Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-11
ECLI:NL:RBROT:2024:6448
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,520 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 71/041139-22
Datum uitspraak: 11 juli 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 2 augustus 2023, 4 oktober 2023, 14 december 2023, 12 maart 2024, 15 mei 2024 en 27 juni 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Procesafspraken
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, en de officieren van justitie, mrs. G. Rip en J. Patist (hierna gezamenlijk aangeduid met: de officier van justitie), hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. Tijdens het onderzoek op de zitting van 27 juni 2024 zijn de gemaakte afspraken uitvoerig met de verdachte en zijn raadsman besproken. Daarbij was een belangrijk element of de verdachte begreep wat de gemaakte afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak konden hebben. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) centraal, meer in het bijzonder de vragen naar het bewijs en de straf.
Ook in dit vonnis staan de overwegingen over de artikelen 348 en 350 Sv voorop. Bij de bepaling van de straf en de motivering daarvan is natuurlijk ook aandacht voor de gemaakte procesafspraken. Bij de strafoplegging hebben deze een rol gespeeld.
Voor zover van belang zijn de procesafspraken als volgt. De officier van justitie zal bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 primair tenlastegelegde feiten vorderen en voor die feiten de oplegging van een gevangenisstraf van acht jaren en een geldboete van € 200.000 eisen. De raadsman zal geen bewijs- of ontvankelijkheidsverweren voeren. De raadsman zal reeds gedane onderzoekswensen intrekken en geen nieuwe onderzoekswensen formuleren.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 27 juni 2024 is de verdachte uitdrukkelijk ondervraagd over de procesafspraken die hij en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. Daarbij is aan de orde geweest of hij zich bewust is van de inhoud van de procesafspraken en of de verdachte vrijwillig daarmee heeft ingestemd. Ook zijn de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken voor de verdachte en zijn rechtspositie concreet aan de orde geweest.
De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij vrijwillig en goed geïnformeerd door zijn raadsman heeft ingestemd met de procesafspraken en dat hij daarbij ook blijft. Tijdens de bespreking van de ten laste gelegde feiten is de verdachte uitdrukkelijk uitgenodigd daarover zijn standpunt kenbaar te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte weloverwogen en vrijwillig tot de
procesafspraken is gekomen en zich bewust is geweest van de inhoud, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.
4Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van de invoer van 259 kilo (feit 1) en 4x20 kilo (feit 3) cocaïne in Nederland, het afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van 350 en 400 (in totaal 750) kilo cocaïne (feit 4) en het voorbereiden van invoer en vervoer van ongeveer 300 blokken cocaïne (feit 2).
5Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft geen verweren gevoerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
1. zaak Koffie)
op 3 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 259 kilo
cocaïne, een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. ( zaak Voorbereidingshandelingen)
in de periode van 31 augustus 2020 tot en met 6 september 2020 in Nederland en/of vanuit Montenegro/Servië/Albanië, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
immers heeft verdachte samen met zijn mededaders telkens via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot het transporteren van ongeveer 300 blokken cocaïne in containers vanuit Brazilië naar Rotterdam (eindbestemming Sint Petersburg in Rusland) en naar Antwerpen (via de Westerschelde);
3. ( zaak Twintig)
in de periode van 2 mei 2020 tot en met 18 mei 2020 in Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in containers met nummers [containernummer 1] en [containernummer 2] en [containernummer 3] en [containernummer 4] ) een hoeveelheid van telkens ongeveer 20 kilogram cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet wet behorende lijst 1;
4.
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2020 in Brazilië en te Le Havre, en te Valencia, en op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en in België en/of vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Le Havre, Franrijk)
en
- ongeveer 400 kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Valencia, Spanje)
een middel als bedoeld in bij de in de Opiumwet behorende lijst 1.
Bewijsmotivering
In de opsporingsonderzoeken die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaarde feiten 1 en 3 (voor wat betreft de containers [containernummer 2] en [containernummer 4] ) zijn de bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne daadwerkelijk door de opsporingsdiensten in door de verdachte en zijn medeverdachten gebruikte containers aangetroffen. In de opsporingsonderzoeken die hebben geleid tot de bewezenverklaarde feiten 2, 3 (voor wat betreft de containers [containernummer 1] en [containernummer 3] ) en 4 is geen cocaïne aangetroffen. Het bewijs dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd volgt uit chatberichten die via SkyECC zijn verstuurd en waaraan de verdachte heeft deelgenomen. In die chatberichten wordt (onder andere) gesproken over ‘blokken’ en ‘stuks’ en worden foto’s verstuurd van in (zwart) plastic gewikkelde witte blokken en van (compartimenten van) containers.
