Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-13
ECLI:NL:RBROT:2024:8972
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,420 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1504
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. L. van Schie-Kooman),
en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep
(gemachtigde: mr. Y. Kievit).
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres met dagtekening 31 oktober 2022 een aanslag leges omgevingsvergunning opgelegd van € 5.245,63.
1.1.
Het bezwaar van eiseres hiertegen is in de uitspraak op bezwaar van 24 januari 2023 (het bestreden besluit) door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de heffingsambtenaar deelgenomen, zijn gemachtigde en [naam 1] en [naam 2], werkzaam bij de gemeente Delft en namens eiseres, haar gemachtigde en [naam 3].
Feiten
2. Tijdens de coronaperiode heeft de Technische Universiteit Delft (hierna: TU Delft) aan eiseres gevraagd om tenten op het evenemententerrein te plaatsen voor onderwijsactiviteiten van de TU Delft. Eiseres heeft hiermee ingestemd en op 28 juli 2021 heeft eiseres een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een tent “ten behoeve van evenementen, workshops, bijeenkomsten, werkruimtes studenten TU, werkcollega’s”. De aangevraagde vergunning is op 14 april 2022 van rechtswege verleend. De tenten bestonden uit drie aluminium paviljoenen waarvan twee met een omvang van 20 bij 30 meter en één met een omvang van 10 bij 25 meter. De tenten zijn eind mei/begin juni 2022 afgebroken en hebben er ongeveer tien maanden gestaan.
Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres is de aanslag waar het hier om gaat opgelegd. Een bedrag van € 3.855,- heeft betrekking op “bouwactiviteiten” en een bedrag van € 1.390,63 is voor “strijdig gebruik reguliere procedure”. De hoogte van de bouwkosten is vastgesteld op € 150.000,-, conform de opgave van eiseres op het aanvraagformulier.
Wettelijk kader en geschil
3. Gemeenten hebben de mogelijkheid om rechten te heffen voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De gemeente Delft heeft op basis hiervan de Legesverordening 2021 (de Verordening) vastgesteld. De gemeente heft onder meer leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.
4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag kon opleggen en zo ja, of de heffingsambtenaar de aanslag op een juist bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De aanvraag
5. Eiseres voert aan dat geen omgevingsvergunning is vereist, omdat de geplaatste tenten niet kunnen worden gezien als bouwwerken in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Onder protest en op verzoek van de gemeente, omdat anders veel problemen zouden ontstaan, heeft eiseres de vergunningsaanvraag ingediend.
5.1
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de aanvraag is afgedwongen door de gemeente, dat eiseres toezeggingen zijn gedaan of dat anderszins van de zijde van de gemeente uitlatingen zijn gedaan waaraan eiseres de gerechtvaardigde verwachting had kunnen ontlenen dat geen leges zouden worden geheven. In deze procedure ligt daarom uitsluitend de vraag voor of de heffingsambtenaar terecht (en voor het juiste bedrag) de legesaanslag heeft opgelegd aan eiseres. Uit artikel 2 en onder a van de Verordening in combinatie met artikel 2.3.1 van de tarieventabel bij de Verordening volgt dat het belastbare feit het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning is. Dat belastbare feit heeft in dit geval plaatsgevonden, eiseres heeft een aanvraag ingediend, die door de gemeente Delft in behandeling is genomen.
Vergunningvrije activiteiten
6. Wel is het zo, dat voor vergunningvrije onderdelen van een aanvraag geen leges geheven kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat van vergunningvrije activiteit in dit geval geen sprake is en licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
6.1.
Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een bouwwerk in de zin van de Wabo. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bouwwerk in de zin van de Wabo:
“elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.
6.2.
In dit geval is sprake van een constructie van enige omvang die met de grond is verbonden. In geschil is of voldaan is aan het criterium “ter plaatse functioneren”. Volgens eiseres stonden de tenten er tijdelijk en was het niet de bedoeling ze duurzaam te laten functioneren.
De rechtbank stelt echter vast dat eiseres zelf op haar aanvraag heeft ingevuld dat het gebruik tien maanden zou duren en dat het ook daadwerkelijk tien maanden heeft geduurd. Dat is dusdanig lang, dat sprake is van “ter plaatse functioneren”. Dat bij het huren van de tenten is afgesproken dat de huurprijs voor de eerste vier maanden geldt en vervolgens per maand is verlengd, legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.
6.3.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8651, baat haar niet, omdat die uitspraak een relevant andere situatie betrof. Het ging daar om een (informatie)tent die 31 dagen is blijven staan, zodat volgens de rechtbank Noord-Holland geen sprake was van ter plaatse duurzaam te laten functioneren. De feiten in het voorliggende geval zijn anders. Daarnaast is, anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, voor het plaatsgebonden karakter niet van belang of de tenten aard- en nagelvast met de grond waren verbonden.
6.4.
