Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-30
ECLI:NL:RBROT:2025:10393
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
5,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/699291 / FA RK 25-3589
Beschikking van 30 mei 2025 betreffende het beroep tegen een crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:12 van de Wvggz
op verzoek van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: verzoeker,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een brief van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bij deze rechtbank ingekomen op 10 april 2025, met de volgende bijlagen:
- een brief van de Afdeling, bij deze rechtbank ingekomen op 16 januari 2025, met de volgende bijlagen:
- een uitdraai van een ingevuld formulier dat bij het Digitaal loket van de Afdeling is ingediend door verzoeker op 9 januari 2025 om 15.18 uur;
- een uitdraai van de beschikking van deze rechtbank van 20 december 2024 betreffende een verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 Wvggz met de begeleidende brief van deze rechtbank van 27 december 2024;
- enkele volgens de Afdeling na 9 januari tot en met 18 januari 2025 aanvullend door verzoeker ingediende documenten;
- een brief van deze rechtbank aan de Afdeling van 10 maart 2025.
- het verweerschrift van de burgemeester van de [gemeente] (hierna: de burgemeester), met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 30 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de advocaat van verzoeker;
[gemachtigde] , gemachtigde namens de burgemeester.
1.3.
Verzoeker is niet verschenen. De advocaat verklaart dat hij op verschillende manieren geprobeerd heeft om contact op te nemen met verzoeker, maar dat het de advocaat desondanks niet is gelukt om contact te krijgen met verzoeker.
Feiten
2.1.
Op 17 december 2024 is door [psychiater] een medische verklaring als bedoeld in artikel 7:1 lid 3 sub a. Wvggz opgesteld over verzoeker. De burgemeester heeft op 17 december 2024 op basis van deze medische verklaring een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker op grond van artikel 7:1 lid 1 Wvggz.
2.2.
Bij mondelinge uitspraak op 20 december 2024 heeft deze rechtbank het verzoek voor een machtiging tot voortzetting van deze crisismaatregel afgewezen.
3Beroep, verzoek en verweer
3.1.
Op het formulier dat verzoeker heeft ingediend bij het Digitaal loket van de Afdeling staat: ‘the police and the [zorginstelling] violated my human rights and they have taken me away for three days against my will. 1 am entitled for compensation.’
3.2.
Namens de burgemeester is gemotiveerd verweer gevoerd. De burgemeester stelt dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden, dan wel dat het ingestelde beroep ongegrond verklaard moet worden en dat het verzoek tot toekenning van schadevergoeding en veroordeling in de proceskosten afgewezen moet worden.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank leest de bewoording die verzoeker heeft ingediend bij het Digitaal loket van de Afdeling zo dat verzoeker een beroep tegen de crisismaatregel van 17 december 2024 heeft ingediend tezamen met een verzoek tot schadevergoeding jegens de [gemeente] als bedoeld in artikel 10:12 van de Wvggz.
4.2.
Op grond van artikel 7:6 lid 1 Wvggz kan een betrokkene door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.
4.3.
Op 17 december 2024 is door de burgemeester een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker. Verzoeker heeft op 9 januari 2025, zijnde drie weken en twee dagen na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, beroep ingesteld tegen deze crisismaatregel. Het beroep is derhalve niet tijdig ingediend.
4.4.
De rechtbank verwerpt het betoog van de advocaat dat vanwege de kwetsbaarheid van verzoeker het beroep alsnog ontvankelijk verklaard moet worden.
4.4.1.
Het uitgangspunt van de beoordeling is dat de wetgever een harde beroepstermijn in de wet heeft opgenomen, zonder een mogelijkheid te oordelen dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dan moet er wel heel wat aan de hand zijn om te oordelen dat verzoeker niettemin ontvankelijk is. Het oordeel dat hij een kwetsbare persoon is, is onvoldoende, want dat geldt immers voor allen voor wie een crisismaatregel is genomen. Zou dat het criterium zijn, dan is de termijn in de wet nutteloos en ontstaat een situatie van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid, omdat onduidelijk is tot wanneer een beroep dan kan worden ingediend en het onmogelijk wordt om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Er moet dus méér aan de hand zijn dan dat verzoeker een kwetsbare persoon is.
4.4.2.
Bovendien geldt dat verzoeker is voorgelicht over de mogelijkheden van beroep. In de beschikking van de burgemeester tot het nemen van de crisismaatregel staat ‘Betrokkene kan door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.’ Op grond van artikel 7:2 lid 2 Wvggz stuurt de burgemeester onverwijld een afschrift van deze beschikking aan betrokkene. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen dat de beschikking van de burgemeester naar verzoeker is gestuurd.
4.4.3.
