Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-04
ECLI:NL:RBROT:2024:9767
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,332 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10791419 CV EXPL 23-29945
datum uitspraak: 4 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
IQ Select B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-Van der Duijn te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
tevens eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. J.W. Janssens, advocaat te Houten.
Partijen worden hierna ‘IQ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 1 november 2023, met bijlagen;
het antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de brief van 12 februari 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
het antwoord in voorwaardelijke reconventie, met bijlagen;
de brief van IQ van 29 maart 2024, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van IQ;
het proces-verbaal van de zitting op 9 april 2024;
de akte van [gedaagde], met bijlagen, genomen op de rolzitting van 4 juni 2024;
de antwoordakte van IQ, genomen op de rolzitting van 6 augustus 2024.
1.2.
Op 9 april 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens IQ aanwezig haar gemachtigden mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-Van der Duijn. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.W. Janssens.Van hetgeen ter zitting besproken is heeft de griffier aantekening gehouden en de tussen partijen gemaakte afspraken over de verdere behandeling van de zaak zijn vastgelegd in een proces-verbaal dat aan beide partijen is toegestuurd.
1.3.
De uitspraak van het vonnis, is na aanhouding op de rol van 6 september 2024, nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[gedaagde] is op 29 maart 2021 in dienst getreden bij IQ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, meer in het bijzonder een uitzendovereenkomst fase A, waarbij het overeengekomen loon wekelijks werd uitbetaald. De CAO voor
Uitzendkrachten is op de overeenkomst van toepassing. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt op de in de opdrachtbevestiging vermelde einddatum. IQ heeft tweemaal een opdrachtbevestiging aan [gedaagde] gestuurd. In de eerste opdrachtbevestiging staat als aanvangsdatum 30 maart 2021 en als einddatum 28 september 2021. In de tweede opdrachtbevestiging staat als aanvangsdatum 29 september 2021 en als einddatum 27 maart 2022. Op 8 oktober 2021 heeft IQ schriftelijk aan [gedaagde] medegedeeld dat de inlener [gedaagde] niet meer zal oproepen voor het verrichten van arbeid en dat [gedaagde] vanaf 11 oktober 2021 geen recht meer heeft op loondoorbetaling. IQ heeft vervolgens op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000,- naar [gedaagde] overgemaakt, met als betalingskenmerk ‘achterstallige betaling’.
2.2.
Bij beslissing van 24 mei 2022 heeft het UWV het verzoek van [gedaagde] tot toekenning van een Ziektewetuitkering afgewezen, met als reden dat [gedaagde] op en na 4 oktober 2021 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Op 10 juni 2022 heeft [gedaagde] IQ in kort geding gedagvaard en diverse loonvorderingen ingesteld. Dit heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 20 juli 2022 (zaaknummer 9895617 VV EXPL 22-207), waarbij de vorderingen van [gedaagde] zijn afgewezen.
2.3.
IQ stelt dat zij op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000 aan hem heeft betaald, zodat [gedaagde] - tijdens het destijds lopende geschil tussen partijen over het al dan niet verschuldigd zijn van loon - niet in financiële problemen zou raken. Volgens IQ is deze betaling voorwaardelijk gedaan, in die zin dat IQ dit bedrag slechts terecht aan [gedaagde] heeft betaald indien mocht blijken dat IQ daadwerkelijk nog loon aan [gedaagde] verschuldigd was. IQ stelt zich op het standpunt dat uit het vonnis van 20 juli 2022 volgt dat [gedaagde] na 11 oktober 2021 niet meer in dienst was bij IQ, zodat hij geen recht heeft op loondoorbetaling en het bedrag van € 5.000,- dus onverschuldigd is betaald. Volgens IQ is [gedaagde] op 11 oktober 2021 zelf akkoord gegaan met beëindiging van zijn dienstverband. Daarom vordert IQ in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld het bedrag van € 5.000,- aan IQ terug te betalen, met rente en buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.4.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van IQ. Hij betwist dat de arbeidsovereenkomst per 11 oktober 2021 is beëindigd. Hij heeft zich op 4 oktober 2021 ziekgemeld en hij is nooit akkoord gegaan met beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vanwege de ziekmelding had IQ het loon moeten doorbetalen, aldus [gedaagde]. Gelet daarop stelt [gedaagde] dat het bedrag van € 5.000,- niet onverschuldigd aan hem is betaald, zodat hij dat bedrag ook niet aan IQ terug hoeft te betalen. Voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] niet op 11 oktober 2021 is geëindigd, vordert [gedaagde] in reconventie dat IQ wordt veroordeeld het achterstallige loon van [gedaagde] over de periode van 11 oktober 2021 tot en met 27 maart 2022, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente aan hem te betalen, onder overlegging van loonspecificaties en jaaropgaven over 2021 en 2022, met veroordeling van IQ in de proceskosten.
