbod opgelegd had gekregen. Hierbij speelde volgens de zorgaanbieder ook mee dat verzoeker een justitiële voorgeschiedenis heeft. Zo heeft verzoeker volgens de zorgaanbieder in het verleden meerdere geweldsdelicten gepleegd – deels vanuit psychotische belevingen. Verzoeker heeft in Frankrijk zijn vrouw en schoonzus naar eigen zeggen licht letsel toegebracht, volgens de zorgaanbieder door met een wapen rubberen kogels op hen af te vuren. Op basis van een risicotaxatie van deze (recente) voorgeschiedenis hebben de behandelaren van verzoeker geconcludeerd dat sprake was van een forensisch risicoprofiel en dat intensieve begeleiding en beveiliging in een forensische kliniek geïndiceerd was. Om die reden is besloten om verzoeker over te plaatsen naar een [afdeling] afdeling van [zorgaanbieder 2] .
Hoewel in de kliniek geen sprake van fysiek geweld was, acht de rechtbank de overplaatsingsbeslissing proportioneel vanwege het gedrag van verzoeker bij en kort na de opname in combinatie met ernst van het psychiatrisch toestandsbeeld, zijn justitiële verleden en het feit dat volgens de zorgaanbieder bij verzoeker sprake was van het ontbreken van ziekte-inzicht. De rechtbank heeft er begrip voor dat het andere verlofregime voor verzoeker zeer verstrekkend is geweest, maar dat betekent niet dat de overplaatsing niet proportioneel of doelmatig was. De rechtbank heeft ook geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van de zorgaanbieder dat [zorgaanbieder 1] van mening was dat zij de benodigde begeleiding en beveiliging niet konden bieden. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat bij het nemen van de overplaatsingsbeslissing inhoudelijk is voldaan aan de wettelijke uitgangspunten en criteria.
Schadevergoeding
4.10.
De klachtencommissie heeft klacht 2 ten aanzien van de formele eisen gegrond verklaard, omdat de beslissing te laat op schrift is gesteld.
4.11.
Op grond van artikel 10:11 lid 2 Wvggz kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek in het verzoekschrift van 11 februari 2025 niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om die reden af;
5.2.
verklaart het inhoudelijke klachtonderdeel in het verzoekschrift van 20 februari 2025 over de overplaatsingsbeslissing ongegrond, en wijst af het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding in het kader van het inhoudelijke klachtonderdeel over de overplaatsingsbeslissing;
5.3.
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 20,- aan verzoeker;
5.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier op 22 mei 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.