Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-22
ECLI:NL:RBROT:2024:8843
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,122 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682345 / JE RK 24-1488
Datum uitspraak: 22 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 juli 2024;
het e-mailbericht met bijlagen van de pleegouders van 19 augustus 2024;
het bericht met bijlage van mr. F. Pool van 20 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met mr. A.L. Witteveen, waarnemend voor mr. F. Pool;
- een drietal vertegenwoordigsters van de GI, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De vader en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de pleegouders juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 22 augustus 2023 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 1 september 2024. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 september 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan zorgen over de cognitieve beperking en het pedagogisch onvermogen van de moeder, die het moeilijk maken om aan te sluiten op de behoeften van [voornaam minderjarige] . De moeder wenst uiteindelijk weer zelfstandig voor [voornaam minderjarige] te kunnen zorgen. De GI vindt het echter niet in het belang van [voornaam minderjarige] om nog te werken aan een terugplaatsing bij de moeder. Het is noodzakelijk dat voor [voornaam minderjarige] duidelijk wordt waar hij zal opgroeien. Binnen het pleeggezin ontwikkelt hij zich positief. Wel bestaan er zorgen over de emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Op dit moment vinden de contactmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] op het kantoor van de GI plaats. Na de contactmomenten vertoont [voornaam minderjarige] zorgelijk gedrag en dat maakt het lastig om het contact met de moeder uit te breiden. Het NIKA-traject is niet van de grond gekomen. De moeder is lastig te sturen en moeilijk leerbaar. De komende periode zal worden onderzocht welke hulpverlening nodig is om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder te verbeteren en eventueel verder uit te breiden. De GI hoopt dat de moeder in de toekomst in staat is om het perspectief van [voornaam minderjarige] te accepteren, zodat [voornaam minderjarige] de emotionele toestemming van de moeder ervaart om in het pleeggezin te verblijven en kan worden gewerkt aan het verbeteren van de rol van de moeder op afstand.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling primair verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden en het overig verzochte aan te houden. Bij het verzoekschrift van de GI ontbreekt een toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in de zin van artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit advies is een juridisch vereiste en moet dus worden afgewacht. Door niet langer in te zetten op een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder, wordt daarnaast niet voldaan aan de grond voor een ondertoezichtstelling. Het is van belang dat de moeder een eerlijke kans krijgt, voordat er door de GI een perspectiefbesluit wordt genomen. Uit het persoonlijkheidsonderzoek van de moeder blijkt dat er geen sprake is van persoonlijke problematiek zoals trauma of problemen in de emotieregulatie. De aanname dat moeder door haar problematiek niet in staat is om in de behoeften van [voornaam minderjarige] te voorzien, blijkt daarom niet te kloppen. Het is van belang dat er door middel van een moeder-kindopname meer zicht ontstaat op de opvoedvaardigheden van de moeder. Eventueel is de Lariks in Zuidlaren hiervoor een optie. Hier is geen sprake van een lange wachtlijst. Gelet hierop wordt subsidiair verzocht een contra-expertise ex artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te laten verrichten.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] al geruime tijd in een pleeggezin verblijft. Er vindt een keer per vier weken een bezoekmoment tussen de moeder en [voornaam minderjarige] plaats. De kinderrechter begrijpt dat er voor moeder veel van deze contactmomenten afhangt en dat het voor haar lastig is om hier ontspannen naar toe te gaan. Mogelijk dat dit ook ervoor heeft gezorgd dat een omgangsmoment van de moeder met [voornaam minderjarige] op een locatie buiten (eind januari jl.) niet goed is verlopen. Na de contactmomenten met de moeder vertoont [voornaam minderjarige] nog altijd zorgelijk gedrag. Het is nog steeds onduidelijk waardoor dit gedrag veroorzaakt wordt. De uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek dat de moeder heeft laten verrichten en het onderzoek van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) dat op initiatief van de GI heeft plaatsgevonden, wijken af van elkaar. Dit zorgt voor onduidelijkheid. Betreffende deze onderzoeken stelt de kinderrechter daarbij ook vast dat elk van de onderzoeken - op een verschillende wijze - beperkingen kent. Ondertussen is [voornaam minderjarige] al geruime tijd uit huis geplaatst en raakt hij steeds meer gehecht aan de pleegouders. Bekeken moet (blijven) worden welke mogelijkheden er bestaan om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder op een passende wijze plaats te laten vinden en zo mogelijk uit te breiden. Hierbij geldt nog steeds dat het belang van [voornaam minderjarige] voorop staat.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, BW. Nu het toetsingsbesluit van de Raad ontbreekt en dit besluit nodig is om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen - mede gezien de wisselende uitkomsten van de persoonlijkheidsonderzoeken -, ziet de kinderrechter aanleiding om de maatregelen te verlengen voor een kortere periode dan is verzocht. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg daarom verlengen voor de duur van twee maanden en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.3.
