Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBROT:2025:10400
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,045 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/697116 / FA RK 25-2537
Beschikking van 16 mei 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel
10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz en een beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:12 lid 2 Wvggz
op verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1997, [geboorteplaats] ,
hierna: verzoekster,
wonende te [plaats 1] ,
op dit moment verblijvende in [zorgaanbieder] , [locatie] , in [plaats 2] ,
advocaat mr. J.I. Echteld te Gouda.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[zorgaanbieder] (hierna: zorgaanbieder);
de zorgverantwoordelijke van verzoekster (hierna: zorgverantwoordelijke).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoekster met bijlagen, ingekomen op 2 april 2025;
de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van 4 april 2025 op het verzoek tot schorsing van de beslissing waartegen de klacht op grond van artikel 10:7 lid 1 van de Wvggz is gericht;
de volledige versie van de artikel 8:9 Wvggz beslissing van 29 januari 2025, dat op 6 april 2025 door verzoekster is nagestuurd;
het verweerschrift van de zorgaanbieder van 10 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
verzoekster met haar hiervoor genoemde advocaat;
[jurist] , jurist, en [psychiater] , psychiater, beiden verbonden aan de zorgaanbieder.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de burgemeester van de [gemeente] ten aanzien van verzoekster een crisismaatregel genomen.
Op 23 en 24 januari 2025 heeft de zorgverantwoordelijke middels artikel 8:9 Wvggz
Dictum
2.2.
Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin onder meer ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’ als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.3.
Op 29 januari 2025 is in verband met het verlenen van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel middels een nieuwe artikel 8:9 Wvggz beslissing door de zorgverantwoordelijke besloten om onder meer ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’ als vormen van verplichte zorg toe te passen.
2.4.
Bij beschikking van 24 februari 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster tot en met 24 augustus 2025 een zorgmachtiging verleend, waarin onder meer ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’ als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.5.
Op 24 februari 2025 is in verband met het verlenen van de zorgmachtiging middels een nieuwe artikel 8:9 Wvggz beslissing door de zorgverantwoordelijke besloten om onder meer ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’ als vormen van verplichte zorg toe te passen.
2.6.
Verzoekster heeft op 6 maart 2025 klachten ingediend bij de [klachtencommissie] (hierna: de klachtencommissie) tegen de artikel 8:9 Wvggz beslissingen van de zorgverantwoordelijke om verplichte zorg te gaan verlenen en heeft daarbij om schadevergoeding verzocht. Deze klachten zagen op het beperken van de bewegingsvrijheid en het aanbrengen van de beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen.
2.7.
De klachtencommissie heeft op 20 maart 2025 de beslissing op de klachten van verzoekster gegeven en deze op 25 maart 2025 vastgesteld en naar partijen verstuurd. De klachtencommissie heeft de klachten inhoudelijk ongegrond verklaard, de klacht over het motiveringsgebrek gegrond verklaard en het schadevergoedingsverzoek afgewezen.
2.8.
Op 2 april 2025 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om een beslissing over de klachten te nemen en om de beslissing waartegen de klachten zich richt, te schorsen.
2.9.
Op 4 april 2025 heeft de rechtbank het schorsingsverzoek afgewezen en de behandeling van het restant van het verzoek aangehouden tot 15 april 2025.
2.10.
Ten tijde van de mondelinge behandeling worden onder meer de volgende zorgvormen op grond van de artikel 8:9 Wvggz beslissing van 24 februari 2025 nog steeds toegepast: ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’.
3Verzoek en verweer
3.1.
Kort en zakelijk weergegeven verzoekt verzoekster de door haar ingediende klachten tegen de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg in de vorm van ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het aanbrengen in beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen’ alsnog (inhoudelijk) gegrond te verklaren en aan haar een in goede justitie te bepalen schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder toe te kennen.
3.2.
Kort weergegeven, kan verzoekster zich vinden in de gegrondverklaring door de klachtencommissie van haar klacht over het motiveringsgebrek, maar stelt zij dat dit onderdeel zo nauw met de inhoudelijke aspecten is verweven dat niet anders dan geconcludeerd kan worden tot het integraal gegrond verklaren van de klachten.
3.3.
Verzoekster raakte pas door de bij de klachtencommissie ingediende zienswijze van de zorgaanbieder van 12 maart 2025 op de hoogte van de motivering van deze beslissingen. Volgens artikel 8:9 Wvggz moet iedere vorm van verplichte zorg met terughoudendheid worden toegepast en altijd worden getoetst aan de algemene beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, veiligheid en effectiviteit van artikel 2:1 Wvggz. De zorgaanbieder moet daarom verantwoorden waarom niet met een lichtere maatregel kan worden volstaan. Deze motivering ontbreekt in de bestreden beslissingen.
