Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:10005
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,934 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 17 april 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 11 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 12 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw D. Ettalie en mevrouw L.M. Kleijn, beiden werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
[naam 1], werkzaam bij Nost B.V. (hierna: verweerster);
[naam 2], zus van verzoeker.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan door verslavingsproblematiek. Verzoeker verklaart ondertussen al zes maanden clean te zijn. Daarnaast heeft verzoeker zich gemeld bij schuldhulpverlening voor een oplossing voor zijn schulden. Verzoeker ontvangt op dit moment een ZW-uitkering. De huur bedraagt
€ 1.095,74. Verzoeker heeft de huur over september 2024 tot en met april 2025, zij het te laat, voldaan met uitzondering van januari 2025. In januari 2025 was verzoeker in een afkickkliniek opgenomen om te werken aan zijn verslaving waardoor hij niet in de gelegenheid was om de huurbetaling te voldoen.
Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de schuldregeling ondertussen is gestart. Voorts heeft schuldhulpverlening verklaard dat verzoeker vanaf aankomende maand recht heeft op woonkostentoeslag en toeslagen zijn aangevraagd. Deze (woonkosten)toeslag biedt voldoende ruimte om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. Daarnaast is er budgetbeheer aangevraagd waardoor het voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster stelt dat de problemen met verzoeker al jaren spelen. Verzoeker heeft meermaals afspraken gemaakt met verweerster en beloftes gedaan aan verweerster welke steeds niet zijn nagekomen. Daarnaast is er door verzoeker en zijn zus meermaals, waaronder al in 2023, bericht dat zij in gesprek zouden zijn met de gemeente over de hulp vraag van verzoeker maar dat de gemeente het niet oppakt. Verweerster heeft verschillende partijen moeten inschakelen en steeds ongewenste kosten moeten maken. Door de meerdere beloftes en toezeggingen die zijn gedaan is het geduld van verweerster op. Ter zitting heeft verweerster bevestigd dat de huurbetalingen over september 2024 tot en met april 2025, met uitzondering van januari 2025, zijn voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 28 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 14 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft de huurbetalingen vanaf september 2024 tot en met april 2025, zij het te laat, voldaan met uitzondering van januari 2025. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat de schuldregeling is gestart en dat verzoeker per april 2025 woonkostentoeslag zal gaan ontvangen, dat de toeslagen zijn aangevraagd en dat er sprake is van budgetbeheer. Hierdoor is het aannemelijk dat verzoeker de lopende huurbetalingen tijdig zal voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 februari 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
12 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.