De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. F. Pool) het toetsingsbesluit van de Raad toe te zenden en te rapporteren over de laatste ontwikkelingen en daarbij tevens aan te geven of het resterende verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 1 november 2024;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 november 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder, de vader, de pleegouders en mr. F. Pool in deze zaak zal plaatsvinden op 30 oktober 2024 om 14:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A. Verweij, kinderrechter;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en mr. F. Pool;
6.7.
gelast de oproeping van de vader als informant tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.8.
gelast de oproeping van de Raad voor de Kinderbescherming als informant in de zin van artikel 810 Rv tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.9.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. F. Pool) het toetsingsbesluit van de Raad en de verzochte (brief)rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2024 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M Buurman griffier en op schrift gesteld op 29 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682345 / JE RK 24-1488
Datum uitspraak: 22 augustus 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam pleegmoeder] en [naam pleegvader],
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 juli 2024;
het e-mailbericht met bijlagen van de pleegouders van 19 augustus 2024;
het bericht met bijlage van mr. F. Pool van 20 augustus 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met mr. A.L. Witteveen, waarnemend voor mr. F. Pool;
- een drietal vertegenwoordigsters van de GI, [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De vader en de pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de pleegouders juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 22 augustus 2023 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 1 september 2024. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 1 september 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een jaar.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan zorgen over de cognitieve beperking en het pedagogisch onvermogen van de moeder, die het moeilijk maken om aan te sluiten op de behoeften van [voornaam minderjarige] . De moeder wenst uiteindelijk weer zelfstandig voor [voornaam minderjarige] te kunnen zorgen. De GI vindt het echter niet in het belang van [voornaam minderjarige] om nog te werken aan een terugplaatsing bij de moeder. Het is noodzakelijk dat voor [voornaam minderjarige] duidelijk wordt waar hij zal opgroeien. Binnen het pleeggezin ontwikkelt hij zich positief. Wel bestaan er zorgen over de emotionele ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Op dit moment vinden de contactmomenten tussen de moeder en [voornaam minderjarige] op het kantoor van de GI plaats. Na de contactmomenten vertoont [voornaam minderjarige] zorgelijk gedrag en dat maakt het lastig om het contact met de moeder uit te breiden. Het NIKA-traject is niet van de grond gekomen. De moeder is lastig te sturen en moeilijk leerbaar. De komende periode zal worden onderzocht welke hulpverlening nodig is om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder te verbeteren en eventueel verder uit te breiden. De GI hoopt dat de moeder in de toekomst in staat is om het perspectief van [voornaam minderjarige] te accepteren, zodat [voornaam minderjarige] de emotionele toestemming van de moeder ervaart om in het pleeggezin te verblijven en kan worden gewerkt aan het verbeteren van de rol van de moeder op afstand.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling primair verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zes maanden en het overig verzochte aan te houden. Bij het verzoekschrift van de GI ontbreekt een toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in de zin van artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit advies is een juridisch vereiste en moet dus worden afgewacht. Door niet langer in te zetten op een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder, wordt daarnaast niet voldaan aan de grond voor een ondertoezichtstelling. Het is van belang dat de moeder een eerlijke kans krijgt, voordat er door de GI een perspectiefbesluit wordt genomen. Uit het persoonlijkheidsonderzoek van de moeder blijkt dat er geen sprake is van persoonlijke problematiek zoals trauma of problemen in de emotieregulatie. De aanname dat moeder door haar problematiek niet in staat is om in de behoeften van [voornaam minderjarige] te voorzien, blijkt daarom niet te kloppen. Het is van belang dat er door middel van een moeder-kindopname meer zicht ontstaat op de opvoedvaardigheden van de moeder. Eventueel is de Lariks in Zuidlaren hiervoor een optie. Hier is geen sprake van een lange wachtlijst. Gelet hierop wordt subsidiair verzocht een contra-expertise ex artikel 810a, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) te laten verrichten.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] al geruime tijd in een pleeggezin verblijft. Er vindt een keer per vier weken een bezoekmoment tussen de moeder en [voornaam minderjarige] plaats. De kinderrechter begrijpt dat er voor moeder veel van deze contactmomenten afhangt en dat het voor haar lastig is om hier ontspannen naar toe te gaan. Mogelijk dat dit ook ervoor heeft gezorgd dat een omgangsmoment van de moeder met [voornaam minderjarige] op een locatie buiten (eind januari jl.) niet goed is verlopen. Na de contactmomenten met de moeder vertoont [voornaam minderjarige] nog altijd zorgelijk gedrag. Het is nog steeds onduidelijk waardoor dit gedrag veroorzaakt wordt. De uitkomsten van het persoonlijkheidsonderzoek dat de moeder heeft laten verrichten en het onderzoek van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD) dat op initiatief van de GI heeft plaatsgevonden, wijken af van elkaar. Dit zorgt voor onduidelijkheid. Betreffende deze onderzoeken stelt de kinderrechter daarbij ook vast dat elk van de onderzoeken - op een verschillende wijze - beperkingen kent. Ondertussen is [voornaam minderjarige] al geruime tijd uit huis geplaatst en raakt hij steeds meer gehecht aan de pleegouders. Bekeken moet (blijven) worden welke mogelijkheden er bestaan om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de moeder op een passende wijze plaats te laten vinden en zo mogelijk uit te breiden. Hierbij geldt nog steeds dat het belang van [voornaam minderjarige] voorop staat.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, BW. Nu het toetsingsbesluit van de Raad ontbreekt en dit besluit nodig is om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen - mede gezien de wisselende uitkomsten van de persoonlijkheidsonderzoeken -, ziet de kinderrechter aanleiding om de maatregelen te verlengen voor een kortere periode dan is verzocht. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg daarom verlengen voor de duur van twee maanden en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.3.
De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. F. Pool) het toetsingsbesluit van de Raad toe te zenden en te rapporteren over de laatste ontwikkelingen en daarbij tevens aan te geven of het resterende verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 1 november 2024;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 november 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de moeder, de vader, de pleegouders en mr. F. Pool in deze zaak zal plaatsvinden op 30 oktober 2024 om 14:00 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100/125;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A. Verweij, kinderrechter;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en mr. F. Pool;
6.7.
gelast de oproeping van de vader als informant tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.8.
gelast de oproeping van de Raad voor de Kinderbescherming als informant in de zin van artikel 810 Rv tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.9.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. F. Pool) het toetsingsbesluit van de Raad en de verzochte (brief)rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2024 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M Buurman griffier en op schrift gesteld op 29 augustus 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.