Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-26
ECLI:NL:RBROT:2025:10190
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,245 tokens
Inleiding
RECHTBANK [plaats]
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/685719 / JE RK 24-1981 en C/10/692270 / JE RK 25 – 43
Datum uitspraak: 26 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en geschillenregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam , hierna te noemen de GI,
en
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. F. el Makthari, kantoorhoudende te Rotterdam ,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt de moeder als belanghebbende aan in het verzoek van de GI en merkt de GI aan als belanghebbende in het verzoek van de moeder.
De kinderrechter merkt als belanghebbende in beide verzoeken aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van 14 april 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken (met zaaknummers C/10/685719 / JE RK 24-1981 en C/10/692270 / JE RK 25-43);
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 20 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 25 oktober 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 30 mei 2025. Het resterende gedeelte van de verzoeken is daarbij aanhouden tot de zitting van 26 mei 2025.
3De aangehouden verzoeken
Ten aanzien van zaaknummer C/10/685719 / JE RK 24-1981
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te verlengen voor de duur van één jaar, te weten tot 25 oktober 2025, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist op het aangehouden deel van het verzoek, te weten voor een periode van 4 maanden en 25 dagen.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/692270 / JE RK 25-43
3.2.
De moeder heeft verzocht te bepalen dat een andere jeugdbeschermer wordt
toegekend aan verzoekster. Dit verzoek is reeds afgewezen. De moeder verzoekt verder te bepalen dat een redelijke omgangsregeling wordt nagekomen; eenmaal in de week een dagdeel en eenmaal per twee weken een weekend. Op dit resterende gedeelte moet nog worden beslist.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Recent is een nieuwe jeugdbeschermer bij het gezin betrokken. Inmiddels heeft een kennismaking met beide ouders plaatsgevonden en zijn er begeleide omgangsmomenten met de moeder gepland. Op 23 mei heeft er begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] plaatsgevonden, waarbij positieve interactie tussen hen is waargenomen. De moeder sloot goed aan bij de kinderen. Ook is gezien dat de ouders met elkaar willen samenwerken.
Echter heeft de omgang een tijd stilgestaan en spelen er momenteel nog zorgen over de kinderen bij de GI, bijvoorbeeld over broekplassen. De jeugdbeschermer is te pril betrokken om uitsluitsel te kunnen geven en er dient meer onderzoek te worden gedaan naar wat passend is voor de kinderen en de ouders.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De omgang tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is onterecht stopgezet. Onduidelijk blijft naar welke signalen wordt verwezen in de onderbouwing van de stopzetting van de omgang. Het verzoek steunt op een gezinsplan dat dateert van ruim een jaar geleden. Verder zijn in de omgangsverslagen die beschikbaar zijn enkel positieve contacten terug te lezen, namelijk dat de moeder de kinderen troost, goed ingrijpt en goed inspeelt op hun behoeften. De grootste belemmering voor hervatting van de omgang ligt in organisatorische omstandigheden. De klachtencommissie oordeelt dat deze omstandigheden de omgang niet mogen schaden. Door wisselingen in jeugdbeschermers en gebrekkige communicatie van de GI heeft de moeder echter lange tijd geen contact gehad met haar kinderen. Ondanks dat de moeder positief is over de nieuwe jeugdbeschermer, verwijt zij de GI de gestagneerde omgang met de kinderen. Ten aanzien van het verzoek van de GI wordt verzocht de machtiging uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen, te weten voor drie maanden, omdat de GI pas in beweging komt op het moment dat er een zitting nadert. Het is daarom van belang dat er op korte termijn een toetsmoment plaatsvindt, zodat de druk op de ketel blijft. Ten aanzien van het zowel door de GI als de moeder overig verzochte stemt de moeder desgevraagd in met een kort uitstel van de mondelinge behandeling, zodat de ontbrekende informatie alsnog kan worden aangeleverd en de situatie goed kan worden beoordeeld.
4.3.
Door de vader is het volgende naar voren gebracht. Door en namens de moeder wordt de situatie verdraaid. De moeder heeft de huidige situatie aan zichzelf te danken. Zo zijn de vele wisselingen van de jeugdbeschermers voornamelijk te danken aan de moeder, omdat de moeder de eerdere jeugdbeschermer niet goed genoeg vond. Verder is het niet zo dat er geen omgang is tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : zij ziet hen in principe iedere donderdag- en vrijdagochtend. Recent heeft zij zelf een omgangsafspraak op dezelfde ochtend per e-mail afgezegd omdat zij moest werken. De kinderen zijn dan teleurgesteld. Ondanks dat de omgang moeizaam verloopt, blijft de vader de kinderen aansporen tot contact met de moeder. De zorgtaak voor de kinderen valt de vader soms zwaar, bijvoorbeeld doordat het naar school brengen hem erg veel tijd kost naast zijn werk. Hij zou graag zien dat hij de kinderen naar een andere school kan brengen, waar zij zelf ook liever naartoe gaan. De vader stemt desgevraagd in met een verkorte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en kort uitstel van de behandeling van het verzoek van de moeder.
Beoordeling
5.1.
Al bij de mondelinge behandeling van 14 april 2025 is gebleken dat de omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen is stopgezet, terwijl een concrete toelichting op de onderbouwing van de stopzetting door de GI ontbrak. De omgangsverslagen die inmiddels aan het dossier zijn toegevoegd en het gezinsplan waarop het verzoekschrift zijn gebaseerd geven echter geen accuraat beeld, waardoor de huidige situatie nog altijd niet goed kan worden beoordeeld. Recent is een nieuwe jeugdbeschermer gestart, die, naar het zich laat aanzien, voortvarend van start is gegaan. De GI stemt in met de wens van de moeder om de machtiging uithuisplaatsing voor 3 maanden te verlenen, onder aanhouding van het overig verzochte.
5.2.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Gelet op het voorgaande, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verlengen voor de duur van drie maanden, te weten tot 31 augustus 2025. Het resterende deel van zowel het verzoek van de GI als dat van de moeder zal worden aangehouden tot de hierna vermelde zittingsdatum.
5.3.
De kinderrechter wenst voorafgaand aan de mondelinge behandeling duidelijk
inzicht te krijgen in alle relevante informatie van de GI, waaronder in elk geval:
de actuele stand van zaken;
een actueel gezinsplan;
de actuele omgangsverslagen.
5.4.
De GI wordt verzocht uiterlijk één week voor de hierna vermelde zittingsdatum de verzochte informatie genoemd onder punt 5.3. te overleggen (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. F. el Makthari).
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouder met gezag voor de duur van drie maanden, te weten de vader, tot 31 augustus 2025;
en alvorens verder te beslissen:
ten aanzien van zaaknummers C/10/685719 / JE RK 24-1981 en C/10/692270 / JE RK 25-43
6.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Rotterdam , locatie Rotterdam , in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam , op 22 augustus 2025 te 16:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.3.
de zaken zullen op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.L. Pöll, kinderrechter;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de
vader, de moeder en mr. F. el Makthari;
6.5.
verzoekt de GI om uiterlijk één week voor de genoemde zittingsdatum de
verzochte informatie benoemd onder punt 5.3. (met afschrift aan de vader, de moeder en mr.
F. el Makthari) te doen toekomen;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2025 door mr. A.J. van Dijk, kinderrechter, in aanwezigheid van L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.