Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-06
ECLI:NL:RBROT:2025:10289
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,058 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/177841-24
Parketnummer vordering TUL VV: 10/270976-23
Datum uitspraak: 6 maart 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. W.J. van Bel, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 20 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;
bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 230 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR) en met als aanvullende voorwaarde dat de verdachte zal meewerken aan plaatsing en behandeling bij Mutatiozorg;
met opdracht aan JBRR tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Vrijspraak zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde Op grond van de camerabeelden en de stills kan niet worden vastgesteld dat de verdachte ter plaatse is geweest. De uiterlijke kenmerken van de persoon op de stills zijn te algemeen en passen bij veel jongens met dezelfde afkomst als de verdachte. De processen-verbaal van herkenning van de twee verbalisanten zijn eveneens niet overtuigend. Het lijkt erop dat de verbalisanten tot herkenning van de verdachte concluderen op basis van een proces van eliminatie en niet op basis van het specifieke signalement van de verdachte. Hierdoor kan niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van het ten laste gelegde. Als de rechtbank de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict vaststelt, dan verzoekt de verdediging om de verdachte partieel vrij te spreken van het richten met een vuurwapen en het schieten. Er kan op geen enkele wijze worden vastgesteld dat sprake is geweest van het aanwezig hebben van een vuurwapen.
4.2.2.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om vast te stellen dat de verdachte op 19 mei 2024 aanwezig was op de plaats delict. Het dossier bevat camerabeelden van verschillende locaties. Op basis van de camerabeelden van de moskee herkennen twee verbalisanten de verdachte. Deze verbalisanten komen op basis van persoonsonderscheidende kenmerken, namelijk de huidskleur, het postuur, het opvallende vlassnorretje en het loopje van de persoon tot een volledige herkenning van de verdachte. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de herkenning van de verdachte door deze twee verbalisanten te twijfelen. De rechtbank is van oordeel dat deze twee bewijsmiddelen in samenhang bezien en beschouwd elkaar onderling ondersteunen.
Voor een bewezenverklaring van het openlijk in vereniging plegen van geweld moet voorts vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd. De rechtbank overweegt dat uit feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II zijn uitgewerkt, blijkt dat sprake is geweest van een voldoende bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte gericht op de openlijke geweldpleging. De verdachte heeft deel uitgemaakt van een groep jongeren die met elkaar in gevecht zijn geraakt, waarbij [slachtoffer] geduwd en geslagen is. Op camerabeelden is te zien dat de verdachte in beeld komt en op enig moment met een gestrekte arm een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn linkerhand vasthoudt. Daarna rennen de verdachte en medeverdachten weg. Deze bijdrage van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk en van zodanig gewicht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van openlijk geweld.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
Feit 1 subsidiair:
Hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard openlijk, te weten, op/aan de Lenteakker, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), door meermalen, althans eenmaal - die [slachtoffer] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) te duwen en/of te slaan tegen het lichaam, althans in de richting van het lichaam en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op en/of met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te schieten op, althans in de richting van die [slachtoffer] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en);
Feit 2:
Hij op of omstreeks 28 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22LR
en/of
munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 5, althans 1 of meer kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Feit 1 subsidiair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De toen zeventienjarige verdachte heeft op 19 mei 2024 openlijk geweld gepleegd door samen met anderen het [slachtoffer] te duwen, slaan en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het slachtoffer te richten. Met hun handelen is voor het slachtoffer een bijzonder dreigende situatie gecreëerd op een voor het publiek toegankelijke plaats en is tevens inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Bovendien leveren dit soort feiten, veelal gepleegd op klaarlichte dag in een druk winkel- en openbaars vervoersgebied, gevoelens van onveiligheid op in de maatschappij. De verdachte heeft dit met zijn handelen veroorzaakt.
Daarnaast is er bij een doorzoeking in de woning van de verdachte een omgebouwde revolver in zijn jaszak aangetroffen. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd vuurwapen. Er dient streng te worden opgetreden tegen het bezit van (vuur)wapens. Steeds vaker wordt gezien dat jongeren gewapend over straat gaan en in voorkomende gevallen hun wapens ook gebruiken met alle gevolgen van dien.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
13 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen personen. Dit betekent dat de documentatie in strafverzwarende zin meeweegt.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 13 februari 2025 dat er zorgen bestaan over zijn beïnvloedbaarheid en omgang met leeftijdsgenoten. De verdachte is onderdeel van een van de rivaliserende groepen in Spijkenisse en Hoogvliet en komt hierdoor in risicovolle situaties terecht. Het is opvallend dat de verdachte na het overlijden van zijn vader ander gedrag is gaan vertonen, waardoor het vermoeden is dat hij moeite heeft met het verwerken van dit verlies. Het recidiverisico wordt ingeschat als midden. Om de kans op recidive te verkleinen is het van belang dat de verdachte vaardigheden gaat aanleren hoe hij met antisociale jongeren moet omgaan. Ook is het belangrijk dat de verdachte onderwijs gaat volgen en passende vrijetijdsbesteding vindt en behoudt.
De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zijn medewerking verleent aan de begeleiding door de jeugdreclassering, zich zal inspannen voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding in de vorm van school en/of stage, zich houdt aan een contactverbod met de aangever en medeverdachte, meewerkt aan het lopende traject van Multidimensionele familietherapie (hierna te noemen: MDFT) en meewerkt aan hulpverleningstrajecten die door de jeugdreclassering nodig worden geacht.
