Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBROT:2025:10458
Civiel recht
Kort geding
2,495 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/697842 / KG ZA 25-324
Vonnis in kort geding van 16 mei 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1] ,
eisers,
advocaat: mr. J.H. Bargeman te Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [plaats 1] ,
2. [gedaagde 2] , v.h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagden,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [eiser 1] , [eiser 2] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 8 mei 2025, met producties 1 t/m 14.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025. Tijdens de behandeling heeft de voorzieningenrechter verstek tegen gedaagden verleend.
Beoordeling
2.1.
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat de uitkomst van een gewone procedure niet kan worden afgewacht. Gelet op de ernst van de lekkage in de woning van [eiser 1] en [eiser 2] aan het [adres] in [plaats 1] (hierna: de woning), is deze spoed aanwezig.
2.2.
Top Expertise B.V. (hierna: Top Expertise) heeft in opdracht van [eiser 1] en [eiser 2] op 31 maart 2025 een rapport uitgebracht over de oorzaak van de lekkage. Hierin wordt geconstateerd dat de oorzaak van de lekkage is gelegen in: 1) de slechte staat van de gevelbekleding van de, naast de woning gelegen woning van [gedaagde 1] en 2) de door [gedaagde 2] , niet goed of niet kundig uitgevoerde werkzaamheden aan het dak van de woning. Over het wegnemen van de lekkage staat in het rapport (p. 11 en 12) vermeld:
“3. Op welke wijze kan de lekkage worden weggenomen en welke werkzaamheden zijn daaraan verbonden? (…)
Om de lekkage volledig te verhelpen, moeten de volgende herstelwerkzaamheden worden uitgevoerd [nummering aangebracht door vzr]:
[1] De nieuwe dakbedekking is door wederpartij 1 [vzr: [gedaagde 2] ] ondeugdelijk aangebracht op de bestaande dakbedekking en moet langs alle aansluitingen compleet worden verwijderd en opnieuw worden aangebracht.
Hiertoe zal het aanwezige grind terzijde geschoven moeten worden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden. Na uitvoering van de herstelwerkzaamheden dient het grind op de juiste wijze te worden teruggebracht op de dakbedekking.
[2] De huidige opstanden zijn niet goed afgewerkt en bieden geen waterdichte aansluiting, waardoor deze opnieuw moeten worden aangebracht en correct ingebrand.
[3] De dak doorvoeren zijn slechts met siliconenkit hersteld, wat geen duurzame oplossing biedt. Deze moeten volledig opnieuw worden ingebrand om lekkages te voorkomen.
[4] De huidige loodslabbe is niet correct geplaatst, waardoor deze vervangen moet worden. De nieuwe loodslabbe moet op de juiste wijze onder de nieuwe gevelbekleding worden aangebracht voor een effectieve waterkering.
[5] Om verdere vochtindringing via poreus metselwerk te voorkomen, moet de schoorsteen worden geïmpregneerd.
[6] De houten gevelconstructie van de naastgelegen woning is in slechte staat en biedt mogelijk geen adequate waterkering. De gevelbekleding moet worden vervangen om verdere vochtproblemen te voorkomen. (…)”
2.3.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde 1] onder oplegging van een dwangsom wordt veroordeeld om binnen drie weken na dit vonnis de gebreken in de gevelbekleding weg te nemen zoals vastgesteld in het rapport van Top Expertise (zie 2.2. hiervoor, punt 6). Deze vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen als gevorderd. Gelet op het feit dat [gedaagde 1] een aannemer dient te vinden die de bedoelde gebreken kan herstellen, wordt, in afwijking van het gevorderde, aan [gedaagde 1] een termijn gegund van zes weken na betekening van dit vonnis. Hoewel ook deze termijn kort is, wordt meegewogen dat [eiser 1] en [eiser 2] al geruime tijd voor het uitbrengen van de dagvaarding contact met [gedaagde 1] hebben opgenomen om hem in de gelegenheid te stellen om de gebreken te (laten) herstellen. [gedaagde 1] heeft er vervolgens voor gekozen om geen actie te ondernemen. Dat dient voor zijn rekening en risico te komen.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen dat [gedaagde 2] onder oplegging van een dwangsom wordt veroordeeld om binnen een week na dit vonnis de gebreken aan het uitgevoerde werk weg te nemen op de wijze zoals geadviseerd in het rapport van Top Expertise. In de dagvaarding en op zitting hebben [eiser 1] en [eiser 2] opgemerkt dat het gaat om de punten 1 t/m 4 onder vraag 3 van dit rapport (zie 2.2. hiervoor) en uitdrukkelijk niet om het impregneren van de schoorsteen (punt 5). De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt toegewezen als gevorderd, met dien verstande dat de termijn van een week begint te lopen na betekening van dit vonnis.
2.5.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Indien de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering als die ter zake van buitengerechtelijke kosten kan worden beslist. Indien die vordering niet of onvoldoende wordt betwist en de hoofdvordering voldoende spoedeisend is, mag in beginsel worden aangenomen dat ook toewijzing van genoemde nevenvordering uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is.
2.6.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser 1] en [eiser 2] hebben aan [gedaagde 1] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In de aanmaning is niet aangezegd dat bij niet voldoening aan de sommatie, aanspraak gemaakt zou worden op buitengerechtelijke incassokosten. Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW. Ten aanzien van [gedaagde 1] wordt de gevorderde vergoeding daarom afgewezen. Ten aanzien van [gedaagde 2] stelt de voorzieningenrechter vast dat [eiser 1] en [eiser 2] voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde vergoeding komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt daarom toegewezen.
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.
2.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] (inclusief nakosten) betalen. De kosten worden begroot op:
- dagvaarding: € 145,45
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 715,00
- nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 1.369,45
2.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de gebreken aan de gevelbekleding weg te nemen zoals omschreven in het rapport van Top Expertise van 31 maart 2025 (zie ook punt 6 zoals weergegeven in 2.2.),
3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom te betalen van € 750,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 3.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
3.3.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen een week na betekening van dit vonnis de gebreken aan het uitgevoerde werk weg te nemen op de wijze zoals door Top Expertise geadviseerd in het rapport van 31 maart 2025 (zie ook de punten 1 t/m 4 zoals weergegeven in 2.2.),
3.4.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom te betalen van € 750,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 3.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 30.000,00 is bereikt,
3.5.
veroordeelt [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een bedrag van € 925,00 aan [eiser 1] en [eiser 2] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding,
3.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.369,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
3.7.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2025.
2971/1876