Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-09
ECLI:NL:RBROT:2025:10102
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11218446 CV EXPL 24-17880
datum uitspraak: 9 mei 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Hef Wonen,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J.O. Bohr.
Procesverloop
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het tussenvonnis van 10 januari 2025 en de daarin genoemde processtukken;
de akte van 4 februari 2025 van [gedaagde] , met bijlagen;
de akte van 4 maart 2025 van Hef Wonen, met een bijlage;
de rolbeslissing van 14 maart 2025;
de akte van 8 april 2025 van [gedaagde] , met bijlagen;
de akte van 8 april 2025 van Hef Wonen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 2 mei 2023 een woning van Hef Wonen. Hef Wonen eist dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt omdat [gedaagde] volgens haar geen hoofdverblijf heeft (gehad) in de woning. [gedaagde] stelt dat hij wel hoofdverblijf heeft (gehad) in de woning.
2.2.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter overwogen dat zij voorlopig uitgaat van de juistheid van de stelling van Hef Wonen dat [gedaagde] geen hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren.
2.3.
Om aan deze bewijsopdracht te voldoen heeft [gedaagde] foto’s van de woning en een verklaring van zijn ex-partner, geschreven namens de kinderen van [gedaagde] , overgelegd.
2.4.
De kantonrechter vindt dat [gedaagde] niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De huurovereenkomst wordt daarom ontbonden en [gedaagde] moet de woning verlaten. Hierna wordt het oordeel van de kantonrechter toegelicht.
[gedaagde] is niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de door [gedaagde] overgelegde stukken onvoldoende zijn om de juistheid van de stelling van Hef Wonen dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet in de woning heeft (gehad), te ontzenuwen. [gedaagde] is dus niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt niet dat [gedaagde] hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). Bovendien heeft [gedaagde] zijn stellingen ten aanzien van zijn lage energie- en waterverbruik niet verder onderbouwd, terwijl juist dit lage verbruik aanleiding was voor het vermoeden dat [gedaagde] geen hoofdverblijf in de woning had. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.
2.6.
Volgens [gedaagde] blijkt uit de door hem overgelegde foto’s en de factuur van Ikea dat hij al voor ontvangst van de brief van Hef Wonen, waarin zij aangeeft een vermoeden te hebben dat [gedaagde] geen hoofdverblijf in de woning heeft, bezig was met het opknappen en inrichten van de woning. De kantonrechter merkt allereerst op dat in het tussenvonnis al rekening was gehouden met het feit dat tijdens een huisbezoek van Hef Wonen op 4 september 2023 was geconstateerd dat er laminaat en twee kinderbedden in de woning aanwezig waren. De foto’s van 14 mei 2023, 30 juli 2023 en 4 september 2023 voegen hier niets aan toe. Het feit dat er op 23 september 2023 een bestelling van Ikea werd bezorgd en er op 30 september 2023 een bank en tafel in de woning stonden voegen ook niet veel toe. Op de foto van 30 september 2023 oogt de woning kaal en hierop is niet te zien dat de woning daadwerkelijk bewoond wordt. Ook de foto van een slapend kindje op 13 oktober 2023 zegt niet veel, omdat uit niets blijkt dat de foto in de woning gemaakt is. Hef Wonen betwist ook gemotiveerd dat dit het geval is.
2.7.
In het tussenvonnis is overwogen dat het energie- en waterverbruik van [gedaagde] zo laag is dat hierdoor het vermoeden ontstaat dat [gedaagde] geen hoofdverblijf in de woning heeft (gehad). [gedaagde] heeft hiervoor wel verklaringen gegeven, maar dit niet onderbouwd met stukken en deze verklaringen zijn door Hef Wonen betwist. Ook na het tussenvonnis heeft [gedaagde] zijn verklaringen niet onderbouwd door middel van stukken. Hij had bijvoorbeeld verklaringen kunnen overleggen van de medewerkers van zijn sportschool, waaruit blijkt dat hij daar regelmatig doucht, een verklaring van zijn werkgever waaruit blijkt dat hij regelmatig voor zijn werk elders overnacht of verklaringen van familie en vrienden, waaruit blijkt dat hij vrijwel altijd bij hen eet.
2.8.
[gedaagde] heeft tot slot nog een aanvullende verklaring overgelegd van zijn ‘buurvrouw’ die op 2 december 2024 in een mail heeft geschreven dat [gedaagde] daadwerkelijk in de woning woont. Hef Wonen heeft betwist dat het om een buurvrouw gaat. In de aanvullende verklaring geeft zij aan dat zij inderdaad in een andere wijk dan [gedaagde] woont, maar dat zij hem wel als buurman beschouwt. De kantonrechter is van oordeel dat de verklaringen van deze ‘buurvrouw’ teveel vragen oproept om het vermoeden dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft (gehad) te weerleggen.
2.9.
De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om door middel van een descente de woning te bekijken en eventueel bewoners uit de buurt van [gedaagde] te horen, omdat een descente niet is bedoeld voor het horen van getuigen en de huidige staat van de woning niet tot het oordeel kan leiden dat [gedaagde] wel hoofdverblijf in de woning heeft (gehad).
De huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde] moet de woning ontruimen
2.10.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] er niet in is geslaagd het bedoelde tegenbewijs te leveren en er dus vanuit moet worden gegaan dat hij geen hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Het niet hebben van hoofdverblijf is in strijd met artikel 9 van de algemene voorwaarden. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst (en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden) rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst, omdat het gaat om een schaarse woning voor mensen met een smalle beurs, waarvoor wachtlijsten en een strikt toewijzingsbeleid gelden. Hef Wonen heeft er als sociale woningbouwvereniging veel belang bij dat zulke woningen ook daadwerkelijk als hoofdverblijf worden gebruikt door de doelgroep waarvoor deze zijn bestemd. De ex-partner van [gedaagde] heeft verklaard wat het voor de kinderen betekent als [gedaagde] de woning verliest. De kantonrechter begrijpt dat dit voor de kinderen verwarrend kan zijn, maar dit is onvoldoende reden om de ontbinding van de huurovereenkomst af te wijzen.
2.11.
Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. De kantonrechter bepaalt de termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet ontruimen in redelijkheid op 14 dagen nadat dit vonnis is betekend.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op
€ 136,72 aan dagvaardingskosten, € 130,00 aan griffierecht, € 677,00 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 271,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.078,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Rotterdam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.078,72 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
64266