Feiten
7Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken een gevangenisstraf geëist van acht jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en uitleveringsdetentie, alsmede een geldboete van € 200.000.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan de eis van de officier van justitie. Daartoe is aangevoerd dat ‘ [gebruikersnaam] ’, de gebruiker van het SkyECC account dat aan de verdachte wordt toegeschreven, een ondergeschikte rol had in de organisatie van de drugstransporten. Verder is aangevoerd dat strafverlaging op zijn plaats is wanneer gekeken wordt naar straffen in vergelijkbare zaken. Daarnaast moet bij de strafoplegging rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte een jaar in uitleveringsdetentie in Servië heeft gezeten waar het detentieregime zeer zwaar is en de verdachte een extreem zware tijd heeft gehad. Voorts is sprake van overschrijding van de redelijke termijn nu de verdachte zich al vanaf mei 2022 in detentie bevindt.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van meerdere partijen cocaïne van in totaal 339 kilo, aan het voorbereiden en bevorderen van de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en aan het afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van in totaal 750 kilo cocaïne. Dit alles heeft plaatsgevonden binnen een periode van zeven maanden. Voor de stelling van de raadsman dat de verdachte slechts een ondergeschikte rol had bij deze cocaïnehandel is in het dossier geen steun te vinden. Integendeel. Uit de via SkyECC gevoerde chatgesprekken blijkt dat de verdachte hoog in de organisatie zat en een organiserende en coördinerende rol had bij de invoer van de partijen cocaïne. De verdachte was voor een deel ook eigenaar van de getransporteerde cocaïne.
De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid. De handel in en het gebruik van harddrugs leiden tot veel problemen in de maatschappij. Harddrugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit en het witwassen van geld dat met de handel wordt verdiend. Daarnaast brengt het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was kennelijk enkel uit op eigen financieel gewin.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 21 februari 2024 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven, onder meer Opiumwet-feiten. Deze veroordelingen dateren echter van lang geleden en hebben als zodanig geen invloed op de op te leggen straf.
Straf
Bij het begroten van een straf kijkt de rechtbank naar de doelen die in een specifieke zaak met straf moeten worden gediend. Die liggen in deze zaak met name in vergelding en generale preventie. Anders gezegd: het moet voor de verdachte duidelijk zijn dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij daarvoor straf verdient. Daarbij weegt mee de maatschappelijke onrust die dit soort zaken veroorzaakt en die ook maakt dat vergelding op zijn plaats is. Daarnaast moet de straf ook een signaal voor anderen zijn om van de georganiseerde drugscriminaliteit weg te blijven. Tegen de achtergrond van die strafdoelen is bij het bepalen van de hoogte van de straf de beschreven ernst van de feiten het uitgangspunt. Die ernst rechtvaardigt een forse gevangenisstraf.
De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de hoogte van de straf voorts georiënteerd op straffen die in andere vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de door de raadsman aangevoerde ‘ervaringen van de verdachte binnen de uitleveringsdetentie in Servië’ omdat geen concrete stellingen zijn ingenomen over deze ervaringen en niet is onderbouwd waarom dit tot strafvermindering moet leiden.
Alles afwegend, bezien tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf van acht jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en uitleveringsdetentie en een geldboete van € 200.000 passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar alsmede tot een geldboete van € 200.000,- (tweehonderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 360 (driehonderdzestig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in uitleveringsdetentie in Servië is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en J. de Lange, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1. zaak Koffie)
hij op of omstreeks 3 februari 2020 via de Westerschelde, althans in de Nederlandse
territoriale wateren, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België,
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede
begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) ongeveer 259 kilo
cocaïne, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot
en met 8 februari 2020 in Nederland en/of in de Dominicaanse Republiek en/of te
Antwerpen, althans in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië , tezamen
en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte samen met zijn mededader(s) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of de bergplaats/verstopplaats van een container met daarin voornoemde partij cocaïne en/of
- het leeghalen van de container met daarin een (dek)lading koffie en voornoemde partij cocaïne en/of
- het zoeken naar voornoemde partij cocaïne.
