Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:10138
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,782 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2583
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: [naam]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. H. van Haaften).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van het UWV om aan eiseres geen uitkering uit te betalen op grond van de Werkloosheidswet (WW).
1.1.
Het UWV heeft op de aanvraag van eiseres met het besluit van 25 september 2023 (het primaire besluit) beslist dat eiseres recht heeft op een werkloosheidsuitkering per 5 september 2023 maar dat deze niet wordt uitbetaald. Met het bestreden besluit van 30 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij deze beslissing gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres is vanaf 1 augustus 2022 tot en met 31 augustus 2023 werkzaam geweest voor 32 uur per week als docent wiskunde (zonder lesbevoegdheid) op het voortgezet onderwijs op [naam school] in Dordrecht ([naam school]). In deze periode had zij een dienstverband bij [bedrijf] ([bedrijf]). [naam school] zou dit dienstverband van [bedrijf] overnemen. Tussen eiseres en [naam school] is afgesproken dat eiseres vanaf het schooljaar 2023-2024 (dat startte op maandag 4 september 2023) een zij-instroomtraject zou volgen, waarbij eiseres werkzaam zou zijn als docent wiskunde en daarnaast een opleiding zou volgen om een lesbevoegdheid te verkrijgen. Het laatste aanbod van [naam school] aan eiseres, gedateerd 30 augustus 2023, hield in dat eiseres een aanstelling zou krijgen van 0,6 FTE tegen een loon in trede 4 van de functie LB van de toepasselijke cao voortgezet onderwijs. [naam school] zou de kosten van het zij-instroomtraject voldoen.
2.1.
Eiseres heeft het aanbod van 30 augustus 2023 niet aanvaard. Haar (tijdelijke) arbeidscontract liep af op 31 augustus 2023, zodat eiseres vanaf 1 september 2023 geen werk had. Op 7 september 2023 heeft zij een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW vanaf 5 september 2023.
2.2.
Met het primaire besluit heeft het UWV beslist dat eiseres recht heeft op een WW-uitkering per 5 september 2023 maar dat deze niet wordt uitbetaald.
2.3.
Na een beoordeling van de bezwaren van eiseres tegen dit besluit heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van het UWV toegelicht dat het UWV aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat eiseres een passend aanbod niet heeft geaccepteerd, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, en sub b, ten tweede, van de WW, terwijl eiseres geen redenen, of acute noodzaak, had om het aanbod niet te aanvaarden. De sanctie daarop is dat de uitkering niet wordt uitbetaald. Subsidiair stelt het UWV dat sprake is van het niet behouden van passende arbeid, als bedoeld in artikel 24, eerste lid, en sub b, ten derde, van de WW.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres geen WW-uitkering krijgt uitbetaald per 5 september 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat beoordeelt de rechtbank?
4. Uit rechtspraak van de CRvB vloeit voort dat de rechter het verwijt dat het UWV maakt moet kwalificeren gelet op artikel 24 van de WW. Gelet op de feiten en omstandigheden van deze zaak, oordeelt de rechtbank dat het inderdaad gaat om de vraag of sprake is van het niet aanvaarden van een passend aanbod. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om het (niet) aanvaarden van een arbeidscontract na afloop van een tijdelijk arbeidscontract. Daarbij is de functie, hoewel het in beide gevallen gaat om een functie als leerkracht, in een relevante mate een nieuwe functie omdat eiseres eerst via een detacheringscontract (bij [bedrijf]) onbevoegd lesgaf en zij overgaat naar een zij-instroomcontract met een nieuwe werkgever ([naam school]). In dat zij-instroomtraject is sprake van een vorm van een leer-werktraject (combinatie van zelf naar school gaan en werken onder begeleiding).
Is sprake van aanbod voor passende arbeid?
5. Tussen partijen is in geschil of eiseres heeft nagelaten een aanbod voor passende arbeid per 1 september 2023 te aanvaarden.
Wat vindt eiseres?
5.1.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het aanbod van [naam school] geen passende arbeid betreft. Gelet op de studielast tijdens het zij-instroomtraject is het aanbod zowel wat betreft het salaris als wat betreft de invulling van het aantal FTE niet passend. Bovendien had [naam school] haar veel eerder een aanbod moeten doen zodat zij een reële mogelijkheid had gehad om een beslissing te nemen hierover. Nadat haar zij-instroomtraject op 30 juni 2023 geregeld was, heeft zij diverse pogingen gedaan om met [naam school] het gesprek aan te gaan over haar arbeidsvoorwaarden en salaris. [naam school] heeft haar echter pas eind augustus 2023 een aanbod gedaan. Hierdoor is haar beslissingsrecht ontnomen en is het niet accepteren van het aanbod niet verwijtbaar. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres op rechtspraak van de Centrale Raad van beroep (CRvB).