2.5.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om aan IQ terug te betalen het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon van [gedaagde] over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en de wettelijke rente over dat loon. Daarnaast moet [gedaagde] de wettelijke rente over het daarna resterende bedrag en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten betalen. IQ moet een loonspecificatie over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 aan [gedaagde] verstrekken. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het is niet komen vast te staan dat [gedaagde] vanaf 4 oktober 2021 arbeidsongeschikt was
2.6.
Vast staat dat [gedaagde] in ieder geval tot en met 4 oktober 2021 zijn werkzaamheden heeft verricht en dat IQ het loon tot 11 oktober 2021 aan [gedaagde] heeft uitbetaald, een en ander conform de salarisspecificatie over de periode van 4 oktober 2021 tot en met 10 oktober 2021. [gedaagde] heeft niet betwist dat IQ op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000,- aan hem heeft betaald en dat partijen in dat kader zijn overeengekomen dat deze betaling slechts is gedaan onder voorwaarde dat vast komt te staan dat [gedaagde] nog recht op (achterstallig) loon had. Beoordeeld moet dan ook worden of [gedaagde] vanaf 11 oktober 2021 nog recht heeft op doorbetaling van het loon. Partijen verschillen op dat punt vooral van mening over de vraag of [gedaagde] akkoord is gegaan met beëindiging van zijn dienstverband bij IQ per 11 oktober 2021 dan wel of de arbeidsovereenkomst na die datum is blijven voortduren. Of de arbeidsovereenkomst wel of niet per 11 oktober 2021 tot een einde is gekomen kan - voor wat betreft de loonvordering over de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022 - evenwel in het midden blijven, om de hierna volgende redenen.
2.7.
In artikel 22 van de op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing zijnde CAO is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“(…) 1. De uitzendonderneming is aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase A alleen het loon verschuldigd over de periode(n), dat de uitzendkracht daadwerkelijk uitzendarbeid heeft verricht. Voor een beroep op de uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is vereist dat de werkgever de mogelijke toepassing hiervan bij aanvang van de uitzendovereenkomst schriftelijk kenbaar maakt.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van arbeidsongeschiktheid, indien een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding is overeengekomen in fase A. (…)”
Daarnaast is in de arbeidsovereenkomst in artikel 5.2 - voor zover van belang - het volgende bepaald:
“(…) 5.2. Werkgever is slechts loon verschuldigd aan de werknemer over de periode dat de werknemer daadwerkelijk arbeid heeft verricht, voor zolang de Cao voor Uitzendkrachten (ABU) dat toestaat. In afwijking van het voorgaande heeft de werknemer, met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen in de Cao voor Uitzendkrachten (ABU), recht op doorbetaling van het loon indien hij wegens ziekte verhinderd is om de arbeid te verrichten waarvoor hij opgeroepen is. (…)”
2.8.
Het bovenstaande betekent dat de loondoorbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 22 van de CAO op grond van artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst is uitgesloten. Dat leidt er toe dat - ook als de arbeidsovereenkomst na 11 oktober 2021 zou hebben voortgeduurd - IQ slechts loon aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn over de periode waarin hij daadwerkelijk arbeid heeft verricht, tenzij [gedaagde] arbeidsongeschikt was.
2.9.
