Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-22
ECLI:NL:RBROT:2024:5627
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,560 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
Insolventienummer: C/10/24/206 F
Uitspraak: 22 mei 2024
VONNIS op het op 19 april 2024 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster]
,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat mr. G.P. Poiesz,
strekkende tot faillietverklaring van:
de stichting
[verweerster]
,
kantoorhoudende te [adres]
,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
verweerster.
Procesverloop
De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op 7 mei 2024.
Op verzoek van verzoekster heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden tot 21 mei 2024.
Ter zitting van 21 mei 2024 zijn in raadkamer verschenen en gehoord:
- mr. N. Reinalda, waarnemend advocaat van verzoekster;
- de heer M.F. Ambrosini-Noorduyn, bestuurder van verweerster.
2Standpunt van partijen
Standpunt verzoekster
Verzoekster heeft in haar verzoekschrift en ter zitting gesteld dat zij uit hoofde van geleverde goederen een opeisbare vordering op verweerster heeft van € 10.420,67 in hoofdsom. Verweerster heeft bij bericht van 27 juli 2023 laten weten dat zij in overleg is met diverse partijen en rekent op financiële steun. Deze steun is echter uitgebleven. Op
7 februari 2024 heeft de accountant van verweerster verzocht om incassomaatregelen op te schorten, zodat zij inzicht kunnen krijgen in de schuldpositie van verweerster. Ondanks diverse herinneringen en een sommatiebrief is betaling uitgebleven. Tot op heden is er geen betalingsvoorstel gedaan. Verzoekster heeft er dan ook geen vertrouwen meer in dat verweerster zal overgaan tot betaling. Verzoekster wenst niet op een aanbod van verweerster in het kader van een crediteurenakkoord te wachten. Verzoekster persisteert in haar verzoek tot faillietverklaring.
Daarnaast laat verweerster ook andere schuldeisers onbetaald. [schuldeiser 1] heeft een vordering op verweerster van € 15.418,49, exclusief rente en kosten, [schuldeiser 2] heeft een vordering op verweerster van € 21.217,92, exclusief rente en kosten, en [schuldeiser 3] heeft een vordering van € 11.079,67, exclusief rente en kosten. Daarnaast heeft [schuldeiser 4] een vordering van € 13.133,80 exclusief rente en kosten.
Standpunt verweerster
Verweerster heeft ter zitting het bestaan van het vorderingsrecht van verzoekster en de overgelegde steunvorderingen niet betwist. Verweerster heeft ter zitting meegedeeld dat zij nog in afwachting is van een betaling van een bedrag van € 16.000,--, respectievelijk € 1.000,--. Zodra deze bedragen zijn ontvangen, wenst verweerster een buitengerechtelijk akkoord aan haar schuldeisers aan te bieden. Verweerster heeft thans niet de financiële middelen om de crediteuren volledig te voldoen.
Beoordeling
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Beoordeling
Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Bestaan van vorderingsrecht en pluraliteit schuldeisers
De rechtbank stelt vast dat verweerster het opeisbare vorderingsrecht van verzoekster en de overgelegde steunvorderingen van [schuldeiser 1] , [schuldeiser 2] , [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van het vorderingsrecht van verzoekster en van het bestaan van steunvorderingen summierlijk is gebleken.
Faillissementstoestand
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerster de vordering van verzoekster en de overgelegde steunvorderingen onbetaald laat. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij thans geen aanbod aan alleen verzoekster kan doen, omdat dit niet eerlijk is ten opzichte van de overige schuldeisers. Ter zitting heeft verweerster verklaard niet in staat te zijn alle crediteuren volledig te kunnen voldoen. De activiteiten zijn ook beëindigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.
Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart [verweerster] voornoemd in staat van
faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger, lid van deze rechtbank;
- stelt aan tot curator mr. J. van Tilborgh, advocaat te Rotterdam;
- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024 te 10:00 uur.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.