Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-22
ECLI:NL:RBROT:2024:9490
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,412 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 22 augustus 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 22 mei 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 15 augustus 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw R. Segers, schuldhulpverlener bij de Kredietbank Rotterdam.
De uitspraak is bepaald op heden.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een WW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 48.069,27.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. Het verzoek wordt daarom afgewezen, wat inhoudt dat verzoeker niet wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Schuld aan [schuleiser] is niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten
Op de schuldenlijst van verzoeker staat een schuld aan [schuleiser] (hierna: [schuleiser]), welke in behandeling is bij BVD Advocaten. Tussen verzoeker en [schuleiser] is op
15 juli 2022 een overeenkomst van geldlening gesloten. Uit die overeenkomst blijkt dat verzoeker bij [schuleiser] een bedrag heeft geleend ter hoogte van € 46.250,- voor de financiering van een auto. Vooropgesteld wordt dat de vordering niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoeker had op dat moment al een flinke schuldenlast en is een forse schuld aangegaan om een dure auto te kopen – een niet strikt noodzakelijke uitgave. Verzoeker had moeten begrijpen dat hij alleen al door de aflossingsverplichting die hij met die geldlening aanging, niet in staat zou zijn om zijn vaste lasten te blijven voldoen én zijn al bestaande schulden af te betalen.
De schuld is ook niet te goeder trouw onbetaald gelaten. Verzoeker heeft weliswaar enkele aflossingen verricht, maar de openstaande vordering bedraagt, inclusief rente, op dit moment nog € 37.549,65. Ingevolge de geldleningsovereenkomst en de pandakte van 15 juli 2022 is een pandrecht gevestigd op de auto ten behoeve van [schuleiser]. Verzoeker heeft de auto op 19 december 2022 zonder toestemming en zonder medeweten van [schuleiser] verkocht aan een derde, waarmee hij inbreuk heeft gemaakt op het pandrecht van [schuleiser] en [schuleiser] benadeeld. Dat verzoeker niet wist dat er sprake was van een pandrecht vindt de rechtbank niet aannemelijk. Dit temeer nu verzoeker blijkens de overeenkomst en de pandakte op de hoogte was van het bestaan van het pandrecht. Verzoeker heeft namelijk zowel de overeenkomst als de pandakte ondertekend.
Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan en onbetaald gelaten.
Schulden aan de overige schuldeisers zijn niet te goeder trouw onbetaald gelaten
Verzoeker heeft de vorderingen van de overige schuldeisers niet te goeder trouw onbetaald gelaten, althans verzoeker heeft de overige nog bestaande schuldeisers benadeeld. Hij heeft namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat hij met de uit de verkoop van twee auto’s ontvangen gelden heeft gedaan.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij de hiervoor genoemde auto (aanschafwaarde € 46.250,-) heeft verkocht voor € 26.000,-. Daarvan heeft hij naar eigen zeggen ongeveer € 16.000,- aangewend om schuldeisers te betalen. Welke schuldeisers dat zijn en waarom hij deze schuldeisers wel heeft voldaan en andere schuldeisers niet, heeft verzoeker niet kunnen uitleggen. Hij heeft deze stelling evenmin onderbouwd met betaalbewijzen en dergelijke. Daarnaast heeft verzoeker volgens zijn eigen stellingen van de opbrengst van de auto € 10.000,- aangewend voor de aanschaf van een nieuwe auto. De auto kostte mogelijk meer dan € 10.000,-, aldus de verklaring van verzoeker ter zitting. Vervolgens heeft verzoeker op enig moment ook die auto weer verkocht, voor € 11.400,-. Van dit bedrag heeft hij € 3.000,- gebruikt voor de aanschaf van wederom een nieuwe auto. Van het restant bedrag heeft hij € 5.000,- overgemaakt naar de Kredietbank Rotterdam – ten behoeve van het schuldbemiddelingstraject – en naar eigen zeggen ongeveer € 3.500,- aangewend om schuldeisers te betalen. Ook hier heeft verzoeker niet kunnen verklaren welke schuldeisers zijn betaald en waarom hij deze wel heeft voldaan en andere schuldeisers niet en hij heeft deze stelling ook niet onderbouwd met betaalbewijzen en dergelijke. Verzoeker heeft slechts gezegd dat hij onder andere VGZ heeft betaald, maar VGZ staat nog op de crediteurenlijst met een vordering uit 2016.
Dit betekent dat verzoeker in korte tijd in totaal ongeveer € 19.500,- heeft ontvangen uit de verkoop van twee auto’s, en onduidelijk is gebleven wat er met dat geld is gebeurd. Verzoeker geeft weliswaar aan dat hij met die gelden schulden heeft voldaan, maar hij heeft op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt welke schuldeiser(s) hij dan heeft betaald. Het lag op de weg van verzoeker een en ander duidelijk uiteen te zetten. Verzoeker heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de schulden te goeder trouw onbetaald gelaten zijn. Het feit dat verzoeker vanuit de ontvangsten van de verkoop van de tweede auto een bedrag van € 5.000,- heeft gestort bij de Kredietbank Rotterdam en daarnaast tijdens het minnelijk traject een bedrag heeft gespaard van € 1.200,- maakt dit niet anders, aangezien dit de benadeling niet opheft. Dit nog los van het feit dat in dezelfde periode waarin verzoeker stelt met de ontvangen bedragen schuldeisers te hebben betaald, nieuwe schulden zijn ontstaan.
Schuld aan het CJIB is niet te goeder trouw
Verzoeker heeft een schuld bij het CJIB van in totaal € 569,-. Deze schulden zijn naar hun aard in ieder geval niet te goeder trouw ontstaan. Deze schulden hebben betrekking op verkeersboetes wegens te hard rijden en wegens het tijdens het rijden vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat. Deze vorderingen zijn ontstaan in 2023 en (op 11 juli) 2024. Verzoeker heeft ter zitting weliswaar aangegeven dat hij in beroep is gegaan tegen de boete die ziet op het ‘tijdens het rijden vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat’, maar ten tijde van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift was dit beroep nog niet behandeld zodat ten tijde van de beoordeling van dit verzoek van het bestaan van deze boete wordt uitgegaan.
Nakoming verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoeker heeft ter zitting weliswaar verklaard dat hij vier keer per maand solliciteert en dat hij zo nu en dan op sollicitatiegesprek mag komen, maar hij heeft, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van zijn verzoek, geen sollicitaties overgelegd tijdens de zitting.
Verder blijkt uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting dat het uitgavenpatroon van verzoeker tot voor kort nog onstabiel was. Zo is verzoeker in 2023, tijdens het schuldhulpverleningstraject, nog een geldlening aangegaan bij [naam], naar eigen zeggen omdat hij in de knoop kwam met de betaling van de vaste lasten. En dat terwijl verzoeker, zoals hiervoor is besproken, in korte tijd € 19.500,- heeft ontvangen. Die geldlening is onbetaald gebleven.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.