De advocaat betoogt dat verzoeker beoogd heeft het beroepschrift tijdig in te dienen, maar dat hem niet bekend was hoe omdat hij geen bijstand van een advocaat of patiëntenvertrouwenspersoon heeft gezocht.
4.4.3.1. Ook deze stelling onderscheidt verzoeker niet van anderen: er mag van uit worden gegaan dat iedereen die een rechtsmiddel instelt, beoogt dit tijdig te doen. Er kan enige ruimte zijn wanneer door externe factoren onvoorziene vertraging is opgetreden tussen verzending door de indiener en ontvangst door de juiste instantie. Echter, in deze zaak is het beroepschrift elektronisch ingediend, dus de tijd tussen verzending en ontvangst is verwaarloosbaar. De vertraging die is opgelopen tussen die ontvangst en de aflevering bij de juiste instantie is in deze zaak niet van belang: op het moment van verzending was verzoeker immers al te laat.
4.4.3.2. Bovendien was verzoeker niet verstoken van bijstand, althans hoefde hij dat redelijkerwijs niet te zijn. In de beschikking van de burgemeester staat namelijk ook dat verzoeker kosteloos kan worden bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon. Ook is verzoeker in de procedure voor het verzoek voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel bijgestaan door de verschenen advocaat. Verzoeker had ook met deze advocaat contact op kunnen nemen.
4.4.4.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zich niet onderscheidt van anderen over wie een crisismaatregel wordt genomen. Dat betekent dat er geen reden is om een uitzondering te maken op de wettelijke beroepstermijn.
4.5.
Concluderend verklaart de rechtbank verzoeker dan ook niet-ontvankelijk.
Beoordeling
5.1.
Omdat het door verzoeker ingediende beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding jegens de gemeente. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.
6Proceskosten
6.1.
Gelet op de aard van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
7.1.
verklaart het beroep tegen de crisismaatregel niet-ontvankelijk;
7.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. McFedries, griffier, op 30 mei 2025.
Tegen deze beschikking staat ten aanzien van de beslissingen in het kader van het artikel 7:6 Wvggz verzoek het rechtsmiddel van cassatie open.
Ten aanzien van de beslissingen in het kader van het artikel 10:12 lid 1 Wvggz verzoek, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/699291 / FA RK 25-3589
Beschikking van 30 mei 2025 betreffende het beroep tegen een crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:12 van de Wvggz
op verzoek van:
[verzoeker]
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: verzoeker,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een brief van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bij deze rechtbank ingekomen op 10 april 2025, met de volgende bijlagen:
- een brief van de Afdeling, bij deze rechtbank ingekomen op 16 januari 2025, met de volgende bijlagen:
- een uitdraai van een ingevuld formulier dat bij het Digitaal loket van de Afdeling is ingediend door verzoeker op 9 januari 2025 om 15.18 uur;
- een uitdraai van de beschikking van deze rechtbank van 20 december 2024 betreffende een verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 Wvggz met de begeleidende brief van deze rechtbank van 27 december 2024;
- enkele volgens de Afdeling na 9 januari tot en met 18 januari 2025 aanvullend door verzoeker ingediende documenten;
- een brief van deze rechtbank aan de Afdeling van 10 maart 2025.
- het verweerschrift van de burgemeester van de [gemeente] (hierna: de burgemeester), met bijlagen, ingekomen op 20 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 30 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de advocaat van verzoeker;
[gemachtigde] , gemachtigde namens de burgemeester.
1.3.
Verzoeker is niet verschenen. De advocaat verklaart dat hij op verschillende manieren geprobeerd heeft om contact op te nemen met verzoeker, maar dat het de advocaat desondanks niet is gelukt om contact te krijgen met verzoeker.
Feiten
2.1.
Op 17 december 2024 is door [psychiater] een medische verklaring als bedoeld in artikel 7:1 lid 3 sub a. Wvggz opgesteld over verzoeker. De burgemeester heeft op 17 december 2024 op basis van deze medische verklaring een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker op grond van artikel 7:1 lid 1 Wvggz.
2.2.
Bij mondelinge uitspraak op 20 december 2024 heeft deze rechtbank het verzoek voor een machtiging tot voortzetting van deze crisismaatregel afgewezen.
3Beroep, verzoek en verweer
3.1.
Op het formulier dat verzoeker heeft ingediend bij het Digitaal loket van de Afdeling staat: ‘the police and the [zorginstelling] violated my human rights and they have taken me away for three days against my will. 1 am entitled for compensation.’
3.2.
Namens de burgemeester is gemotiveerd verweer gevoerd. De burgemeester stelt dat verzoeker niet-ontvankelijk verklaard moet worden, dan wel dat het ingestelde beroep ongegrond verklaard moet worden en dat het verzoek tot toekenning van schadevergoeding en veroordeling in de proceskosten afgewezen moet worden.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank leest de bewoording die verzoeker heeft ingediend bij het Digitaal loket van de Afdeling zo dat verzoeker een beroep tegen de crisismaatregel van 17 december 2024 heeft ingediend tezamen met een verzoek tot schadevergoeding jegens de [gemeente] als bedoeld in artikel 10:12 van de Wvggz.