3.4.
Volgens verzoekster heeft de geneesheer-directeur de artikel 8:9 Wvggz beslissingen niet aan haar en haar advocaat uitgereikt. De patiëntenvertrouwenspersoon heeft deze beslissingen desgevraagd op 1 april 2025 toegestuurd aan de advocaat.
3.5.
Verzoekster stelt dat zij immateriële schade heeft geleden bestaande uit frustratie, onzekerheid, spanning, boosheid en ongemak en verzoekt de rechtbank haar een schadevergoeding toe te kennen van € 20,- per dag vanaf 24 januari 2025 tot heden wegens het beperken van de bewegingsvrijheid en een schadevergoeding van € 20,- per dag vanaf 14 februari 2025 tot heden wegens het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen, althans een schadevergoeding naar billijkheid.
3.6.
De zorgaanbieder voert gemotiveerd verweer en verzoekt de rechtbank de klachten ongegrond te verklaren en stelt dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten. Op grond van artikel 10:11 lid 2 Wvggz kan betrokkene hierbij tevens om schadevergoeding verzoeken. Aangezien het verzoekschrift op 2 april 2025 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoekschrift tijdig gediend.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat de klachten gelet op het klaagschrift en de uitspraak van de klachtencommissie uitsluitend zien op de artikel 8:9 Wvggz beslissingen van
29 januari 2025 en 24 februari 2025.
4.3.
Alhoewel in de kop van het verzoekschrift van verzoekster staat dat alleen een schadevergoedingsverzoek als bedoeld in artikel 10:11 Wvggz is ingediend, begrijpt de rechtbank het verzoek over het niet naleven van artikel 8:9 lid 3 Wvggz zo dat het schadevergoedingsverzoek mede omvat een schadevergoedingsverzoek in het kader van het niet in acht nemen van de wet door de geneesheer-directeur. Op grond van artikel 10:12 lid 2 Wvggz kan betrokkene de rechter verzoeken tot schadevergoeding, indien de wet niet in acht is genomen door de geneesheer-directeur of de zorgverantwoordelijke. Vanwege de kwetsbaarheid van verzoekster beoordeelt de rechtbank welwillend de ontvankelijkheid van dit verzoek. De zorgaanbieder is in het verweerschrift ook ingegaan op dit onderdeel van het verzoek voor zover dit het uitreiken van de beslissingen aan verzoekster betreft. Anders dan de zorgaanbieder veronderstelt, is er geen reden om de klacht over het niet uitreiken van de bestreden beslissingen aan de advocaat niet in de beoordeling te betrekken.
4.4.
Concluderend komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Omvang van de beslissing van de rechtbank
4.5.
In het verzoekschrift staat dat verzoekster de rechtbank primair verzoekt haar klacht over de artikel 8:9 Wvggz beslissingen ook inhoudelijk gegrond te verklaren en haar in dat kader een schadevergoeding toe te kennen. Verzoekster verzoekt de rechtbank niet om een beslissing te nemen over de door de klachtencommissie gegronde verklaarde klacht over het motiveringsgebrek. Wel verzoekt verzoekster in dat kader ook een schadevergoeding.
Volgens Hoge Raad 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:1042 is de rechter bij zijn beoordeling van het verzoek in beginsel niet gebonden aan de beslissing van de klachtencommissie. Dit is anders indien partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten waarover door de klachtencommissie is beslist, geen beslissing van de rechter verlangen. In dat geval dient de rechter de beslissing van de klachtencommissie over die geschilpunten te eerbiedigen en daarmee bij zijn beslissing over daarmee samenhangende geschilpunten rekening te houden.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen desgevraagd verklaard dat zij een beslissing van de rechtbank verlangen over alle geschilpunten, dus ook over de gegrond verklaarde klacht over het motiveringsgebrek in de artikel 8:9 Wvggz beslissingen.
De rechtbank zal de klacht dan ook integraal beoordelen.
Naleven artikel 8:9 lid 3 Wvggz
4.6.
Omdat in de ‘notitie ter toelichting bij het klaagschrift d.d. 6 maart 2025’ van verzoekster staat dat de artikel 8:9 Wvggz beslissing van 29 januari 2025 aan verzoekster is uitgereikt, wat door de zorgaanbieder is bevestigd aan de hand van de rapportage van 29 januari 2025, volgt de rechtbank niet het betoog van verzoekster dat deze beslissing niet aan haar is uitgereikt.