5.2.
De beroepsgrond slaagt.
Wanneer is sprake van een passend werkaanbod?
6. Om van het niet aanvaarden van passende arbeid te kunnen spreken moet worden vastgesteld dat aan de werknemer een (concreet) aanbod is gedaan en, als van een aanbod sprake is geweest, dat de aangeboden arbeid voor hem passend was. Een werkaanbod is in beginsel concreet als de werkgever met de sollicitant ten minste de aard van de werkzaamheden heeft besproken, zich de opvatting heeft gevormd dat de sollicitant voor de uitoefening van deze werkzaamheden geschikt is en kenbaar heeft gemaakt dat hij de sollicitant in dienst zou kunnen en willen nemen. Van het nalaten passende arbeid te aanvaarden kan slechts sprake zijn indien een betrokkene een aanbod tot passende arbeid expliciet heeft afgewezen of het een betrokkene redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij het aanbod binnen een daartoe gestelde redelijke termijn had moeten aanvaarden en hij dit niet heeft gedaan.
6.1.
Verder is relevant dat de CRvB heeft geoordeeld dat uit de tekst van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de WW volgt dat van het niet-nakomen van de daar genoemde verplichtingen geen sprake is indien de werknemer niet kan worden verweten wat hij heeft gedaan of nagelaten. De verwijtbaarheid is dan ook een voorwaarde om aan te nemen dat het betreffende voorschrift niet is nagekomen. Dit volgt ook expliciet uit de wetgevingsgeschiedenis van artikel 27, tweede lid, WW.
Wat oordeelt de rechtbank over het aanbod van [naam school] aan eiseres?
7. De rechtbank oordeelt dat het aanbod van 30 augustus 2023 (het aanbod) een aanbod voor passende arbeid betreft. Zoals het UWV ter zitting heeft toegelicht voldoet de door [naam school] aangeboden arbeid aan de criteria van artikel 4, eerste lid, van het Besluit passende arbeid WW en ZW:
eiseres gaf les en het aanbod ziet op het geven van les (lid 1, onder a);
het loon dat is aangeboden (trede 4) bedraagt meer dan 70% van haar dienstbetrekking tot 31 augustus 2024 (lid 1, onder b), en
de reistijd valt binnen de twee uur (lid 1, onder c).
7.1.
Anders dan het UWV, is de rechtbank van oordeel dat het eiseres niet kan worden verweten dat zij dat aanbod niet heeft aanvaard. Hiervoor is de gang van zaken rondom het aanbod relevant. Uit het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft vanaf 30 juni 2023 een aantal maal bij [naam school] aangekaart dat het zij-instroomtraject formeel rond is, maar haar aanstellingsvoorwaarden bij [naam school] per 1 september 2023 nog niet. Zij vraagt aan [naam school] om haar een passend aanbod te doen. Zij wijst er daarbij op dat zij anderhalf jaar heeft gewerkt bij [naam school] zodat [naam school] op basis van die ervaring een passend aanbod kan doen en verzoekt [naam school] daarbij rekening te houden met overige omstandigheden zoals haar relevante opleiding. Daarnaast is eiseres, zoals zij ter zitting onweersproken heeft gesteld, vanaf 1 augustus 2023 in trede 3 ingeschaald. Op 25 augustus 2023 ontving eiseres van [naam school] een aanbod voor een arbeidscontract per 1 augustus 2023. In dat aanbod hield [naam school] geen rekening met de inschaling van eiseres per 1 augustus 2023 in trede 3. Na een gemotiveerde afwijzing van dat aanbod, heeft [naam school] het aanbod van 30 augustus 2023 (hierna: het aanbod) gedaan. Dat was daags voor het aflopen van het arbeidscontract van eiseres op 1 september 2023.
7.2.
In aanmerking genomen de inspanningen van eiseres vanaf 30 juni 2023 om duidelijkheid te krijgen over haar aanstelling bij [naam school] per 1 september 2023, haar voor [naam school] bekende positie als zij-instromer, en de tijdsspanne die haar praktisch gezien dwong om in twee dagen tijd de keuze te maken om het aanbod te accepteren of af te wijzen, kan eiseres niet worden verweten het aanbod niet te hebben geaccepteerd.
7.3.