JBRR schrijft in het rapport over de verdachte van 4 februari 2025 dat er risicofactoren worden gezien binnen de domeinen gezin, relaties, vrijetijdsbesteding, school en houding en attitude. In december 2024 heeft de politie laten weten dat er sprake is van een lange reeks van openlijke geweldplegingen, mishandelingen en steekpartijen (of pogingen daartoe) tussen de rivaliserende groepen. Deze vete lijkt ervoor te zorgen dat de verdachte veelvuldig in risicovolle situaties terecht komt. In juli 2023 is de vader van de verdachte overleden. Te zien is dat de verdachte hier last van heeft en mogelijk uiten de emoties die hij door dit verlies ervaart in externaliserend gedrag. Het recidiverisico wordt ingeschat op midden. Van belang is dat de verdachte de inzet van Individuele trajectbegeleiding Harde Kern Aanpak (hierna te noemen: ITB-HKA) afrondt. Om de kans op recidive te verkleinen is het belangrijk dat de verdachte leert om te gaan met vrijheden en om de juiste keuzes te maken.
JBRR adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden dat hij zijn medewerking zal verlenen aan hulpverleningstrajecten die de jeugdreclassering nodig acht, zal meewerken aan begeleiding door de jeugdreclassering, zich zal inspannen voor het verkrijgen en behouden van dagbesteding, zal meewerken aan de behandeling MDFT en zich zal houden aan een contactverbod met de medeverdachte.
Op de zitting heeft de deskundige [naam], werkzaam als jeugdreclasseerder bij JBRR het advies toegelicht en verklaard dat de verdachte zich op zijn manier goed heeft ingezet voor het ITB-HKA traject. Gedurende het hele traject is gebleken dat het de verdachte niet lukte om zijn enkelband tijdig op te laden. De schoolgang van de verdachte is niet goed verlopen. Er is een aanmelding van de verdachte gedaan voor een ingangstraject bij een school en naar verwachting kan hij daar per augustus 2025 starten. De verdachte wil starten met een mbo niveau 1 opleiding, zodat hij kan doorgroeien. Ook wil hij graag starten met dagbesteding, maar de financiering daarvoor kan niet worden geregeld. Er zal worden gezocht naar een bijbaan. JBRR ziet graag dat als bijzondere voorwaarde in de vorm van de avondklok opnieuw wordt opgelegd. De politie ziet risico’s als de verdachte in Spijkenisse verblijft of zich daar alleen in het openbaar vervoer begeeft. Met een avondklok kan worden bezien hoe het verblijf van de verdachte in de omgeving Spijkenisse verloopt.
7.4.
Conclusie
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De verdachte loopt vanaf december 2024 in een schorsing en sindsdien lijkt sprake van een prille positieve ontwikkeling. Dit heeft er onder andere mee te maken dat de verdachte, mede op zijn eigen verzoek, niet langer verblijft in de omgeving Spijkenisse. Hierdoor komt hij niet meer in contact met antisociale jongeren en niet meer in risicovolle situaties terecht. De verdachte lijkt gemotiveerd om zijn leven te beteren. De rechtbank vindt het wel zorgwekkend dat bij de bewezen verklaarde strafbare feiten sprake is geweest van een vuurwapen of een vuurwapen gelijkend voorwerp. Om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en om de kans op recidive te verkleinen, is het belangrijk dat de verdachte orde op zaken gaat stellen en om hem strakke kaders en structuur te bieden. De rechtbank zal gelet daarop en gezien de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, ziet de rechtbank gelet op het lage recidiverisico geen aanleiding voor de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 80 (tachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zolang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zich zal inspannen voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk;
- zijn medewerking zal verlenen aan de plaatsing en behandeling bij Mutatiozorg of een soortgelijke instelling;
- zijn medewerking zal verlenen aan de behandeling van MDFT door Timon of een soortgelijke instelling;
- zich houden zal houden aan een avondklok voor de maximale duur van zes maanden of zoveel korter als de jeugdreclassering noodzakelijk acht. Deze avondklok houdt in dat de veroordeelde dagelijks om 20:00 uur thuis, te weten op het adres: [adres], zal zijn en thuis zal blijven tot de volgende ochtend 07:00 uur. Deze tijdstippen van de avondklok kunnen worden gewijzigd door de jeugdreclassering, in die zin dat de veroordeelde in dat geval ’s avonds later thuis mag komen en ’s ochtends eerder van huis mag;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 en met de medeverdachten: [medeverdachte 1] , geboren op geboren op [geboortedatum 3] 2006 en [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2007;
Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde
bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder
begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. K.T.F. Chocolaad-de Bos en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
Hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] en/of één of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen heeft geschoten op of in de richting van die [slachtoffer] en die tot op heden onbekend gebleven
perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard openlijk, te weten, op/aan de Lenteakker, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] en/of een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en), door meermalen, althans eenmaal - die [slachtoffer] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) te duwen en/of te slaan tegen het lichaam, althans in de richting van het lichaam en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te richten op en/of met dat vuurwapen, althans met dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp te schieten op, althans in de richting van die [slachtoffer] en/of die tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en);
2
Hij op of omstreeks 28 mei 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22LR
en/of
munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten 5, althans 1 of meer kogelpatro(o)n(en), voorhanden heeft gehad.