Verder heeft de zorgaanbieder gewezen op de rapportage van 24 februari 2025 ten aanzien van de artikel 8:9 Wvggz beslissing van 24 februari 2025, waarin staat: ‘8:9 wordt aangemaakt en uitgereikt’. Desgevraagd verklaart de psychiater tijdens de mondelinge behandeling dat deze bewoording in de rapportage wordt opgenomen, wanneer een artikel 8:9 Wvggz beslissing aan een betrokkene wordt uitgereikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de psychiater te twijfelen. In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de wettelijke verplichting om de artikel 8:9 Wvggz beslissingen aan verzoekster uit te reiken, is nageleefd.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling erkent de jurist dat de artikel 8:9 Wvggz beslissingen op grond van artikel 8:9 Wvggz ook aan de advocaat verstrekt hadden moeten worden. Omdat de zorgaanbieder niet weet of dit is gebeurd, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de geneesheer-directeur hier de wet niet in acht heeft genomen.
Motivering
4.8.
Het betoog van verzoekster dat de artikel 8:9 Wvggz beslissingen ondeugdelijk zijn gemotiveerd en dat deze constatering alleen al moet leiden tot een integrale gegrondverklaring van de klachten, volgt de rechtbank niet.
Op grond van artikel 8:9 lid 2 Wvggz moet de zorgverantwoordelijke de beslissing voorzien van een schriftelijke motivering, zodat duidelijk is dat het toepassen van verplichte zorg voldoet aan de wettelijke uitgangspunten en criteria. De rechtbank is het in zoverre eens met verzoekster dat de motivering uitgebreider in de artikel 8:9 Wvggz beslissingen opgenomen had kunnen worden, wat de psychiater tijdens de mondelinge behandeling ook heeft erkend. De rechtbank is echter van oordeel dat de motivering niet dusdanig ontoereikend is dat sprake is van een motiveringsgebrek die moet leiden tot een gegrondverklaring van de klachten die zien op de toegepaste vormen van verplichte zorg.
In de artikel 8:9 Wvggz beslissingen is achter iedere vorm van verplichte zorg een korte toelichting opgenomen waarin de noodzaak gemotiveerd wordt. Zoals tijdens de mondelinge behandeling door de psychiater is toegelicht, is achter de zorgvorm ‘het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek’ als toelichting opgenomen dat de zorgaanbieder het advies van de Veiligheidsregio heeft gekregen dat de partner van verzoekster potentieel agressief gedrag kan vertonen en dat het bezoek van deze partner niet zal worden toegelaten om de veiligheid binnen de kliniek te bewaren. Weliswaar is dit advies van de Veiligheidsregio niet ook als toelichting vermeld achter de zorgvorm die ziet op de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen, maar naar het oordeel van de rechtbank moeten deze motivering in onderlinge samenhang gelezen voldoende toereikend zijn geweest voor verzoekster om te begrijpen op grond waarvan is besloten om deze vormen van verplichte zorg toe te passen en welke afwegingen daarbij zijn gemaakt.
De rechtbank zal de klacht over het motiveringsgebrek dan ook ongegrond verklaren.
Toepassen van verplichte zorg
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad onder de Wet Bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen, die naar mening van de Advocaat Generaal van de Hoge Raad van 11 november 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:1070) onder de Wvggz nog geldt, de rechter in volle omvang moet toetsen of aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid wordt voldaan bij de beslissing tot uitvoering van de crisismaatregel of zorgmachtiging. Dit moet niet alleen beoordeeld worden naar de ten tijde van de beslissing van de verplichte zorg geldende omstandigheden (een toetsing ‘ex tunc’), maar – mocht daarvan sprake zijn indien betrokkene bezwaar maakt tegen de voorzetting van de verplichte zorg – ook in het licht van de omstandigheden ten tijde van de beslissing op het verzoek (toetsing ‘ex nunc’).
De rechtbank leest deze jurisprudentie in het licht van artikel 10:7 van de Wvggz zo dat uit het verzoekschrift moet blijken of een betrokkene bezwaar maakt tegen de voortzetting van de verplichte zorg. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voldoende uit het verzoekschrift dat verzoekster bezwaar maakt tegen de voortzetting van de verplichte zorg, omdat verzoekster in haar verzoekschrift de rechtbank heeft verzocht om de beslissing tot toepassing van verplichte zorg te schorsen. In de ex tunc beoordeling betrekt de rechtbank de artikel 8:9 Wvggz-beslissing van 29 januari 2025. Op basis van de huidige verplichte zorg zal de rechtbank de artikel 8:9 Wvggz-beslissing van 24 februari 2025 in de ex nunc beoordeling betrekken.