Voorts is van belang, dat sprake is van een blijvende planologische inbreuk. In dit geval is het bestemmingsplan Schieoevers Noord en daarvan hoofdstuk 4 “Cultuur en ontspanning” van toepassing. Niet in geschil is dat de tenten buiten het bouwvlak stonden. Dan geldt artikel 4.2.2. Hierin staat:
“Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de regels van artikel 24 en de volgende bepalingen:
a. fietsenstallingen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 m;
b. ten behoeve van het evenemententerrein en de theatertuin zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een maximale bouwhoogte van 12 m;
c. voor het overige zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan.”
Uit de tekst onder b en c volgt dat enkel bouwwerken toegestaan zijn die geen gebouwen zijn. Volgens artikel 1.40 van het bestemmingsplan is een gebouw:
“elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.
De tenten zijn daarom als gebouwen aan te merken en daarom was de bouw daarvan buiten het bouwvlak in strijd met het bestemmingsplan.
6.5.
Dit geldt ook voor het gebruik van de tenten. Hierin werden diverse vormen van onderwijs gegeven. In artikel 4.1 van het bestemmingsplan staat onderwijs echter niet genoemd als aangewezen bestemming. Hierin staat immers:
“De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. culturele doeleinden en evenementen;
b. evenemententerrein;
c. theatertuin;
d. horeca;
e. bedrijven;
f. verkeer;
g. nutsvoorzieningen;
h. bijbehorende voorzieningen zoals parkeren.”
Dit betekent dat ook het gebruik van de tenten in strijd was met het bestemmingsplan.
6.6.
De slotsom is dat voldaan is aan alle criteria voor een bouwwerk in de zin van de Wabo, waaronder duurzaam ter plaatse laten functioneren. Daarbij is sprake van inbreuk met het bestemmingsplan zowel wat betreft de bouwregels als het gebruik van de tenten.
Dit betekent dat er geen vergunningsvrije activiteiten zijn en dat de heffingsambtenaar de leges dus kon heffen.
6.7.
Eiseres heeft ter zitting verklaard dat wanneer zij voor elke tent of aanvraag daarvan leges moet betalen, het werken haar onmogelijk wordt gemaakt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag leges omgevingsvergunning in stand blijft.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, voorzitter, en mrs. C. Laukens en R.J.P. Ferwerda, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 september 2024.
de voorzitter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Griffier Voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Artikel 229 van de Gemeentewet.
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3227, r.o. 2.2.3.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2510.
Artikel 2.1.1.2. van Bijlage 1 bij de Verordening.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1504
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: mr. L. van Schie-Kooman),
en
de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep
(gemachtigde: mr. Y. Kievit).
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres met dagtekening 31 oktober 2022 een aanslag leges omgevingsvergunning opgelegd van € 5.245,63.
1.1.
Het bezwaar van eiseres hiertegen is in de uitspraak op bezwaar van 24 januari 2023 (het bestreden besluit) door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de heffingsambtenaar deelgenomen, zijn gemachtigde en [naam 1] en [naam 2], werkzaam bij de gemeente Delft en namens eiseres, haar gemachtigde en [naam 3].
Feiten
2. Tijdens de coronaperiode heeft de Technische Universiteit Delft (hierna: TU Delft) aan eiseres gevraagd om tenten op het evenemententerrein te plaatsen voor onderwijsactiviteiten van de TU Delft. Eiseres heeft hiermee ingestemd en op 28 juli 2021 heeft eiseres een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een tent “ten behoeve van evenementen, workshops, bijeenkomsten, werkruimtes studenten TU, werkcollega’s”. De aangevraagde vergunning is op 14 april 2022 van rechtswege verleend. De tenten bestonden uit drie aluminium paviljoenen waarvan twee met een omvang van 20 bij 30 meter en één met een omvang van 10 bij 25 meter. De tenten zijn eind mei/begin juni 2022 afgebroken en hebben er ongeveer tien maanden gestaan.
Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres is de aanslag waar het hier om gaat opgelegd. Een bedrag van € 3.855,- heeft betrekking op “bouwactiviteiten” en een bedrag van € 1.390,63 is voor “strijdig gebruik reguliere procedure”. De hoogte van de bouwkosten is vastgesteld op € 150.000,-, conform de opgave van eiseres op het aanvraagformulier.
Wettelijk kader en geschil
3. Gemeenten hebben de mogelijkheid om rechten te heffen voor het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. De gemeente Delft heeft op basis hiervan de Legesverordening 2021 (de Verordening) vastgesteld. De gemeente heft onder meer leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning.
4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag kon opleggen en zo ja, of de heffingsambtenaar de aanslag op een juist bedrag heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
De aanvraag
5. Eiseres voert aan dat geen omgevingsvergunning is vereist, omdat de geplaatste tenten niet kunnen worden gezien als bouwwerken in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Onder protest en op verzoek van de gemeente, omdat anders veel problemen zouden ontstaan, heeft eiseres de vergunningsaanvraag ingediend.