Het staat vast dat het UWV bij beslissing van 24 mei 2022 aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat hij geen recht heeft op een Ziektewetuitkering, omdat [gedaagde] op en na 4 oktober 2021 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Tegen die beslissing is door [gedaagde] bezwaar gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen een bedrag van € 5.000,-, verminderd met:
het netto-equivalent van de door IQ aan [gedaagde] verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het hiervoor genoemde netto-equivalent van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022, vanaf de datum van opeisbaarheid van dat loon tot en met de datum van dit vonnis;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het op grond van 3.1 door [gedaagde] te betalen bedrag vanaf 23 augustus 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen € 425,- aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
in reconventie
3.4.
veroordeelt IQ een loonspecificatie te verstrekken over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022;
in conventie en in reconventie
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487
Hoge Raad 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4523, NJ 1983/457; Hoge Raad 12 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC2628, NJ 1987/267; Hoge Raad 25 maart 1994, ECLI:NL:HR: 1994:ZC1310, NJ 1994/390
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10791419 CV EXPL 23-29945
datum uitspraak: 4 oktober 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
IQ Select B.V.,
gevestigd te Barendrecht,
eiseres in conventie,
verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-Van der Duijn te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
tevens eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
gemachtigde: mr. J.W. Janssens, advocaat te Houten.
Partijen worden hierna ‘IQ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 1 november 2023, met bijlagen;
het antwoord met voorwaardelijke eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
de brief van 12 februari 2024, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
het antwoord in voorwaardelijke reconventie, met bijlagen;
de brief van IQ van 29 maart 2024, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van IQ;
het proces-verbaal van de zitting op 9 april 2024;
de akte van [gedaagde], met bijlagen, genomen op de rolzitting van 4 juni 2024;
de antwoordakte van IQ, genomen op de rolzitting van 6 augustus 2024.
1.2.
Op 9 april 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren namens IQ aanwezig haar gemachtigden mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-Van der Duijn. [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.W. Janssens.Van hetgeen ter zitting besproken is heeft de griffier aantekening gehouden en de tussen partijen gemaakte afspraken over de verdere behandeling van de zaak zijn vastgelegd in een proces-verbaal dat aan beide partijen is toegestuurd.
1.3.
De uitspraak van het vonnis, is na aanhouding op de rol van 6 september 2024, nader bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[gedaagde] is op 29 maart 2021 in dienst getreden bij IQ op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, meer in het bijzonder een uitzendovereenkomst fase A, waarbij het overeengekomen loon wekelijks werd uitbetaald. De CAO voor
Uitzendkrachten is op de overeenkomst van toepassing. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt op de in de opdrachtbevestiging vermelde einddatum. IQ heeft tweemaal een opdrachtbevestiging aan [gedaagde] gestuurd. In de eerste opdrachtbevestiging staat als aanvangsdatum 30 maart 2021 en als einddatum 28 september 2021. In de tweede opdrachtbevestiging staat als aanvangsdatum 29 september 2021 en als einddatum 27 maart 2022. Op 8 oktober 2021 heeft IQ schriftelijk aan [gedaagde] medegedeeld dat de inlener [gedaagde] niet meer zal oproepen voor het verrichten van arbeid en dat [gedaagde] vanaf 11 oktober 2021 geen recht meer heeft op loondoorbetaling. IQ heeft vervolgens op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000,- naar [gedaagde] overgemaakt, met als betalingskenmerk ‘achterstallige betaling’.
2.2.
Bij beslissing van 24 mei 2022 heeft het UWV het verzoek van [gedaagde] tot toekenning van een Ziektewetuitkering afgewezen, met als reden dat [gedaagde] op en na 4 oktober 2021 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Op 10 juni 2022 heeft [gedaagde] IQ in kort geding gedagvaard en diverse loonvorderingen ingesteld. Dit heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 20 juli 2022 (zaaknummer 9895617 VV EXPL 22-207), waarbij de vorderingen van [gedaagde] zijn afgewezen.
2.3.
IQ stelt dat zij op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000 aan hem heeft betaald, zodat [gedaagde] - tijdens het destijds lopende geschil tussen partijen over het al dan niet verschuldigd zijn van loon - niet in financiële problemen zou raken. Volgens IQ is deze betaling voorwaardelijk gedaan, in die zin dat IQ dit bedrag slechts terecht aan [gedaagde] heeft betaald indien mocht blijken dat IQ daadwerkelijk nog loon aan [gedaagde] verschuldigd was. IQ stelt zich op het standpunt dat uit het vonnis van 20 juli 2022 volgt dat [gedaagde] na 11 oktober 2021 niet meer in dienst was bij IQ, zodat hij geen recht heeft op loondoorbetaling en het bedrag van € 5.000,- dus onverschuldigd is betaald. Volgens IQ is [gedaagde] op 11 oktober 2021 zelf akkoord gegaan met beëindiging van zijn dienstverband. Daarom vordert IQ in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld het bedrag van € 5.000,- aan IQ terug te betalen, met rente en buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.4.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van IQ. Hij betwist dat de arbeidsovereenkomst per 11 oktober 2021 is beëindigd. Hij heeft zich op 4 oktober 2021 ziekgemeld en hij is nooit akkoord gegaan met beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vanwege de ziekmelding had IQ het loon moeten doorbetalen, aldus [gedaagde]. Gelet daarop stelt [gedaagde] dat het bedrag van € 5.000,- niet onverschuldigd aan hem is betaald, zodat hij dat bedrag ook niet aan IQ terug hoeft te betalen. Voor het geval geoordeeld wordt dat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] niet op 11 oktober 2021 is geëindigd, vordert [gedaagde] in reconventie dat IQ wordt veroordeeld het achterstallige loon van [gedaagde] over de periode van 11 oktober 2021 tot en met 27 maart 2022, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente aan hem te betalen, onder overlegging van loonspecificaties en jaaropgaven over 2021 en 2022, met veroordeling van IQ in de proceskosten.
