Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-12
ECLI:NL:RBROT:2024:6727
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,045 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 juni 2024
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 13 maart 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
[schuldeiser 1], in behandeling bij Faircasso;
[schuldeiser 2], in behandeling bij Gerechtsdeurwaarderskantoor Willems B.V..
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Gerechtsdeurwaarderskantoor Willems B.V. heeft namens [schuldeiser 2] voorafgaand aan de zitting op 4 juni 2024 een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 5 juni 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
P.S. Kootstra, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening);
W.A. Balgobind, werkzaam bij Fresh Start Bewindvoering (hierna te noemen beschermingsbewindvoerder).
De schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan één preferente en zestien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 32.910,12 van verzoekster te vorderen.
Verzoekster heeft bij brief van 10 oktober 2023 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 5,98% aan de preferente schuldeisers en 2,99% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt gemiddeld 36 uur per maand en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar beschermingsbewindvoerder voldaan.
Vijftien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] Stemmen hier niet mee in. Zij hebben in totaal een vordering van € 8.227,10 op verzoekster.
3Het verweer
[schuldeiser 1]
In de contacten met schuldhulpverlening heeft Faircasso namens [schuldeiser 1] te kennen gegeven niet akkoord te gaan met het betalingsvoorstel. Zij stelt voor dat verzoekster het gehuurde retour kan sturen om de aankoopfactuur te verlagen. Als verzoekster het gehuurde niet meer kan retourneren, staat [schuldeiser 1] open voor een betalingsregeling.
[schuldeiser 2]
In haar verweerschrift heeft Gerechtsdeurwaarderskantoor Willems B.V. namens [schuldeiser 2] zich op het standpunt gesteld dat zij verzoekster hebben gedagvaard. Deze zaak loopt nog bij de rechtbank waardoor de uiteindelijke vordering onduidelijk is. Hierdoor kan [schuldeiser 2] het betalingsvoorstel van verzoekster niet in behandeling nemen. Daarnaast verklaart [schuldeiser 2] dat verzoekster gebruik heeft gemaakt van het voertuig en het meer dan redelijk is om deze kosten vergoed te krijgen. Voorts zou het aanbod niet in verhouding staan met de totale schuldvordering en de looptijd van de aangeboden schuldregeling. [schuldeiser 2] stelt dat er door een verlenging van de aflossingsperiode een resultaat voor de schuldeisers behaald kan worden.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 25% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.
Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van haar dienstverband. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster een variabele werkmaand heeft van gemiddeld 36 uur, met maandelijkse fluctuaties. Dit resulteert in een wisselend inkomen. Naast haar flexibele uren werkt ze ook regelmatig nachtdiensten, wat kan leiden tot een hoger inkomen en dus een toename van haar afloscapaciteit. Tevens is verzoekster van plan om een opleiding te volgen om voor NS International te gaan werken, wat zal kunnen leiden tot een hoger salaris. Gezien deze potentiële stijging van haar inkomsten is de rechtbank van mening dat een saneringskrediet niet het meest geschikte middel is, aangezien deze toekomstige inkomstenverhoging niet in ogenschouw is genomen.
De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoekster blijvend is en niet zal stijgen.
Bovendien is in de vtlb-berekening een correctie opgenomen voor de zorgpremie van verzoekster. Uit de salarisspecificaties van verzoekster blijkt dat de zorgpremie al via de werkgever wordt voldaan. Indien de correctie niet wordt toegepast, is sprake van een aanzienlijk hogere afloscapaciteit.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] als weigerende schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.