Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-21
ECLI:NL:RBROT:2024:8052
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,421 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/680046 / HA ZA 24-477
Vonnis in incident van 21 augustus 2024
in de zaak van
ERA ROCHUSSENSTRAAT C.V.,
gevestigd te Leiden,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. D.A.J. Sturhoofd te Amsterdam,
tegen
READYFORLIVING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. A.P. Maes te Apeldoorn.
Partijen zullen hierna Era en RFL genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding tevens houdende incidentele vordering op grond van art. 843a Rv strekkende tot afschrift dan wel inzage van bescheiden, met 12 producties;
de incidentele conclusie van antwoord, met 1 productie.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald in het incident.
2De hoofdzaak
2.1.
Era vordert in de hoofdzaak een verklaring voor recht dat RFL toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen uit hoofde van een koopovereenkomst tussen Era en RFL en dat RFL als gevolg daarvan aansprakelijk is. Era vordert een (schade)vergoeding van € 300.000,-, te vermeerderen met rente en kosten. In de koopovereenkomst heeft Era een kantoorgebouw op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] te Rotterdam met een omgevingsvergunning van de gemeente Rotterdam
verkocht aan RFL ten behoeve van de bouw van 97 kleine appartementen. Het plan was om tevens twaalf grotere appartementen te ontwikkelen (Fase 2). Voor Fase 2 zou RFL een omgevingsvergunning aanvragen bij de gemeente Rotterdam. Na afgifte van een bruikbare
omgevingsvergunning voor Fase 2, zou Era aanspraak kunnen maken op een (na)betaling van € 300.000.Volgens Era heeft RFL zich onvoldoende ingespannen om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor Fase 2. Daarnaast is RFL niet overgegaan tot afsplitsing van het gedeelte van het gebouw ten behoeve van Fase 2.
2.2.
RFL heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd.
Beoordeling
3.1.
Era vordert in incident afschrift van, dan wel subsidiair inzage in alle bescheiden die betrekking hebben op de tussen RFL enerzijds en de gemeente Rotterdam anderzijds gevoerde communicatie, aanvra(a)g(en) omgevingsvergunning(en) daaronder begrepen, in de periode juli 2020 t/m eind november 2023 (hierna ook: de bescheiden), op straffe van een dwangsom van € 20.000,- voor iedere dag, dan wel een gedeelte daarvan, dat RFL niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van RFL in de kosten van het incident.
3.2.
RFL concludeert tot afwijzing. Zij bestrijdt dat zij tekortgekomen kan zijn in de nakoming van uit een rechtsbetrekking voortvloeiende verbintenissen en daarmee dat Era een rechtmatig belang heeft bij de afgifte van de gevorderde bescheiden. Daarom heeft RFL een gewichtige reden om niet te hoeven voldoen aan het gevorderde. In het voorkomende en onverhoopte geval dat de rechtbank hierover anders oordeelt, is RFL bereid de haar ter beschikking staande documenten ter kennisname te verstrekken. RFL bestrijdt ook de gevorderde dwangsommen.
3.3.
Artikel 843a Rv houdt in dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage of afschrift kan vorderen van bescheiden aangaande de rechtsbetrekking waarin hij partij is. Era heeft belang bij de gevorderde bescheiden, nu deze zien op het geschilpunt over het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor Fase 2. De rechtbank constateert dat RFL nog niet inhoudelijk voor antwoord heeft geconcludeerd en dat RFL zich zal hebben te verweren tegen onder meer de stelling van Era dat RFL zich onvoldoende heeft ingespannen om een omgevingsvergunning voor Fase 2 te verkrijgen. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat RFL haar verweer zal onderbouwen met de haar ter beschikking staande correspondentie met de gemeente Rotterdam over de aanvraag van die omgevingsvergunning. Daarom ligt het in de rede om aan te nemen dat daarmee de correspondentie in het geding wordt gebracht waarvan Era in dit incident afschrift dan wel inzage vordert.
3.4.
Het komt de rechtbank praktisch voor om daarom, en gelet op de mededeling van RFL dat zij uiteindelijk wel bereid is de correspondentie met de gemeente Rotterdam over te leggen, de beslissing in het incident aan te houden en de hoofzaak naar de rol te verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord. De rechtbank zal daarna in beginsel een mondelinge behandeling bepalen in de hoofdzaak en in het incident, waarbij op de zitting aan de orde zal komen in hoeverre een beslissing in het incident nog nodig is, gelet op de dan overgelegde stukken.
Dictum
De rechtbank
in het incident
4.1.
houdt iedere beslissing aan,
in de hoofdzaak
4.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 oktober 2024 voor conclusie van antwoord,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
3246/3266/2819