2.5.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om aan IQ terug te betalen het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon van [gedaagde] over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en de wettelijke rente over dat loon. Daarnaast moet [gedaagde] de wettelijke rente over het daarna resterende bedrag en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten betalen. IQ moet een loonspecificatie over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 aan [gedaagde] verstrekken. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
Het is niet komen vast te staan dat [gedaagde] vanaf 4 oktober 2021 arbeidsongeschikt was
2.6.
Vast staat dat [gedaagde] in ieder geval tot en met 4 oktober 2021 zijn werkzaamheden heeft verricht en dat IQ het loon tot 11 oktober 2021 aan [gedaagde] heeft uitbetaald, een en ander conform de salarisspecificatie over de periode van 4 oktober 2021 tot en met 10 oktober 2021. [gedaagde] heeft niet betwist dat IQ op 28 februari 2022 een bedrag van € 5.000,- aan hem heeft betaald en dat partijen in dat kader zijn overeengekomen dat deze betaling slechts is gedaan onder voorwaarde dat vast komt te staan dat [gedaagde] nog recht op (achterstallig) loon had. Beoordeeld moet dan ook worden of [gedaagde] vanaf 11 oktober 2021 nog recht heeft op doorbetaling van het loon. Partijen verschillen op dat punt vooral van mening over de vraag of [gedaagde] akkoord is gegaan met beëindiging van zijn dienstverband bij IQ per 11 oktober 2021 dan wel of de arbeidsovereenkomst na die datum is blijven voortduren. Of de arbeidsovereenkomst wel of niet per 11 oktober 2021 tot een einde is gekomen kan - voor wat betreft de loonvordering over de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022 - evenwel in het midden blijven, om de hierna volgende redenen.
2.7.
In artikel 22 van de op de arbeidsovereenkomst tussen partijen van toepassing zijnde CAO is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“(…) 1. De uitzendonderneming is aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase A alleen het loon verschuldigd over de periode(n), dat de uitzendkracht daadwerkelijk uitzendarbeid heeft verricht. Voor een beroep op de uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is vereist dat de werkgever de mogelijke toepassing hiervan bij aanvang van de uitzendovereenkomst schriftelijk kenbaar maakt.
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van arbeidsongeschiktheid, indien een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding is overeengekomen in fase A. (…)”
Daarnaast is in de arbeidsovereenkomst in artikel 5.2 - voor zover van belang - het volgende bepaald:
“(…) 5.2. Werkgever is slechts loon verschuldigd aan de werknemer over de periode dat de werknemer daadwerkelijk arbeid heeft verricht, voor zolang de Cao voor Uitzendkrachten (ABU) dat toestaat. In afwijking van het voorgaande heeft de werknemer, met inachtneming van de daarvoor geldende bepalingen in de Cao voor Uitzendkrachten (ABU), recht op doorbetaling van het loon indien hij wegens ziekte verhinderd is om de arbeid te verrichten waarvoor hij opgeroepen is. (…)”
2.8.
Het bovenstaande betekent dat de loondoorbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 22 van de CAO op grond van artikel 5.2 van de arbeidsovereenkomst is uitgesloten. Dat leidt er toe dat - ook als de arbeidsovereenkomst na 11 oktober 2021 zou hebben voortgeduurd - IQ slechts loon aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn over de periode waarin hij daadwerkelijk arbeid heeft verricht, tenzij [gedaagde] arbeidsongeschikt was.
