Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-13
ECLI:NL:RBROT:2024:6604
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,465 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 13 juni 2024
[verzoekster]
,
[adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 6 juni 2024.
Daarbij zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw A. Goedhart, werkzaam bij Van den Bosse Bewindvoering B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
Toelating tot de schuldsaneringsregeling
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verzoekster verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Er is geen, althans onvoldoende grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. Verzoekster zal daarom worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Verzoek tot vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de Wsnp-regeling
Ten aanzien van het verzoek tot het aannemen van een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling nu in het minnelijk traject reeds is afgedragen overweegt de rechtbank als volgt. Door verzoekster is verzocht om de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast te stellen op 4 september 2023. In het verzoekschrift is aangegeven dat er vanaf 4 september 2023 is afgelost. Ter zitting is gebleken dat verzoekster tot 2023 een opleiding heeft gevolgd en inmiddels werkzaam is op een werkervaringsplek. De stage op haar werkervaringsplek duurt tot 1 augustus 2024, aldus verzoekster.
De rechtbank moet bij het verzoek tot vaststellen van een eerdere ingangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling beoordelen of er in het minnelijk traject zoveel mogelijk is voldaan aan de eisen die gelden in het wettelijke Wsnp-traject. In het minnelijke traject moeten de verplichtingen die gelden in het Wsnp-traject dan zo veel mogelijk al zijn nagekomen. Dit brengt mee dat in het minnelijke traject ook moet zijn voldaan aan de inspanningsplicht, die inhoudt dat iemand fulltime moet werken dan wel in voldoende mate moet solliciteren. Voor verzoekster geldt dat er geen sprake was van een ontheffing van de sollicitatieplicht. Nu verzoekster een opleiding heeft gevolgd en werkt op een werkervaringsplek met behoud van haar PW-uitkering is niet voldaan aan de inspanningsplicht en kan de rechtbank niet vaststellen dat verzoekster het maximaal haalbare heeft gedaan om haar schulden aan de schuldeisers af te lossen. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot het bepalen van een eerdere aanvangsdatum van de wettelijke schuldsaneringsregeling af en stelt de ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling vast op 13 juni 2024. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verzoekster in elk geval vanaf 1 augustus 2024 (en niet later) aan haar inspanningsplicht zal voldoen.
Bevoegdheid rechtbank
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt per de datum van dit vonnis de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
,
geboren op [geboortedatum] -1998 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ;
- stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf 13 juni 2024 waardoor deze termijn eindigt op 13 december 2024;
- bepaalt dat vanaf de datum van dit vonnis:
de inspanningsverplichting en de sollicitatieverplichting nog gedurende achttien maanden van toepassing blijft;
de afdrachtverplichting van inkomsten boven het vrij te laten bedrag nog gedurende achttien maanden van toepassing blijft;
de overige verplichtingen onverkort van toepassing blijven;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen
en tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel,
gevestigd te Postbus 81145,
3009 GC Rotterdam;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van C.D. Jonker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.