5.1
De rechtbank stelt voorop dat niet is gebleken dat de aanvraag is afgedwongen door de gemeente, dat eiseres toezeggingen zijn gedaan of dat anderszins van de zijde van de gemeente uitlatingen zijn gedaan waaraan eiseres de gerechtvaardigde verwachting had kunnen ontlenen dat geen leges zouden worden geheven. In deze procedure ligt daarom uitsluitend de vraag voor of de heffingsambtenaar terecht (en voor het juiste bedrag) de legesaanslag heeft opgelegd aan eiseres. Uit artikel 2 en onder a van de Verordening in combinatie met artikel 2.3.1 van de tarieventabel bij de Verordening volgt dat het belastbare feit het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning is. Dat belastbare feit heeft in dit geval plaatsgevonden, eiseres heeft een aanvraag ingediend, die door de gemeente Delft in behandeling is genomen.
Vergunningvrije activiteiten
6. Wel is het zo, dat voor vergunningvrije onderdelen van een aanvraag geen leges geheven kunnen worden. De rechtbank is van oordeel dat van vergunningvrije activiteit in dit geval geen sprake is en licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
6.1.
Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval sprake is van een bouwwerk in de zin van de Wabo. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is een bouwwerk in de zin van de Wabo:
“elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren”.
6.2.
In dit geval is sprake van een constructie van enige omvang die met de grond is verbonden. In geschil is of voldaan is aan het criterium “ter plaatse functioneren”. Volgens eiseres stonden de tenten er tijdelijk en was het niet de bedoeling ze duurzaam te laten functioneren.
De rechtbank stelt echter vast dat eiseres zelf op haar aanvraag heeft ingevuld dat het gebruik tien maanden zou duren en dat het ook daadwerkelijk tien maanden heeft geduurd. Dat is dusdanig lang, dat sprake is van “ter plaatse functioneren”. Dat bij het huren van de tenten is afgesproken dat de huurprijs voor de eerste vier maanden geldt en vervolgens per maand is verlengd, legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.
6.3.
De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 september 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8651, baat haar niet, omdat die uitspraak een relevant andere situatie betrof. Het ging daar om een (informatie)tent die 31 dagen is blijven staan, zodat volgens de rechtbank Noord-Holland geen sprake was van ter plaatse duurzaam te laten functioneren. De feiten in het voorliggende geval zijn anders. Daarnaast is, anders dan eiseres ter zitting heeft betoogd, voor het plaatsgebonden karakter niet van belang of de tenten aard- en nagelvast met de grond waren verbonden.
6.4.
Voorts is van belang, dat sprake is van een blijvende planologische inbreuk. In dit geval is het bestemmingsplan Schieoevers Noord en daarvan hoofdstuk 4 “Cultuur en ontspanning” van toepassing. Niet in geschil is dat de tenten buiten het bouwvlak stonden. Dan geldt artikel 4.2.2. Hierin staat:
“Voor het bouwen van bouwwerken buiten het bouwvlak gelden de regels van artikel 24 en de volgende bepalingen:
a. fietsenstallingen zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 m;
b. ten behoeve van het evenemententerrein en de theatertuin zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een maximale bouwhoogte van 12 m;
c. voor het overige zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde toegestaan.”
Uit de tekst onder b en c volgt dat enkel bouwwerken toegestaan zijn die geen gebouwen zijn. Volgens artikel 1.40 van het bestemmingsplan is een gebouw:
“elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt”.
De tenten zijn daarom als gebouwen aan te merken en daarom was de bouw daarvan buiten het bouwvlak in strijd met het bestemmingsplan.
6.5.
Dit geldt ook voor het gebruik van de tenten. Hierin werden diverse vormen van onderwijs gegeven. In artikel 4.1 van het bestemmingsplan staat onderwijs echter niet genoemd als aangewezen bestemming. Hierin staat immers:
“De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. culturele doeleinden en evenementen;
b. evenemententerrein;
c. theatertuin;
d. horeca;
e. bedrijven;
f. verkeer;
g. nutsvoorzieningen;
h. bijbehorende voorzieningen zoals parkeren.”
Dit betekent dat ook het gebruik van de tenten in strijd was met het bestemmingsplan.
6.6.
De slotsom is dat voldaan is aan alle criteria voor een bouwwerk in de zin van de Wabo, waaronder duurzaam ter plaatse laten functioneren. Daarbij is sprake van inbreuk met het bestemmingsplan zowel wat betreft de bouwregels als het gebruik van de tenten.
Dit betekent dat er geen vergunningsvrije activiteiten zijn en dat de heffingsambtenaar de leges dus kon heffen.
6.7.
Eiseres heeft ter zitting verklaard dat wanneer zij voor elke tent of aanvraag daarvan leges moet betalen, het werken haar onmogelijk wordt gemaakt.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag leges omgevingsvergunning in stand blijft.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, voorzitter, en mrs. C. Laukens en R.J.P. Ferwerda, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 13 september 2024.
de voorzitter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Griffier Voorzitter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Artikel 229 van de Gemeentewet.
HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3227, r.o. 2.2.3.
Bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2510.
Artikel 2.1.1.2. van Bijlage 1 bij de Verordening.