2.9.
Het staat vast dat het UWV bij beslissing van 24 mei 2022 aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat hij geen recht heeft op een Ziektewetuitkering, omdat [gedaagde] op en na 4 oktober 2021 niet wegens ziekte of gebreken ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Tegen die beslissing is door [gedaagde] bezwaar gemaakt.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen een bedrag van € 5.000,-, verminderd met:
het netto-equivalent van de door IQ aan [gedaagde] verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het hiervoor genoemde netto-equivalent van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022, vanaf de datum van opeisbaarheid van dat loon tot en met de datum van dit vonnis;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het op grond van 3.1 door [gedaagde] te betalen bedrag vanaf 23 augustus 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan IQ te betalen € 425,- aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
in reconventie
3.4.
veroordeelt IQ een loonspecificatie te verstrekken over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022;
in conventie en in reconventie
3.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487
Hoge Raad 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4523, NJ 1983/457; Hoge Raad 12 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC2628, NJ 1987/267; Hoge Raad 25 maart 1994, ECLI:NL:HR: 1994:ZC1310, NJ 1994/390
Beoordeling
Het UWV heeft op 6 februari 2023 een beslissing op bezwaar genomen en heeft het bezwaar van [gedaagde] ongegrond verklaard. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] per 4 oktober 2021 arbeidsongeschikt was. In diezelfde beslissing op bezwaar heeft het UWV gesteld dat op het spreekuur van de bedrijfsarts op 18 februari 2022 is vastgesteld dat [gedaagde] medisch gezien zijn werkzaamheden niet kon uitvoeren, zodat [gedaagde] per laatstgenoemde datum arbeidsongeschikt was. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] tegen de beslissing op bezwaar beroep heeft aangetekend, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat die beslissing onherroepelijk is geworden.
[gedaagde] heeft geen recht op loon over de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022
2.10.
Gelet op de beslissing op het bezwaar van het UWV van 6 februari 2023 is niet komen vast te staan dat [gedaagde] in de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022 arbeidsongeschikt was, zodat hij - ook als de arbeidsovereenkomst na 11 oktober 2021 zou zijn blijven voortduren - vanwege de overeengekomen uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting geen aanspraak kan maken op betaling van enig bedrag aan loon. De daarop gerichte reconventionele vordering kan dan ook niet worden toegewezen.
[gedaagde] heeft wel recht op loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022
2.11.
In de beslissing op bezwaar van 6 februari 2023 heeft het UWV vastgesteld dat [gedaagde] per 18 februari 2022 arbeidsongeschikt was. Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde] over de periode van 18 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 (zijnde de datum waarop het dienstverband op grond van artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst in elk geval van rechtswege eindigt) recht heeft op doorbetaling van het loon. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of de arbeidsovereenkomst wel of niet per 11 oktober 2021 tot een einde is gekomen. In dat kader stelt IQ dat [gedaagde] op 11 oktober 2021 digitaal zijn akkoord heeft gegeven op de beëindiging van zijn dienstverband per laatstgenoemde datum. Dat heeft [gedaagde] echter gemotiveerd betwist.
2.12.
Of [gedaagde] nu wel of niet akkoord is gegaan met beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan echter in het midden blijven. Zelfs als [gedaagde] daadwerkelijk digitaal akkoord zou zijn gegaan met de beëindiging, is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden geacht te zijn geëindigd door opzegging door [gedaagde]. De opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer vereist immers een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige (financiële) gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. In dat licht rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
2.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft IQ in dit geval niet aan haar onderzoeksplicht voldaan. [gedaagde] heeft in dat verband immers aangevoerd dat IQ hem niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van een eventuele ontslagname, zoals het mogelijke verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving. IQ heeft dat niet meer betwist. Uit de stellingen van IQ en de door haar overgelegde producties kan ook niet worden afgeleid dat zij wel aan haar verplichting heeft voldaan om [gedaagde] voor te lichten over de consequenties van ontslagname. [gedaagde] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij als gevolg van de opzegging de hem toegekende WW-uitkering in zijn geheel dient terug te betalen. Dat had mogelijk voorkomen kunnen worden als IQ wel aan de op haar rustende onderzoeksplicht had voldaan.
2.14.