Toetsing ex tunc
4.10.
Uit de overgelegde artikel 8:9 Wvggz-beslissing van 29 januari 2025, de zienswijze die de zorgaanbieder bij de klachtencommissie heeft ingediend, als ook de verklaring van de psychiater tijdens de mondelinge behandeling, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hierbij voldaan is aan de wettelijke uitgangspunten en criteria. Voldoende gebleken is dat verzoekster psychisch ontregeld was, dat hierdoor sprake was van ernstig nadeel en dat dit ernstig nadeel niet (in een vrijwillig kader) op een andere manier kon worden afgewend.
Uit voornoemde zienswijze van de zorgaanbieder blijkt dat de partner van verzoekster wordt verdacht van huiselijk geweld en het prostitueren van verzoekster en dat het advies van de Veiligheidsregio High Impact Crime is dat vanwege dreigende agressie vanuit de partner, verzoekster van hem gescheiden gehouden moet worden. In de artikel 8:9 Wvggz-beslissing wordt toegelicht dat het beperken van de bewegingsvrijheid noodzakelijk is, omdat een verblijf buiten de accommodatie een groot risico op ernstig nadeel voor verzoekster meebrengt. Hierbij is sprake van een risico op agressie richting haarzelf, omdat zij geen huisvesting of onderdak heeft. De psychiater licht tijdens de mondelinge behandeling toe dat het in de artikel 8:9 Wvggz beslissing beschreven risico ziet op dreigende agressie vanuit de partner van verzoekster en dat verzoekster maatschappelijk teloor kan gaan, omdat zij geen huisvesting heeft. Verzoekster had een woning in [plaats 3] , maar is deze verloren door toedoen van de partner. Zij is afhankelijk van haar partner. Om die reden bevindt verzoekster zich in een kwetsbare positie.
Daarnaast is het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen volgens de toelichting in de artikel 8:9 Wvggz beslissing noodzakelijk, omdat verzoekster continu berichten met verzoeken verstuurt naar derden. De psychiater licht tijdens de mondelinge behandeling toe dat de mobiele telefoon van verzoekster is ingenomen, zodat zij haar partner dus niet kan informeren over eventuele vrijheden. De psychiater vreest dat de partner verzoekster zal opwachten als hij weet wanneer zij naar buiten mag en haar mee zal nemen. Omdat verzoekster alsnog met haar partner weet te communiceren, krijgt zij op onverwachte momenten vrijheden. Van belang bij de beperking in het gebruik van communicatiemiddelen is daarnaast volgens de psychiater dat verzoekster in opdracht van haar partner stalkingsgedrag naar derden vertoont.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de psychiater en de overgelegde stukken. Verzoekster heeft onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank kan aannemen dat deze vormen van verplichte zorg niet noodzakelijk waren of dat er (in een vrijwillig kader) minder ingrijpende mogelijkheden waren om dit ernstig nadeel af te wenden. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank de klacht over de artikel 8:9 Wvggz-beslissing van 29 januari 2025 ongegrond.
Toetsing ex nunc
4.11.
Uit de verklaring van de psychiater tijdens de mondelinge behandeling blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende dat er nog steeds een noodzaak bestaat voor het voortzetten van de toepassing van de genoemde vormen van verplichte zorg om ernstig nadeel af te wenden. Volgens de psychiater is het eerder benoemde risico op ernstig nadeel onverminderd aanwezig. Voor de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de situatie onveranderd is. Verzoekster heeft ook onvoldoende concrete feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank kan aannemen dat deze vormen van verplichte zorg niet meer noodzakelijk zijn of dat er (in een vrijwillig kader) minder ingrijpende mogelijkheden zijn om dit ernstig nadeel af te wenden. Daarbij kan verzoekster gebruik maken van de afdelingstelefoon, waardoor zij niet verstoken is van communicatie. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat ook bij de voortzetting van de toepassing van de genoemde vormen van verplichte zorg ex nunc wordt voldaan aan de wettelijke uitgangspunten en criteria.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van een bedrag van € 40,- aan verzoekster;
5.2.
verklaart de klachten van verzoekster (voor het overige) ongegrond;
5.3.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Woudstra, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van T.M. Helleman, griffier, op 16 mei 2025.
Tegen deze beschikking staat ten aanzien op de beslissingen in het kader van het artikel 10:7 Wvggz verzoek en het artikel 10:11 lid 2 Wvggz verzoek het rechtsmiddel van cassatie open.
Ten aanzien van de beslissing in het kader van het artikel 10:12 lid 2 Wvggz verzoek staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.