Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-13
ECLI:NL:RBROT:2024:8265
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,021 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/680169 / JE RK 24-1110
Datum uitspraak: 13 juni 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
,
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam 2]
, hierna te noemen de vader;
[naam 3]
en [naam 4], hierna te noemen de grootouders moederszijde (mz).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 6 juni 2024 (ontvangen op die datum) mee in haar beoordeling.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juni 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de grootouders mz;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 5] ;
- twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, [naam 6] en [naam 7] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [naam 8] , ingeschreven onder het zaaknummer: C/10/680092 / JE RK 24-1099. In deze zaken is apart beschikking gegeven.
Feiten
2.1.
Het ouderlijk gezag over het ongeboren kind zal in beginsel vanaf de dag van de geboorte van rechtswege worden uitgeoefend door de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De Raad heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er zijn zorgen over de opvoedingsomgeving van het ongeboren kind en de relatie tussen de ouders. Er is sprake van veel onrust binnen het familiesysteem. Het is van belang dat beide ouders gaan werken aan hun eigen problematiek. In de afgelopen periode is de moeder wisselend geweest in het accepteren en het aangaan van de hulpverlening. Het vrijwillig kader is daarom niet toereikend.
4.2.
De GI heeft zich tijdens de mondelinge behandeling aangesloten bij het verzoek van de Raad. Er is sprake van een complex gezinssysteem, waarbij sprake is van onrust, soms agressie en verbaal geweld tussen gezinsleden. Het is van belang om daarvoor passende hulpverlening in te zetten en zicht te houden op de ontwikkeling van het nog ongeboren kind.
4.3.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Wel is zij van mening dat deze zitting voorkomen had kunnen worden als er eerder hulp was ingezet. De grootmoeder mz heeft heel vaak de politie gebeld, maar er wordt niets gedaan. Verder staat de moeder open voor hulpverlening, maar daar moet wel goed naar gekeken worden. De moeder wil niet met allerlei verschillende hulpverleners in gesprek. Daarnaast is een goede samenwerking belangrijk.
4.4.
De grootouders mz hebben tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De grootouders vragen al lange tijd om hulp. Het had niet zover hoeven komen als er eerder was ingegrepen. De grootouders betreuren het dat de politie niets doet.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.
5.2.
Gebleken is dat het ongeboren kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het ongeboren kind is het derde kind van een nog jonge moeder die met haar kinderen bij haar ouders inwoont. Er is al lange tijd sprake van veel onrust in de opvoedingsomgeving waarin ook het ongeboren kind terecht zal komen. Tussen de ouders is sprake van een spanningsvolle relatie, waarbij regelmatig escalaties plaatsvinden in of net buiten de woning van de grootouders. Ook binnen het familienetwerk zijn spanningen. De grootouders en de broer van de moeder willen de moeder beschermen tegen de vader, waardoor er regelmatig onderlinge ruzies zijn. Daarnaast zijn er zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. In de periode dat zij bij Antes verbleef had zij suïcidale gedachten en beschadigde zij zichzelf.
5.3.
In de afgelopen periode is hulpverlening binnen het vrijwillig kader onvoldoende van de grond gekomen. De moeder lijkt zich onvoldoende bewust te zijn van de impact van de gebeurtenissen en de situatie rondom de vader op het ongeboren kind. Daarnaast komt de moeder niet altijd de afspraken met de hulpverlening na.
5.1.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer in het kader van een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het is van belang dat er zicht komt op de opvoedingsomgeving en de ontwikkeling van het ongeboren kind (en zijn broertje) en dat er passende hulpverlening voor de ouders en het netwerk wordt ingezet. De vader zal altijd de vader van het ongeboren kind blijven en het is van belang om een vorm te vinden waarbij het ongeboren kind contact kan hebben met de vader, maar dat er ook rust is voor alle betrokkenen. De kinderrechter zal daarom het ongeboren kind onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 13 juni 2024 tot 13 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2024 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. W.A. Graven als griffier, en op schrift gesteld op 5 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.