Dat zij zich had moeten oriënteren op ander werk gedurende de zomer van 2023 waarin zij nog geen duidelijkheid had over het aanbod van [naam school], zoals het UWV ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten of dit verwijt ter motivering van het bestreden besluit kan worden gehanteerd, omdat het bestreden besluit is gebaseerd op het niet aanvaarden van passende arbeid en niet op het verwijtbaar werkloos worden, overweegt de rechtbank hierover het volgende. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd aangegeven dat zij gezien de contacten met [naam school] gedurende de zomer de indruk had dat ze met [naam school] er wel uit zou komen wat betreft haar aanstelling. Zij was ook aan het eind van de zomer al ingeroosterd voor het nieuwe schooljaar om les te geven, voor 0,8 FTE. Daarbij heeft eiseres onweersproken gesteld dat een andere wiskundeleraar niet in beeld was bij [naam school]. Eiseres zag daarom geen aanleiding om zich voor te bereiden op de situatie dat zij er met [naam school] niet uit zou komen voor de periode vanaf 1 september 2024.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het UWV ten onrechte heeft bepaald dat eiseres de WW-uitkering niet krijgt uitbetaald. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de WW-uitkering niet wordt uitbetaald, zal het primaire besluit in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
8.1.
Nu het beroep gegrond is, moet het UWV aan eiseres het griffierecht terugbetalen.
8.2.
Het verzoek om proceskostenvergoeding in de zin van artikel 7:15 van de Awb (in bezwaar) en artikel 8:75 van de Awb (in beroep) wordt afgewezen. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiseres de echtgenoot is van eiseres en zij een gezamenlijk huishouden voeren. Slechts beroepsmatig verleende rechtsbijstand komt voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste rechtspraak is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht. Niet is gebleken dat eiseres voor de verleende rechtsbijstand door de gemachtigde heeft moeten betalen. Er is daarom geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand die voor vergoeding in aanmerking komt.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is bepaald dat de WW-uitkering van eiseres per 5 september 2023 niet wordt uitbetaald en
verklaart het bezwaar in zoverre gegrond en herroept het primaire besluit in zoverre;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit van 30 januari 2024;
bepaalt dat het UWV aan eiseres het griffierecht ter hoogte van € 51,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
De griffier is niet in staat
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Werkloosheidswet (WW)
Artikel 16 van de WW bepaalt wanneer een werknemer werkloos is: werkloos wordt de werknemer die:
a. in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek; en
beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de WW bepaalt dat de werknemer gehouden is te voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
Artikel 27, tweede lid, van de WW bepaalt dat het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering brengt indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, niet is nagekomen.
Ingevolge het achtste lid van artikel 27 van de WW kan het UWV afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge het elfde lid van artikel 27 van de WW wordt het in mindering te brengen bedrag als volgt berekend:
A x B x (C / D). Hierbij staat:
A voor 0,75 in de eerste twee maanden waarop recht op uitkering bestaat en daarna voor 0,7;
B voor het aantal uren in een kalendermaand dat de werknemer gewerkt zou hebben indien hij de arbeid, bedoeld in het eerste of tweede lid, zou hebben aanvaard, verkregen of behouden;
C voor het dagloon; en
D voor het gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek, bedoeld in artikel 16, tweede en zesde lid, gedeeld door 5.
Besluit passende arbeid WW en ZW
In artikel 3, tweede lid, van het Besluit passende arbeid WW en ZW is bepaald dat arbeid die aansluit bij het niveau van de arbeid waaruit de werknemer werkloos of ziek is geworden, arbeid is waarvoor hetzelfde opleidingsniveau is vereist als het opleidingsniveau van de arbeid waaruit de werknemer werkloos of ziek is geworden.
In artikel 4, eerste lid, van het Besluit passende arbeid WW en ZW is bepaald dat in de periode voordat zes maanden waarin een recht op uitkering op grond van de WW bestaat, zijn verstreken, arbeid passend is wanneer:
a. de arbeid aansluit bij het niveau van de arbeid waaruit de werknemer werkloos of ziek is geworden, bedoeld in artikel 3;
met de arbeid een bedrag verdiend wordt ten minste ter hoogte van 70% van het inkomen, genoten in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos of ziek is geworden; en
de reistijd niet meer dan twee uur per dag bedraagt.
Onder meer de uitspraak van de CRvB van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3303, r.o. 4.6.
In de zin van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, van de WW.
De situatie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van de WW.
Uitspraak van de CRvB van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:494.
CRvB 9 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8638; RSV 2013/152 m.nt. Rebel en CRvB 6 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1407.
CRvB 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:494.
Zie CRvB 26 november 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG6916, en CRvB 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:418.
Zie Kamerstukken I, 2005-2006, 30 370, nr. E, p. 19.
In de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.
Awb = Algemene wet bestuursrecht.
Als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2836.