4.2.
Op grond van artikel 7:6 lid 1 Wvggz kan een betrokkene door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.
4.3.
Op 17 december 2024 is door de burgemeester een crisismaatregel genomen ten aanzien van verzoeker. Verzoeker heeft op 9 januari 2025, zijnde drie weken en twee dagen na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, beroep ingesteld tegen deze crisismaatregel. Het beroep is derhalve niet tijdig ingediend.
4.4.
De rechtbank verwerpt het betoog van de advocaat dat vanwege de kwetsbaarheid van verzoeker het beroep alsnog ontvankelijk verklaard moet worden.
4.4.1.
Het uitgangspunt van de beoordeling is dat de wetgever een harde beroepstermijn in de wet heeft opgenomen, zonder een mogelijkheid te oordelen dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dan moet er wel heel wat aan de hand zijn om te oordelen dat verzoeker niettemin ontvankelijk is. Het oordeel dat hij een kwetsbare persoon is, is onvoldoende, want dat geldt immers voor allen voor wie een crisismaatregel is genomen. Zou dat het criterium zijn, dan is de termijn in de wet nutteloos en ontstaat een situatie van rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid, omdat onduidelijk is tot wanneer een beroep dan kan worden ingediend en het onmogelijk wordt om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Er moet dus méér aan de hand zijn dan dat verzoeker een kwetsbare persoon is.
4.4.2.
Bovendien geldt dat verzoeker is voorgelicht over de mogelijkheden van beroep. In de beschikking van de burgemeester tot het nemen van de crisismaatregel staat ‘Betrokkene kan door middel van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek binnen drie weken na de dag waarop de burgemeester de crisismaatregel heeft genomen, bij de rechter beroep instellen tegen de crisismaatregel.’ Op grond van artikel 7:2 lid 2 Wvggz stuurt de burgemeester onverwijld een afschrift van deze beschikking aan betrokkene. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen dat de beschikking van de burgemeester naar verzoeker is gestuurd.
4.4.3.
De advocaat betoogt dat verzoeker beoogd heeft het beroepschrift tijdig in te dienen, maar dat hem niet bekend was hoe omdat hij geen bijstand van een advocaat of patiëntenvertrouwenspersoon heeft gezocht.
4.4.3.1. Ook deze stelling onderscheidt verzoeker niet van anderen: er mag van uit worden gegaan dat iedereen die een rechtsmiddel instelt, beoogt dit tijdig te doen. Er kan enige ruimte zijn wanneer door externe factoren onvoorziene vertraging is opgetreden tussen verzending door de indiener en ontvangst door de juiste instantie. Echter, in deze zaak is het beroepschrift elektronisch ingediend, dus de tijd tussen verzending en ontvangst is verwaarloosbaar. De vertraging die is opgelopen tussen die ontvangst en de aflevering bij de juiste instantie is in deze zaak niet van belang: op het moment van verzending was verzoeker immers al te laat.
4.4.3.2. Bovendien was verzoeker niet verstoken van bijstand, althans hoefde hij dat redelijkerwijs niet te zijn. In de beschikking van de burgemeester staat namelijk ook dat verzoeker kosteloos kan worden bijgestaan door een patiëntenvertrouwenspersoon. Ook is verzoeker in de procedure voor het verzoek voor de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel bijgestaan door de verschenen advocaat. Verzoeker had ook met deze advocaat contact op kunnen nemen.
4.4.4.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat verzoeker zich niet onderscheidt van anderen over wie een crisismaatregel wordt genomen. Dat betekent dat er geen reden is om een uitzondering te maken op de wettelijke beroepstermijn.
4.5.
Concluderend verklaart de rechtbank verzoeker dan ook niet-ontvankelijk.
Beoordeling
5.1.
Omdat het door verzoeker ingediende beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor toekenning van de verzochte schadevergoeding jegens de gemeente. De rechtbank wijst het verzoek om een schadevergoeding dan ook af.
6Proceskosten
6.1.
Gelet op de aard van de procedure ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
7.1.
verklaart het beroep tegen de crisismaatregel niet-ontvankelijk;
7.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. drs. J. van den Bos, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. McFedries, griffier, op 30 mei 2025.
Tegen deze beschikking staat ten aanzien van de beslissingen in het kader van het artikel 7:6 Wvggz verzoek het rechtsmiddel van cassatie open.
Ten aanzien van de beslissingen in het kader van het artikel 10:12 lid 1 Wvggz verzoek, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.