Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-07
ECLI:NL:RBROT:2024:8808
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,078 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 7 augustus 2024
[verzoekster]
,
wonende op een bij de deurwaarder bekend geheim adres te [plaatsnaam],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 27 juni 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 28 juni 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 31 juli 2024.
Ter zitting van 31 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
de heer mr. B. El Ouath, advocaat van verzoekster;
mevrouw R. Belomazov en mevrouw P.K. Blom, werkzaam bij de Stichting Maasdelta Groep (hierna: verweerster);
de heer J.A. Wesdijk, werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V., namens verweerster.
De heer El Ouath heeft, namens verzoekster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De heer Wesdijk heeft, namens verweerster, voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank stukken toegezonden.
De heer El Ouath heeft, namens verzoekster, na de zitting op 1 augustus 2024 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 13 april 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster wil een oplossing voor haar schuldenproblematiek. Zij heeft daarom hulp gezocht bij JM Bewind B.V.. Verzoekster staat sinds 5 juli 2024 bij hen onder beschermingsbewind. De beschermingsbewindvoerder is bezig met het op orde brengen van haar (financiële) situatie. Verzoekster ontvangt op dit moment inkomsten uit huurtoeslag en uit kindgebondenbudget, daarmee heeft zij voldoende middelen om de lopende huurtermijnen te betalen. Dit volgt ook uit het budgetplan. Verzoekster betaalt bovendien de lopende huurtermijnen. Ook voldeed zij aan de afgesproken betaalregeling, maar toen deze werd verhoogd kon zij dat na een viertal betalingen niet meer opbrengen. Verzoekster erkent dat zij in 2022 in een moeilijke periode zat en toen niet klaar was voor een schuldhulpverleningstraject. Zij heeft er nu wel vertrouwen in dat zij een schuldhulpverleningstraject, mede met behulp van de beschermingsbewindvoerder, tot een goed einde kan brengen. Verzoekster heeft inmiddels een bijstandsuitkering aangevraagd. Ook heeft zij een drietal sollicitaties lopen. Ten aanzien van de gebreken in de woning geeft verzoekster aan dat zij sinds 2022 niemand heeft geweigerd. Er zijn wel degelijk monteurs binnen geweest, maar de gebreken zijn nog niet opgelost.
3Het verweer
Namens verweerster is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij probeert al sinds 2022 afspraken te maken met verzoekster. Die afspraken worden steeds niet nagekomen en alle trajecten die worden gestart mislukken. Zo heeft de toenmalige schuldhulpverlener zich eerder al onttrokken aan een schuldbemiddelingstraject, omdat verzoekster geen medewerking verschafte. Ook heeft verzoekster nadien een afspraak afgezegd met een nieuwe schuldhulpverlener. Verweerster heeft er geen vertrouwen in dat verzoekster haar verplichtingen nu wel zal nakomen. Zij heeft op dit moment ook geen inkomsten. Daarnaast wijst verweerster erop dat er gebreken in de woning zijn. Zij probeert die gebreken op te lossen. Verweerster krijgt hier echter niet de gelegenheid toe, omdat verzoekster daarin niet meewerkt. Zo weigert zij om monteurs binnen te laten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 13 april 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 14 juni 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 16 juli 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, samen met haar kinderen, in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 13 april 2022 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit het overgelegde budgetplan blijkt dat verzoekster thans voldoende inkomsten heeft om de lopende huurpenningen te voldoen. Zij heeft onder meer de huur over de maanden juni 2024 tot en met augustus 2024 voldaan. Verzoekster staat bovendien inmiddels onder beschermingsbewind. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 13 april 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster te [plaatsnaam], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 28 juni 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.