Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-26
ECLI:NL:RBROT:2024:8153
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,806 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1757
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een scholingsvoucher (afwijzingsbesluit).
1.2.
Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Waarbij uitgegaan wordt van de Subsidieregeling Scholingsfonds Rotterdam 2021 (SSR 2021).
1.3.
Het college heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 30 juli 2024 het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college samen met mr. W. Breure deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college terecht en op goede gronden eisers aanvraag voor een scholingsvoucher heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen.
5. De rechtbank leidt uit het beroepschrift, het bestreden besluit en het verweerschrift af dat eiser in verband met zijn hbo-studie fiscaal recht en economie op 17 augustus 2021 om een scholingsvoucher voor het schooljaar 2021/2022 heeft verzocht en dat eisers werkcoach bij de gemeente Rotterdam dit verzoek in een e-mailbericht van 9 september 2021 heeft afgewezen (afwijzingsbesluit). Vervolgens is eiser op 30 januari 2023 tegen het afwijzingsbesluit bij deze rechtbank in beroep gegaan. De rechtbank heeft dit beroepschrift als een bezwaarschrift naar het college doorgezonden. De behandeling van dat bezwaar heeft uiteindelijk tot het bestreden besluit geleid. De rechtbank begrijpt dat beide partijen van deze feiten uitgaan, dat het college het afwijzingsbesluit ook voor haar rekening heeft genomen en dat het college eiser geen termijnoverschrijding in bezwaar tegenwerpt. De rechtbank zal deze feiten en omstandigheden dan ook als uitgangspunt hanteren.
Heeft het college eisers aanvraag voor een scholingsvoucher terecht en op goede gronden afgewezen?
6.1.
Het college heeft eisers aanvraag voor een studievoucher afgewezen, omdat eiser geen leerwerktraject gaat doen, geen baangarantie heeft, het niet om een Associate degree opleiding gaat en eiser al geruime tijd geleden met zijn opleiding is begonnen, te weten 2019.
6.2.
Op basis van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet een bestuursorgaan op grondslag van de ingediende aanvraag beslissen. De rechtbank verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3019.
6.3.
Eiser heeft volgens de werkcoach van de gemeente Rotterdam, [naam], ten aanzien van zijn aanvraag meegedeeld dat het om een hbo-opleiding gaat en dat het geen leer-werktraject of Associate degree opleiding is. Verder dat hij geen baangarantie heeft. Gelet hierop voldoet eisers aanvraag niet aan het vereiste uit artikel 5 van Subsidieregeling Scholingsfonds Rotterdam 2021 dat het om een hbo-opleiding moet gaan met een leer-werktraject (duale hbo-opleiding) of met een baangarantie. Op basis van eisers aanvraag, heeft het college de aanvraag terecht afgewezen.
6.5.
Eisers betoog in onderhavige procedure dat zijn hbo-opleiding wel een leer-werktraject is gelet op de minimaal verplichte aantal praktijkuren (stage van 640 uur), heeft eiser niet aannemelijk gemaakt of met stukken onderbouwd. Daar komt bij dat eiser tijdens de zitting heeft verklaard dat hij voor deze stage een stageovereenkomst heeft gesloten en dat hij daarvoor geen loon heeft ontvangen. Eiseres betoog slaagt daarom niet.
6.6.
Eisers betoog in onderhavige procedure dat het wel om een hbo-opleiding met baangarantie gaat, heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt of met stukken onderbouwd. Dit lag op zijn weg zoals ook uit de toelichting van de Subsidieregeling volgt. Dat het bezitten van het door eiser gewenste diploma een grote kans op een baan zou kunnen bieden, maakt niet dat er van een baangarantie kan worden gesproken. Ook dat betoog slaagt niet.
6.7.
Eisers betoog dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, slaagt evenmin. Eiser heeft niet gemotiveerd gesteld of onderbouwd dat het college in een met zijn situatie te vergelijken andere situatie wel een scholingsvoucher heeft toegekend.
6.8.
Eisers verwijzing naar het optreden van de burgemeester van Rotterdam bij het tv-programma Buitenhof leidt niet tot de conclusie dat het college eiser een scholingsvoucher had moeten toekennen. Het onderdeel van dit optreden waarnaar eiser specifiek heeft verwezen gaat over economische groei, werkgelegenheid, bijscholing in het kader in energietransitie en investeringen van de rijksoverheid in de regio Rotterdam. Eiser heeft niet uitgelegd op welke manier dit optreden ertoe zou moeten leiden dat het college hem een scholingsvoucher voor een opleiding fiscaal recht en economie had moeten toekennen.
6.9.
Verder heeft eiser tijdens de zitting bevestigd dat het om een meerjarige opleiding gaat en dat hij voor de eerdere jaren van deze opleiding geen scholingsvoucher heeft aangevraagd. Ook op dit punt is eisers aanvraag dus terecht afgewezen. Dit wordt niet anders door eisers betoog dat het college tekort is geschoten, omdat zij hem actiever over de mogelijkheid van een scholingsvoucher had moeten informeren. Zoals het college tijdens de zitting terecht naar voren heeft gebracht, had van eiser mogen worden verwacht dat hij in de eerdere jaren van zijn opleiding op wat voor manier dan ook kenbaar had gemaakt dat hij financiële ondersteuning nodig had. Niet is gebleken dat eiser dit gedaan heeft.
Moet het college eiser een schadevergoeding betalen?
7.1.
Eiser verzoekt om een schadevergoeding van € 12.500,- in verband met het mislopen van scholingsvouchers in de periode 2019 tot en met 2023 en van € 800,- aan immateriële schade.
7.2.
Op basis van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht komt schade alleen voor vergoeding in aanmerking als die schade het gevolg is van een onrechtmatig besluit, een onrechtmatige voorbereidingshandeling, het niet tijdig nemen van een besluit of een ambtenaar rechtelijk besluit. Het college heeft het bestaan van een dergelijk besluit of handeling betwist en daarvan is de rechtbank ook niets gebleken. De rechtbank wijst eisers schadevergoedingsverzoek daarom af.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college eiser niet alsnog een scholingsvoucher hoeft toe te kennen. Eiser komt daarom ook niet in aanmerking voor een vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr.P.F.H.M. Terstegge, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.
Subsidieregeling Scholingsfonds Rotterdam 2021
Artikel 5 Kosten die voor subsidie in aanmerking komen
De subsidie heeft alleen betrekking op de kosten van nog te volgen scholing en de kosten van boeken en overige voor de betreffende scholing verplichte leermiddelen, inclusief btw.
De kosten komen voor subsidie in aanmerking als de scholing voldoet aan de volgende eisen:
a. het betreft scholing tot en met MBO-niveau 4, of, vanaf 1 augustus 2021:
1°. scholing op hbo-niveau met een leer-werktraject dan wel een baangarantie; of
2°. een Associate degree opleiding;
b. de scholing sluit aan op de vraag naar werk in een kansrijke sector of valt buiten de kansrijke sectoren, maar heeft een aantoonbare baangarantie; en
(…)
(…)
Niet voor subsidiëring in aanmerking komen:
a. de kosten die door aanvrager zijn gemaakt voor scholing die hij reeds volgt of heeft gevolgd vóór de indiening van de aanvraag;
(…)
(…)
Artikel 9 Aanvraagtermijnen
(…)
5. Als een aanvrager al eerder een scholingsvoucher heeft ontvangen voor een leerjaar van meerjarige scholing, kan de aanvrager vanaf het eind van dat leerjaar een aanvraag doen voor het volgende leerjaar van die scholing voor het maximale bedrag van € 2500.