Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-03
ECLI:NL:RBROT:2024:6179
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,554 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/5392
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Ester),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 24 november 2023 is aan verzoeker de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid en is zijn rijbewijs geschorst. Met de beslissing op bezwaar van 25 april 2024 is het CBR bij die beslissing gebleven. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Wat is er gebeurd?
5. Verzoeker is op 12 november 2023 door een politieagent gevraagd om mee te werken aan een onderzoek vanwege een verkeersongeval. Bij verzoeker is ook een ademonderzoek verricht en uit de analyse van dat onderzoek bleek dat verzoekers adem 800 µg/l (1,840 ‰) bedroeg. De politie heeft het proces-verbaal rijden onder invloed aan het CBR toegezonden, met de opmerking dat dit ook dient als een mededeling rijvaardigheid en rijgeschiktheid als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994. Vervolgens heeft het CBR het primaire besluit genomen. Met de beslissing op bezwaar is verzoekers bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Het rijbewijs van verzoeker is daarmee geschorst in afwachting van de resultaten van het aan hem opgelegde onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij dit onderzoek niet hoeft te ondergaan en dat hij weer mag rijden, in ieder geval tot op zijn beroepschrift is beslist.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is het nodig dat er een spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verzoeker is marktkoopman en voert aan dat hij door de schorsing van zijn rijbewijs problemen heeft met zijn zaakvoering (het rondbrengen van de voorraad). Op dit moment brengt verzoekers oom de voorraad voor hem rond, deze oom vertrekt binnenkort echter voor een aantal maanden naar Spanje. Verzoeker heeft aangegeven dat het lastig wordt om iemand anders te vinden die dit voor hem zou kunnen doen, hij heeft echter niet gesteld en dus ook niet onderbouwd dat het op de een of andere manier inroepen van hulp in het geheel niet mogelijk is. Verder is niet gebleken dat verzoeker op dit moment in de financiële problemen zit of komt. De stelling dat verzoeker als gevolg van de besluitvorming zijn werk niet meer naar behoren kan doen en daarom arbeidsvreugde mist, maakt ook niet dat sprake zou zijn van een spoedeisend belang waardoor de behandeling van het beroep niet kan worden afgewacht. Verzoeker heeft verder nog aangegeven dat het onderzoek bij de psychiater, waaraan hij niet wil deelnemen, nu op 4 juli 2024 is ingepland. Ook in deze omstandigheid ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het aannemen van een spoedeisend belang.
7. Nu verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het CBR evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen grond voor dat oordeel. In tegenstelling tot verzoeker ziet de voorzieningenrechter in de bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen niet een zodanig tegenbewijs dat daardoor niet meer zou kunnen worden uitgegaan van de juistheid van het door de politie opgestelde volledig proces-verbaal in deze zaak. Zo blijkt uit deze verklaringen (in ieder geval) dat verzoeker onder invloed van alcohol is aangetroffen op de bestuurdersstoel van zijn auto en dat zij gezien hebben dat de remlichten van deze auto oplichtten. Nu deze auto vlak daarvoor betrokken was bij een verkeersongeval en verzoeker pas later heeft verklaard dat zijn auto op dat moment werd bestuurd door een voor hem onbekende persoon die er vervolgens vandoor is gegaan, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CBR zich op basis van de beschikbare informatie op het standpunt heeft mogen stellen dat een afdoende relatie is aangetoond met betrekking tot het onder invloed besturen van een motorrijtuig.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker vooralsnog moet voldoen aan de aan hem opgelegde verplichting mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid en dat zijn rijbewijs geschorst blijft.
9. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
microgram alcohol per liter uitgeademde lucht
Zie artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).