Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-16
ECLI:NL:RBROT:2024:8582
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,603 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/656214 / FA RK 23-2840
Beschikking van 16 augustus 2024 over verwijzing
in de zaak van:
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J. Oversluizen te Rotterdam,
t e g e n
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken te Breda.
1De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de tussenbeschikking van 9 april 2024;
het bericht van de vrouw, inhoudende een verwijzingsverzoek, met bijlage van 18 juli 2024;
het bericht van de man met bijlagen van 20 juli 2024;
het bericht van de vrouw van 23 juli 2024.
1.2.
De rechtbank neemt een beslissing op basis van de stukken.
2De verdere beoordeling
2.1.
Beschikking 9 april 2024
2.1.1.
Bij tussenbeschikking heeft de rechtbank de man vervangende toestemming verleend om de minderjarige, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , te erkennen en een voorlopige omgangsregeling en informatieregeling bepaald. De raad is verzocht om onderzoek te doen naar het gezag en de omgangsregeling. De beslissing op die punten is pro forma aangehouden tot 1 november 2024, in afwachting van de resultaten van het onderzoek.
2.2.
Verzoek om verwijzing
2.2.1.
Bij bericht van 18 juli 2024 heeft de vrouw de rechtbank laten weten dat zij op 8 mei 2024 is verhuisd naar een geheim adres in [plaats] . Onder verwijzing naar artikel 265 Rv verzoekt de vrouw de rechtbank om de zaak te verwijzen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda en om de raad in Breda opdracht te geven het onderzoek op te starten. Volgens de vrouw is het raadsonderzoek nog niet gestart.
2.2.2.
De man stemt niet in met het verzoek tot verwijzing. Uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2024 blijkt volgens de man dat het verweer 265 Rv is afgewezen. De man stelt dat verwijzing de procedure (wederom) onnodig zal vertragen.
2.2.3.
Bij bericht van 23 juli 2024 heeft de vrouw herhaald dat het raadsonderzoek nog niet is gestart en verwijzing naar de rechtbank Breda geen vertraging in de procedure zal brengen.
2.2.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. De hoofdregel in verzoekschriftprocedures als deze is dat de rechter van de woonplaats van de minderjarige dan wel het werkelijk verblijf van de minderjarige op grond van artikel 265 Rv bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek. Niet ter discussie staat dat op het moment dat de man het verzoekschrift indiende (23 april 2023), de vrouw en de minderjarige in Rotterdam woonden en dat de rechtbank bevoegd was om kennis te nemen van het verzoek. De vraag is of een wijziging van de woonplaats of het werkelijk verblijf gedurende een procedure betekent dat de oorspronkelijke rechtbank niet langer bevoegd is. De rechtbank oordeelt van niet. De rechtbank baseert dit oordeel op een uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2023 (ECLI:HR:2023:316). Die uitspraak gaat weliswaar over een verzoek in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) maar ook over de relatieve bevoegdheid en de mogelijkheid van verwijzing op grond van artikel 270 Rv. Relatief bevoegd op grond van artikel 1:6 Wvggz is de rechter van de woonplaats of het werkelijk verblijf van betrokkene. De Hoge Raad oordeelt in rechtsoverweging 3.2.3: “Daarbij is het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend. In het geval dat de betrokkene na de indiening van het verzoekschrift zijn woonplaats of de plaats waar hij hoofdzakelijk of daadwerkelijk verblijft, heeft verplaatst naar een ander arrondissement, kan de rechter, zo nodig ambtshalve, de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, verwijzen naar de rechter van dat arrondissement. Verwijzing moet op een zodanig tijdstip plaatsvinden dat de bij wet voor de beslissing van de rechter gestelde termijn kan worden gehaald. Overeenkomstig art. 270 lid 3 Rv is tegen de beslissing om de zaak naar een andere rechter te verwijzen geen hogere voorziening toegelaten.”
De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat het tijdstip van indiening van het verzoek bepalend is voor de vraag welke rechtbank bevoegd is en dat een verwijzing kán plaatsvinden, maar niet moet. Dat de datum van indiening van het verzoek leidend is komt de rechtbank ook logisch voor. Anders zouden partijen, door (meermaals) te verhuizen, de procedure kunnen vertragen. Op grond van artikel 20 Rv dient de rechter te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure.
2.2.5.
De volgende vraag is of de rechtbank in deze zaak aanleiding ziet om de zaak alsnog te verwijzen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding. De mondelinge behandeling heeft al plaatsgevonden, de raad is verzocht om onderzoek of andere bemoeienis en de procedure is in afwachting daarvan aangehouden. Onduidelijk is wat een verwijzing naar de rechtbank Breda voor de startdatum van het onderzoek door de raad zou betekenen. Dat het raadonderzoek nog niet is gestart en verwijzing naar de rechtbank Breda niet tot vertraging zal leiden zoals de vrouw stelt, blijkt nergens uit. De vrouw heeft ook niet nader onderbouwd waarom de rechtbank wel zou moeten verwijzen anders dan op grond van artikel 265 Rv.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
wijst de verwijzingsverzoeken van de vrouw af;
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Raphael, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. Veldthuis, griffier, op 16 augustus 2024.