De omstandigheid dat IQ niet aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan brengt mee dat zij [gedaagde] niet aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst - voor zover daar al sprake van is geweest - kan houden en de arbeidsovereenkomst niet kan worden geacht te zijn geëindigd per 11 oktober 2021. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen totdat deze per 27 maart 2022 van rechtswege is geëindigd. [gedaagde] heeft dan ook in beginsel recht op doorbetaling van het loon over de periode van 18 februari 2022 tot en met 27 maart 2022.
2.15.
Vast staat dat aan [gedaagde] een Ziektewet-uitkering is toegekend per 18 februari 2022 ter hoogte van 70% van het dagloon. Op grond van artikel 25 lid 6 van de CAO heeft de werknemer bij arbeidsongeschiktheid, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht op 90% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid. Op grond van lid 7 van datzelfde artikel geldt de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid (in dit geval 18 februari 2022) als wachtdag, waarover de werknemer geen recht op doorbetaling van loon heeft. Dat betekent dat IQ in dit geval gehouden is de Ziektewet-uitkering aan te vullen, in die zin dat zij 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 aan [gedaagde] verschuldigd is.
[gedaagde] moet het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en de wettelijke rente daarover, aan IQ terugbetalen
2.16.
Omdat uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 recht heeft op betaling door IQ van 20% van het over die periode verschuldigde loon, betekent dit dat de vordering van IQ in conventie slechts ten dele kan worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] aan IQ moet terugbetalen het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022. [gedaagde] maakt daarnaast terecht aanspraak op de wettelijke rente over het hiervoor genoemde loon vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan. Dat betekent dat ook de wettelijke rente over dat loon in mindering zal moeten worden gebracht op het nog door [gedaagde] aan IQ te betalen bedrag. Gelet op de hiervoor genoemde verrekening van het loon met hetgeen [gedaagde] aan IQ verschuldigd is, zal de wettelijke rente over het loon worden beperkt tot de datum van dit vonnis.
2.17.
[gedaagde] maakt ook nog aanspraak op betaling van de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het achterstallige loon. Omdat pas in deze procedure vast is komen te staan dat [gedaagde] recht heeft op betaling van een bedrag aan loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022, kan niet gezegd worden dat IQ verweten kan worden dat zij het loon niet eerder heeft betaald, te meer niet nu in het vonnis in kort geding van 20 juli 2022 nog was geoordeeld dat [gedaagde] geen aanspraak kon maken op (door)betaling van enig bedrag aan loon. Dat IQ het loon tot op heden niet heeft betaald kan haar dan ook niet worden verwetenOnder die omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding de door [gedaagde] gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen.
Beoordeling
Het UWV heeft op 6 februari 2023 een beslissing op bezwaar genomen en heeft het bezwaar van [gedaagde] ongegrond verklaard. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] per 4 oktober 2021 arbeidsongeschikt was. In diezelfde beslissing op bezwaar heeft het UWV gesteld dat op het spreekuur van de bedrijfsarts op 18 februari 2022 is vastgesteld dat [gedaagde] medisch gezien zijn werkzaamheden niet kon uitvoeren, zodat [gedaagde] per laatstgenoemde datum arbeidsongeschikt was. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] tegen de beslissing op bezwaar beroep heeft aangetekend, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat die beslissing onherroepelijk is geworden.
[gedaagde] heeft geen recht op loon over de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022
2.10.
Gelet op de beslissing op het bezwaar van het UWV van 6 februari 2023 is niet komen vast te staan dat [gedaagde] in de periode van 11 oktober 2021 tot 18 februari 2022 arbeidsongeschikt was, zodat hij - ook als de arbeidsovereenkomst na 11 oktober 2021 zou zijn blijven voortduren - vanwege de overeengekomen uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting geen aanspraak kan maken op betaling van enig bedrag aan loon. De daarop gerichte reconventionele vordering kan dan ook niet worden toegewezen.
[gedaagde] heeft wel recht op loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022
2.11.
In de beslissing op bezwaar van 6 februari 2023 heeft het UWV vastgesteld dat [gedaagde] per 18 februari 2022 arbeidsongeschikt was. Vervolgens ligt de vraag voor of [gedaagde] over de periode van 18 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 (zijnde de datum waarop het dienstverband op grond van artikel 2.1 van de arbeidsovereenkomst in elk geval van rechtswege eindigt) recht heeft op doorbetaling van het loon. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of de arbeidsovereenkomst wel of niet per 11 oktober 2021 tot een einde is gekomen. In dat kader stelt IQ dat [gedaagde] op 11 oktober 2021 digitaal zijn akkoord heeft gegeven op de beëindiging van zijn dienstverband per laatstgenoemde datum. Dat heeft [gedaagde] echter gemotiveerd betwist.
