Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-20
ECLI:NL:RBROT:2024:9796
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,067 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11213789 CV EXPL 24-17714
datum uitspraak: 20 september 2024 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Roosendaal,
eiser,
gemachtigde: mr. F.F.J. Froger,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Nieuwerkerk aan den IJssel,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 9 juli 2024, met bijlagen.
1.2.
[gedaagde] heeft uitstel gevraagd om op de dagvaarding te mogen antwoorden en dat uitstel ook gekregen tot 15 augustus 2024. Op die datum is geen antwoord ontvangen en ook geen nieuw uitstelverzoek. Daarom is bepaald dat vonnis wordt gewezen. [gedaagde] heeft daarna nog wel een stuk naar de griffie gestuurd, maar dat stuk is pas ruimschoots na 15 augustus door de griffie ontvangen en zal daarom buiten beschouwing blijven.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 1 oktober 2022 een woning van [eiser] . De huur is nu € 1.647,38 per maand. De woning is door [gedaagde] van [eiser] gehuurd ten behoeve van onderverhuur, door [gedaagde] in privé of via zijn onderneming [onderneming A] .
2.2.
Op dit moment is er een huurachterstand. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. Een tussen partijen gemaakte afspraak over het inlopen van de achterstand is door [gedaagde] niet nagekomen, daarom is die regeling vervallen. [eiser] wil de huurovereenkomst met de onderhuurder voortzetten. Daarom vraagt hij ook een veroordeling van [gedaagde] om de gegevens van de onderhuurder te verstrekken, op straffe van een dwangsom.
[gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de huurovereenkomst wordt ontbonden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 14.721,41 betalen
2.3.
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 14.721,41 aan [eiser] te betalen. [eiser] heeft gesteld dat dit de huurachterstand is tot en met 3 juli 2024 en [gedaagde] heeft dat niet weersproken. Vanaf 3 juli 2024 tot en met vandaag (de datum van ontbinding van de huurovereenkomst) moet [gedaagde] € 1.647,38 per maand betalen. De huurprijs moet immers betaald worden zolang de huurovereenkomst bestaat.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
2.4.
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening ook mee gehouden dat partijen, nadat er al een forse achterstand was ontstaan, een regeling hebben getroffen en [gedaagde] die regeling niet is nagekomen.
[gedaagde] moet de gegevens van de onderhuurders verschaffen
2.5.
[gedaagde] moet aan [eiser] de contactgegevens en huurovereenkomsten van de onderhuurders van de woning verschaffen. [eiser] heeft voldoende belang bij die vordering, omdat hij de huurovereenkomst met deze onderhuurder(s) voortzet na ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] . [eiser] heeft voldoende gesteld waaruit blijkt dat een dwangsom aan deze veroordeling moet worden verbonden. De kantonrechter matigt de gevorderde dwangsom echter ambtshalve tot een bedrag van € 200,- per dag, omdat de gevorderde dwangsom van € 1.000,- niet in verhouding staat tot het gevorderde en het belang van [eiser] . Een dwangsom van € 200,- per dag moet voldoende prikkel zijn voor [gedaagde] om aan deze veroordeling te voldoen. Het maximum van de dwangsom wordt gesteld op € 20.000,-. De dwangsom wordt verschuldigd als [gedaagde] de gegevens en huurovereenkomst niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] overlegt.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
2.6.
De incassokosten van € 922,21 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
Geen ambtshalve toetsing
2.8.
[gedaagde] heeft de woning gehuurd om deze te kunnen onderverhuren. Naast deze woning heeft hij nog meer woningen van [eiser] gehuurd, met hetzelfde doel. Dit betekent dat [gedaagde] geen consument is in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. De kantonrechter heeft daarom niet (ambtshalve) getoetst of sprake is van oneerlijke bedingen in de huurovereenkomst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 136,72 aan dagvaardingskosten, € 706,- aan griffierecht, € 406,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt × € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.383,72. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 15.643,62, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 14.721,41 vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.647,38 per maand vanaf 3 juli 2023 tot en met vandaag, voor zover [gedaagde] de na 3 juli 2024 verschenen huurtermijnen onbetaald heeft gelaten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 14.721,41 vanaf de vervaldata van de huurtermijnen tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen betreffende de woning aan de [adres] in Rotterdam;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te overleggen de contactgegevens en huurovereenkomst met de onderhuurders van de woning aan de [adres] in Rotterdam, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 20.000,-;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.383,72;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909
Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810