2. ( zaak Voorbereidingshandelingen)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augustus 2020 tot en met 6 september 2020 in Nederland en/of in/vanuit Montenegro/Servië/Albanië
en/of te Antwerpen, althans in België en/of te Brazilië en/of te Rusland, tezamen en
in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte samen met zijn mededader(s) (telkens) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot het transporteren van ongeveer 300 blokken cocaïne in containers vanuit Brazilië naar Rotterdam (eindbestemming Sint Petersburg in Rusland) en naar Antwerpen (via de Westerschelde);
3.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 71/041139-22
Datum uitspraak: 11 juli 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 2 augustus 2023, 4 oktober 2023, 14 december 2023, 12 maart 2024, 15 mei 2024 en 27 juni 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Procesafspraken
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, en de officieren van justitie, mrs. G. Rip en J. Patist (hierna gezamenlijk aangeduid met: de officier van justitie), hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Deze onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. Tijdens het onderzoek op de zitting van 27 juni 2024 zijn de gemaakte afspraken uitvoerig met de verdachte en zijn raadsman besproken. Daarbij was een belangrijk element of de verdachte begreep wat de gemaakte afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak konden hebben. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) centraal, meer in het bijzonder de vragen naar het bewijs en de straf.
Ook in dit vonnis staan de overwegingen over de artikelen 348 en 350 Sv voorop. Bij de bepaling van de straf en de motivering daarvan is natuurlijk ook aandacht voor de gemaakte procesafspraken. Bij de strafoplegging hebben deze een rol gespeeld.
Voor zover van belang zijn de procesafspraken als volgt. De officier van justitie zal bewezenverklaring van de onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 primair tenlastegelegde feiten vorderen en voor die feiten de oplegging van een gevangenisstraf van acht jaren en een geldboete van € 200.000 eisen. De raadsman zal geen bewijs- of ontvankelijkheidsverweren voeren. De raadsman zal reeds gedane onderzoekswensen intrekken en geen nieuwe onderzoekswensen formuleren.
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 27 juni 2024 is de verdachte uitdrukkelijk ondervraagd over de procesafspraken die hij en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. Daarbij is aan de orde geweest of hij zich bewust is van de inhoud van de procesafspraken en of de verdachte vrijwillig daarmee heeft ingestemd. Ook zijn de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken voor de verdachte en zijn rechtspositie concreet aan de orde geweest.
De verdachte heeft te kennen gegeven dat hij vrijwillig en goed geïnformeerd door zijn raadsman heeft ingestemd met de procesafspraken en dat hij daarbij ook blijft. Tijdens de bespreking van de ten laste gelegde feiten is de verdachte uitdrukkelijk uitgenodigd daarover zijn standpunt kenbaar te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte weloverwogen en vrijwillig tot de
procesafspraken is gekomen en zich bewust is geweest van de inhoud, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.
4Beschuldiging
De verdachte wordt beschuldigd van de invoer van 259 kilo (feit 1) en 4x20 kilo (feit 3) cocaïne in Nederland, het afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van 350 en 400 (in totaal 750) kilo cocaïne (feit 4) en het voorbereiden van invoer en vervoer van ongeveer 300 blokken cocaïne (feit 2).
5Bewijs
Vordering officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft geen verweren gevoerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
1. zaak Koffie)
op 3 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 259 kilo
cocaïne, een middel als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. ( zaak Voorbereidingshandelingen)
in de periode van 31 augustus 2020 tot en met 6 september 2020 in Nederland en/of vanuit Montenegro/Servië/Albanië, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
immers heeft verdachte samen met zijn mededaders telkens via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot het transporteren van ongeveer 300 blokken cocaïne in containers vanuit Brazilië naar Rotterdam (eindbestemming Sint Petersburg in Rusland) en naar Antwerpen (via de Westerschelde);
3. ( zaak Twintig)
in de periode van 2 mei 2020 tot en met 18 mei 2020 in Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (in containers met nummers [containernummer 1] en [containernummer 2] en [containernummer 3] en [containernummer 4] ) een hoeveelheid van telkens ongeveer 20 kilogram cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet wet behorende lijst 1;
4.
op tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2020 in Brazilië en te Le Havre, en te Valencia, en op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en in België en/of vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Le Havre, Franrijk)
en
- ongeveer 400 kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Valencia, Spanje)
een middel als bedoeld in bij de in de Opiumwet behorende lijst 1.
Bewijsmotivering
In de opsporingsonderzoeken die ten grondslag liggen aan de bewezenverklaarde feiten 1 en 3 (voor wat betreft de containers [containernummer 2] en [containernummer 4] ) zijn de bewezenverklaarde hoeveelheden cocaïne daadwerkelijk door de opsporingsdiensten in door de verdachte en zijn medeverdachten gebruikte containers aangetroffen. In de opsporingsonderzoeken die hebben geleid tot de bewezenverklaarde feiten 2, 3 (voor wat betreft de containers [containernummer 1] en [containernummer 3] ) en 4 is geen cocaïne aangetroffen. Het bewijs dat de verdachte deze feiten heeft gepleegd volgt uit chatberichten die via SkyECC zijn verstuurd en waaraan de verdachte heeft deelgenomen. In die chatberichten wordt (onder andere) gesproken over ‘blokken’ en ‘stuks’ en worden foto’s verstuurd van in (zwart) plastic gewikkelde witte blokken en van (compartimenten van) containers.
Feiten
7Straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft conform de procesafspraken een gevangenisstraf geëist van acht jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en uitleveringsdetentie, alsmede een geldboete van € 200.000.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan de eis van de officier van justitie. Daartoe is aangevoerd dat ‘ [gebruikersnaam] ’, de gebruiker van het SkyECC account dat aan de verdachte wordt toegeschreven, een ondergeschikte rol had in de organisatie van de drugstransporten. Verder is aangevoerd dat strafverlaging op zijn plaats is wanneer gekeken wordt naar straffen in vergelijkbare zaken. Daarnaast moet bij de strafoplegging rekening worden gehouden met het feit dat de verdachte een jaar in uitleveringsdetentie in Servië heeft gezeten waar het detentieregime zeer zwaar is en de verdachte een extreem zware tijd heeft gehad. Voorts is sprake van overschrijding van de redelijke termijn nu de verdachte zich al vanaf mei 2022 in detentie bevindt.
Oordeel rechtbank
Gepleegde feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van meerdere partijen cocaïne van in totaal 339 kilo, aan het voorbereiden en bevorderen van de invoer van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne en aan het afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van in totaal 750 kilo cocaïne. Dit alles heeft plaatsgevonden binnen een periode van zeven maanden. Voor de stelling van de raadsman dat de verdachte slechts een ondergeschikte rol had bij deze cocaïnehandel is in het dossier geen steun te vinden. Integendeel. Uit de via SkyECC gevoerde chatgesprekken blijkt dat de verdachte hoog in de organisatie zat en een organiserende en coördinerende rol had bij de invoer van de partijen cocaïne. De verdachte was voor een deel ook eigenaar van de getransporteerde cocaïne.
De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Cocaïne is een zeer verslavende harddrug die schadelijk is voor de volksgezondheid. De handel in en het gebruik van harddrugs leiden tot veel problemen in de maatschappij. Harddrugs leiden veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit en het witwassen van geld dat met de handel wordt verdiend. Daarnaast brengt het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was kennelijk enkel uit op eigen financieel gewin.
Persoon verdachte
Uit het strafblad van 21 februari 2024 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor misdrijven, onder meer Opiumwet-feiten. Deze veroordelingen dateren echter van lang geleden en hebben als zodanig geen invloed op de op te leggen straf.
Straf
Bij het begroten van een straf kijkt de rechtbank naar de doelen die in een specifieke zaak met straf moeten worden gediend. Die liggen in deze zaak met name in vergelding en generale preventie. Anders gezegd: het moet voor de verdachte duidelijk zijn dat hij verkeerd heeft gehandeld en dat hij daarvoor straf verdient. Daarbij weegt mee de maatschappelijke onrust die dit soort zaken veroorzaakt en die ook maakt dat vergelding op zijn plaats is. Daarnaast moet de straf ook een signaal voor anderen zijn om van de georganiseerde drugscriminaliteit weg te blijven. Tegen de achtergrond van die strafdoelen is bij het bepalen van de hoogte van de straf de beschreven ernst van de feiten het uitgangspunt. Die ernst rechtvaardigt een forse gevangenisstraf.
De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de hoogte van de straf voorts georiënteerd op straffen die in andere vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is geschonden en zal daarmee rekening houden bij de strafoplegging.
De rechtbank ziet geen aanleiding om bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening te houden met de door de raadsman aangevoerde ‘ervaringen van de verdachte binnen de uitleveringsdetentie in Servië’ omdat geen concrete stellingen zijn ingenomen over deze ervaringen en niet is onderbouwd waarom dit tot strafvermindering moet leiden.
Alles afwegend, bezien tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf van acht jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en uitleveringsdetentie en een geldboete van € 200.000 passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Wettelijke voorschriften
Bij de strafoplegging is gelet op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar alsmede tot een geldboete van € 200.000,- (tweehonderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 360 (driehonderdzestig) dagen hechtenis;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in uitleveringsdetentie in Servië is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en J. de Lange, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1. zaak Koffie)
hij op of omstreeks 3 februari 2020 via de Westerschelde, althans in de Nederlandse
territoriale wateren, althans in Nederland en/of te Antwerpen, althans in België,
tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede
begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) ongeveer 259 kilo
cocaïne, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 januari 2020 tot
en met 8 februari 2020 in Nederland en/of in de Dominicaanse Republiek en/of te
Antwerpen, althans in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië , tezamen
en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een (aanzienlijke) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte samen met zijn mededader(s) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of de bergplaats/verstopplaats van een container met daarin voornoemde partij cocaïne en/of
- het leeghalen van de container met daarin een (dek)lading koffie en voornoemde partij cocaïne en/of
- het zoeken naar voornoemde partij cocaïne.
2. ( zaak Voorbereidingshandelingen)
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 augustus 2020 tot en met 6 september 2020 in Nederland en/of in/vanuit Montenegro/Servië/Albanië
en/of te Antwerpen, althans in België en/of te Brazilië en/of te Rusland, tezamen en
in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer (aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte samen met zijn mededader(s) (telkens) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot het transporteren van ongeveer 300 blokken cocaïne in containers vanuit Brazilië naar Rotterdam (eindbestemming Sint Petersburg in Rusland) en naar Antwerpen (via de Westerschelde);
3.
Dictum
( zaak Twintig)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 mei 2020 tot en met 18 mei 2020 in Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in containers met nummers [containernummer 1] en/of [containernummer 2] en/of [containernummer 3] en/of [containernummer 4] ) een hoeveelheid van telkens ongeveer 20 kilogram,
althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde
cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet wet behorende lijst 1, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2020 tot en
in/vanuit Montenegro/Servië/Albanië, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, (verder) vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een partij van ongeveer 20 kilogram cocaïne (verstopt in containers), in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of het leeghalen van voornoemde containers met
daarin voornoemde partijen cocaïne en/of de bergplaats/verstopplaats van de
cocaïne en/of
- het zoeken naar de plaats waar voornoemde partijen cocaïne zich bevonden.
4. ( zaak Papier)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 9 april 2020 te Paranaquá, althans in Brazilië en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of te Valencia, althans in Spanje en/of op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en/of in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Le Havre, Franrijk)
en/of
- ongeveer 400 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Valencia, Spanje)
in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in bij de in de Opiumwet behorende lijst 1,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 9 april 2020 te Paranaquá, althans in Brazilië en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of te Valencia, althans in Spanje en/of in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, (verder) vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van twee partijen cocaïne (van ongeveer 350 kilo en ongeveer 400 kilo), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s)
via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of het leeghalen van de containers met daarin voornoemde partijen cocaïne en/of de bergplaats/verstopplaats van de cocaïne en/of
- het zoeken naar de plaats waar voornoemde partij(en) cocaïne zich bevond(en).
Dictum
( zaak Twintig)
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 mei 2020 tot en met 18 mei 2020 in Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in containers met nummers [containernummer 1] en/of [containernummer 2] en/of [containernummer 3] en/of [containernummer 4] ) een hoeveelheid van telkens ongeveer 20 kilogram,
althans (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde
cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet wet behorende lijst 1, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2020 tot en
in/vanuit Montenegro/Servië/Albanië, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, (verder) vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een partij van ongeveer 20 kilogram cocaïne (verstopt in containers), in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of het leeghalen van voornoemde containers met
daarin voornoemde partijen cocaïne en/of de bergplaats/verstopplaats van de
cocaïne en/of
- het zoeken naar de plaats waar voornoemde partijen cocaïne zich bevonden.
4. ( zaak Papier)
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 9 april 2020 te Paranaquá, althans in Brazilië en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of te Valencia, althans in Spanje en/of op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en/of in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Le Havre, Franrijk)
en/of
- ongeveer 400 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar Valencia, Spanje)
in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in bij de in de Opiumwet behorende lijst 1,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en
met 9 april 2020 te Paranaquá, althans in Brazilië en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of te Valencia, althans in Spanje en/of in België en/of te/vanuit Montenegro/Servië/Albanië en/of vanuit Nederland,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, (verder) vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van twee partijen cocaïne (van ongeveer 350 kilo en ongeveer 400 kilo), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s)
via Sky ECC chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de locatie en/of het leeghalen van de containers met daarin voornoemde partijen cocaïne en/of de bergplaats/verstopplaats van de cocaïne en/of
- het zoeken naar de plaats waar voornoemde partij(en) cocaïne zich bevond(en).