Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-30
ECLI:NL:RBROT:2024:8310
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,677 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5296
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Capelle aan den IJssel, eiseres
(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en
Dienst Toeslagen
(gemachtigden: mr. M. Burghout en mr. I. Kayhan).
Procesverloop
Met het besluit van 25 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toekenning van een forfaitair bedrag van € 30.000,- op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 28 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 25 april 2021 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 26 juni 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Overwegingen
1. Op 21 januari 2021 heeft eiseres een aanvraag gedaan om compensatie voor schade door institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem van de kinderopvangtoeslag op grond van artikel 2.1 van de Wht.
2. De Dienst Toeslagen heeft ten aanzien van de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013 tot en met 2016 vastgesteld dat de wijzigingen in de hoogte van het recht op kinderopvangtoeslag van eiseres het gevolg waren van wijzigingen van het toetsingsinkomen of het aantal opvanguren, of van stopzettingen die eiseres zelf had doorgegeven. In andere jaren heeft eiseres geen kinderopvangtoeslag aangevraagd. De Dienst Toeslagen heeft daarom vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel en dus ook niet voor een forfaitair bedrag van € 30.000,-.
3. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ook het toeslagjaar 2017 bij de beoordeling had moeten betrekken. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de partner van eiseres ook een aanvraag om compensatie gedaan. De Dienst Toeslagen had deze aanvraag moeten betrekken bij de beoordeling van het bezwaar van eiseres. De aanvraag van eiseres heeft zij mede namens haar partner ingediend, althans namens de huwelijkse gemeenschap. De Dienst Toeslagen zou niet alleen de toeslagjaren van de eerste aanvrager binnen een gezin moeten onderzoeken, omdat ouders vaak niet meer weten wie in welk jaar een aanvraag heeft ingediend en het ook niet vooraf bekend is in welke jaren de Dienst Toeslagen fouten heeft gemaakt.
4. De Dienst Toeslagen kent ambtshalve een forfaitair bedrag van € 30.000,- toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel. Een herstelmaatregel is onder andere de toekenning van compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag van € 30.000,-. De rechtbank licht dat hierna toe.
5.1.
Eiseres heeft in 2017 geen kinderopvangtoeslag aangevraagd, zodat zij reeds om die reden ten aanzien van dat toeslagjaar geen recht heeft op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht. Uit het dossier blijkt niet dat eiseres in aanmerking komt voor een van de andere herstelmaatregelen die zijn genoemd in artikel 2.7, vierde lid, van de Wht.
5.2.
Uit de schriftelijke vastlegging van de telefonische aanvraag van eiseres op 21 januari 2021 volgt niet dat zij die aanvraag mede namens haar partner of de huwelijkse gemeenschap heeft gedaan. Het valt te betreuren dat het voor eiseres en haar partner kennelijk niet duidelijk was dat zij elk apart een aanvraag om compensatie moesten indienen. De Dienst Toeslagen was echter niet verplicht om naar aanleiding van de aanvraag van eiseres ook te onderzoeken of haar partner recht had op compensatie. De zaaksbehandelaar van eiseres heeft niettemin op 30 juni 2022 de gemachtigde van eiseres laten weten dat de partner van eiseres waarschijnlijk wel als gedupeerde kan worden aangemerkt en verzocht hem te vragen een aanvraag in te dienen. Dat heeft de partner van eiseres vervolgens ook gedaan. De besluitvorming over de aanvraag van de partner van eiseres staat los van de besluitvorming over die van eiseres. De Dienst Toeslagen was daarom niet verplicht de aanvraag van de partner van eiseres te betrekken bij de heroverweging van het besluit op de aanvraag van eiseres.
5.3.
Anders dan eiseres stelt, onderzoekt de Dienst Toeslagen niet alleen de toeslagjaren van de eerste aanvrager binnen een gezin. De Dienst Toeslagen beoordeelt ten aanzien van iedere aanvrager of hij of zij in aanmerking komt voor een herstelmaatregel. Dit blijkt ook uit de gang van zaken ten aanzien van de aanvraag van de partner van eiseres: hij heeft als tweede binnen het gezin een aanvraag gedaan en de Dienst Toeslagen heeft aan hem een forfaitair bedrag van € 30.000,- toegekend.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op een forfaitair bedrag van € 30.000,-.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van G.J. Machwirth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2024.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 2.7, eerste lid en vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Deze bepalingen zijn met terugwerkende kracht van toepassing op het bestreden besluit op grond van artikel 8.6 en 9.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wht.