2.12.
Of [gedaagde] nu wel of niet akkoord is gegaan met beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan echter in het midden blijven. Zelfs als [gedaagde] daadwerkelijk digitaal akkoord zou zijn gegaan met de beëindiging, is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst niet kan worden geacht te zijn geëindigd door opzegging door [gedaagde]. De opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer vereist immers een ‘duidelijke en ondubbelzinnige verklaring’, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige (financiële) gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. In dat licht rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
2.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft IQ in dit geval niet aan haar onderzoeksplicht voldaan. [gedaagde] heeft in dat verband immers aangevoerd dat IQ hem niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van een eventuele ontslagname, zoals het mogelijke verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving. IQ heeft dat niet meer betwist. Uit de stellingen van IQ en de door haar overgelegde producties kan ook niet worden afgeleid dat zij wel aan haar verplichting heeft voldaan om [gedaagde] voor te lichten over de consequenties van ontslagname. [gedaagde] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij als gevolg van de opzegging de hem toegekende WW-uitkering in zijn geheel dient terug te betalen. Dat had mogelijk voorkomen kunnen worden als IQ wel aan de op haar rustende onderzoeksplicht had voldaan.
2.14.
De omstandigheid dat IQ niet aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan brengt mee dat zij [gedaagde] niet aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst - voor zover daar al sprake van is geweest - kan houden en de arbeidsovereenkomst niet kan worden geacht te zijn geëindigd per 11 oktober 2021. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen totdat deze per 27 maart 2022 van rechtswege is geëindigd. [gedaagde] heeft dan ook in beginsel recht op doorbetaling van het loon over de periode van 18 februari 2022 tot en met 27 maart 2022.
2.15.
Vast staat dat aan [gedaagde] een Ziektewet-uitkering is toegekend per 18 februari 2022 ter hoogte van 70% van het dagloon. Op grond van artikel 25 lid 6 van de CAO heeft de werknemer bij arbeidsongeschiktheid, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht op 90% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid. Op grond van lid 7 van datzelfde artikel geldt de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid (in dit geval 18 februari 2022) als wachtdag, waarover de werknemer geen recht op doorbetaling van loon heeft. Dat betekent dat IQ in dit geval gehouden is de Ziektewet-uitkering aan te vullen, in die zin dat zij 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 aan [gedaagde] verschuldigd is.
[gedaagde] moet het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 en de wettelijke rente daarover, aan IQ terugbetalen
2.16.
Omdat uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022 recht heeft op betaling door IQ van 20% van het over die periode verschuldigde loon, betekent dit dat de vordering van IQ in conventie slechts ten dele kan worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] aan IQ moet terugbetalen het bedrag van € 5.000,-, verminderd met het netto-equivalent van de door IQ verschuldigde aanvulling van 20% van het loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022. [gedaagde] maakt daarnaast terecht aanspraak op de wettelijke rente over het hiervoor genoemde loon vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan. Dat betekent dat ook de wettelijke rente over dat loon in mindering zal moeten worden gebracht op het nog door [gedaagde] aan IQ te betalen bedrag. Gelet op de hiervoor genoemde verrekening van het loon met hetgeen [gedaagde] aan IQ verschuldigd is, zal de wettelijke rente over het loon worden beperkt tot de datum van dit vonnis.
2.17.
[gedaagde] maakt ook nog aanspraak op betaling van de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het achterstallige loon. Omdat pas in deze procedure vast is komen te staan dat [gedaagde] recht heeft op betaling van een bedrag aan loon over de periode van 19 februari 2022 tot en met 27 maart 2022, kan niet gezegd worden dat IQ verweten kan worden dat zij het loon niet eerder heeft betaald, te meer niet nu in het vonnis in kort geding van 20 juli 2022 nog was geoordeeld dat [gedaagde] geen aanspraak kon maken op (door)betaling van enig bedrag aan loon. Dat IQ het loon tot op heden niet heeft betaald kan haar dan ook niet worden verwetenOnder die omstandigheden ziet de kantonrechter geen aanleiding de door [gedaagde] gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen.