Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-08-15
ECLI:NL:RBROT:2025:10426
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,435 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11697905 CV EXPL 25-11422
datum uitspraak: 15 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Vaanster VII B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: Vlaardingen,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Vaanster’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 29 april 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de mail van [gedaagde] van 21 mei 2025, met bijlagen;
de repliek.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de conclusie van repliek, maar heeft dat niet gedaan.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Vaanster eist in deze zaak betaling van € 2.999,32 met rente en incassokosten. Daarvoor heeft zij het volgende aangevoerd.
2.1.1.
Vaanster heeft op grond van een overeenkomst warmte geleverd aan [gedaagde] en de kosten daarvan bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft niet alle facturen (volledig) betaald. Vaanster wil daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om dat alsnog te doen. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, wil Vaanster ook dat hij een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betaalt.
2.2.
[gedaagde] heeft aangegeven dat hij niet weet of de eis klopt. In het verleden is wel er een betalingsregeling getroffen, maar die kon hij niet nakomen. Hij kan het bedrag nog steeds niet betalen. [gedaagde] heeft bewijzen overgelegd van betalingen die hij niet in de dagvaarding kon terugvinden.
2.3.
Bij repliek heeft Vaanster gereageerd op de betalingsbewijzen en aangegeven dat deze betalingen al op de hoofdsom in mindering zijn gebracht en daarom niet in de dagvaarding zijn opgenomen.
2.4.
Op de stellingen van de partijen zal hierna, voor zover dat van belang is voor de beoordeling, verder worden ingegaan.
2.5.
Vaanster wordt in het gelijk gesteld. Hierna wordt toegelicht waarom.
Oneerlijke bepalingen
2.6.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van Vaanster VII oneerlijke bepalingen staan, zoals bedoeld in Richtlijn 93/13 EG. De kantonrechter moet oneerlijke bepalingen vernietigen. Vaanster mag die bepaling dan niet gebruiken en ook geen beroep meer doen op aanvullend recht.
2.7.
De kantonrechter heeft onderzocht of er oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
2.8.
[gedaagde] heeft niet aangegeven dat de feiten die in de dagvaarding en repliek staan niet kloppen. Die staan daarom in deze zaak vast. Op basis daarvan wordt de geëiste hoofdsom toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten en rente betalen
2.9.
De incassokosten van € 424,93 (exclusief btw) worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
2.10.
De rente wordt eveneens toegewezen, omdat Vaanster genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Vaanster moet betalen op € 120,78 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 476,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 238,-) en € 119,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.229,78. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Vaanster dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Vaanster te betalen € 3.647,17 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.999,32 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Vaanster worden begroot op € 1.229,78;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
43416