Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-08
ECLI:NL:RBROT:2025:10042
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,168 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 8 mei 2025
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 31 januari 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- Intrum Nederland B.V., in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: Intrum;
die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Intrum heeft voorafgaand aan de zitting op 28 april 2025 een verweerschrift ingediend.
In het verzoekschrift staat Odido vermeld als weigerende schuldeiser. Naar de rechtbank begrijpt is Intrum echter de weigerende schuldeiser. Nu Intrum het verzoekschrift heeft ontvangen en een verweerschrift heeft ingediend, is zij niet in haar belangen geschaad. De rechtbank zal in het vervolg Odido dan ook lezen als Intrum.
Ter zitting van 1 mei 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw P. Waijers, werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser met één vordering en tien concurrente schuldeisers met elf vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 14.865,04 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 12 november 2024 en 30 december 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een saneringskrediet zonder afloscapaciteit tegen finale kwijting (nulaanbod). De schuldenlast bedroeg op dat moment
€ 22.146,77.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij als zelfstandig ondernemer wil werken in de glasvezel. Vanwege zijn schulden is het niet mogelijk om een certificering aan te vragen of een opleiding te volgen. Verzoeker heeft daarnaast het vinden van een betaalde dienstbetrekking wegens privéomstandigheden uitgesteld. Verzoeker is op dit moment ontheven van zijn sollicitatieverplichting door de uitkerende instantie tot en met 1 september 2025.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het haar niet bekend is waarom de schuldenlast in de aanbodbrief afwijkt ten opzichte van de crediteurenlijst. Voorts heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat onterecht door verzoeker is gespaard waardoor hij uiteindelijk een tekort aan leefgeld en reserveringen had voor zaken die betaald moesten worden. Schuldhulpverlening verklaart dat verzoeker vanaf het begin van het minnelijk traject geen afloscapaciteit heeft gehad.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om zijn schuldeisers tegemoet te komen. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Tien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Intrum stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 2.997,88 op verzoeker.
3Het verweer
Intrum stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Intrum stelt dat zij van mening is dat er geen enkel belang is bij het instemmen van een nulaanbod. In de ogen van Intrum biedt een wettelijke schuldsaneringsregeling betere vooruitzichten voor de schuldeisers dan het huidige aanbod. Voorts is in de visie van Intrum niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een PW-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren. Intrum stelt dat door verzoeker geen toelichting is gegeven waarom hij (nog) niet werkt en waarom hij niet volledig zou kunnen werken. Intrum wijst er daarbij op dat in de schuldsaneringsregeling wettelijke waarborgen bestaan om te verzekeren dat verzoeker zich maximaal inspant om zoveel mogelijk baten voor zijn schuldeisers te verwerven.
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Intrum bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Intrum in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vordering van Intrum een aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 13,62% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Intrum in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Allereerst is ter zitting gebleken dat schuldhulpverlening niet kan toelichten waarom de schuldenlast in de aanbodbrief afwijkt ten opzichte van de crediteurenlijst. Bovendien is de verklaring 285 Fw tegenstrijdig. Enerzijds wordt aangegeven dat er geen aanbod is gedaan aan de schuldeisers. Anderzijds wordt aangegeven dat er een nulaanbod aan de schuldeisers is gedaan. Tenslotte bestaat er onduidelijkheid over het spaarsaldo. In het verzoekschrift is opgenomen dat er gespaard is, terwijl schuldhulp-verlening ter zitting heeft verklaard dat er op basis van de vtlb-berekeningen geen afloscapaciteit is en er ten onrechte is gereserveerd.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Het aanbod betreft een saneringskrediet zonder aflossingscapaciteit (nulaanbod) gebaseerd op de huidige inkomsten van verzoeker uit hoofde van een PW-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden waarom verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoeker is weliswaar door de uitkerende instantie ontheven van de sollicitatieplicht van 1 maart 2025 tot en met 1 september 2025, maar onderliggende stukken dan wel medische stukken waaruit de arbeidsongeschiktheid van verzoeker blijkt ontbreken. Dit klemt te meer nu verzoeker ter zitting heeft verklaard een opleiding te willen volgen en als zelfstandig ondernemer in de glasvezel aan het werk wil gaan. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Intrum als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om Intrum te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2025.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.