Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:5367
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,949 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/674319 / FA RK 24-1449
Beschikking van 10 juni 2024 over de zorgregeling, de onderhoudsbijdrage en de vervangende toestemming aanvulling achternaam
in de zaak van:
[naam 1]
, hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. H.E.M. Davidson te Rijswijk,
t e g e n
[naam 2]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R. Kuijer te Berkel en Rodenrijs.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 22 februari 2024;
het bericht met bijlagen van de man van 21 maart 2024;
het bericht van de man van 9 april 2024;
het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 7 mei 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 13 mei 2024. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [naam 3] .
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
Beoordeling
3.1.
Zorgregeling en kinderbijdrage
3.1.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de volgende regeling zal gelden, waarbij de minderjarige:
iedere maandagochtend vanaf 10:00 uur tot en met dinsdagavond 19:00 uur bij de man verblijft, waarbij de man de minderjarige op maandagochtend om 10:00 uur bij de woning van de vrouw ophaalt;
iedere dinsdagavond vanaf 19:00 uur tot en met maandagochtend 10:00 uur bij de vrouw verblijft waarbij de vrouw de minderjarige op dinsdagavond om 19:00 uur bij de woning van de man ophaalt.
3.1.2.
De man verzoekt tevens een vakantieregeling vast te stellen.
3.1.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – de navolgende zorgregeling te bepalen:
Dinsdag haalt de man de minderjarige om 13.00 uur op bij de vrouw en brengt de minderjarige om 18.00 uur weer terug;
Zaterdag haalt de man de minderjarige om 13.00 uur op bij de vrouw en brengt de minderjarige om 18.00 uur in de middag terug;
Na het goed verlopen van deze zorgregeling van een jaar kan deze regeling eventueel worden uitgebreid met een overnachting.
3.1.4.
Ten aanzien van de vakantieregeling voert de vrouw gemotiveerd verweer. De vrouw wenst dat tot aan de leeftijd van vier jaar de vakanties niet worden verdeeld. De rechtbank begrijpt dit als verzoek om afwijzing van dat deel van het verzoek van de man.
Ten aanzien van de feestdagen in 2024 verzoekt de vrouw ook een regeling te bepalen.
3.1.5.
De vrouw verzoekt tevens – bij wijze van zelfstandig verzoek – een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 350,- per maand vast te stellen.
3.1.6.
Partijen zijn overeengekomen een mediationtraject in te gaan om te proberen overeenstemming te bereiken de zorgregeling en de kinderbijdrage. De advocaten hebben gesteld dat het afspreken van een kinderbijdrage ook via hen kan lopen.
Partijen hebben ook overeenstemming bereikt over een voorlopige regeling, totdat er in de mediation of via de rechtbank iets definitiefs wordt bereikt of vastgelegd. Partijen hebben besloten dat de minderjarige elke woensdag van 13:00 uur tot 18:00 uur bij de man zal zijn. De rechtbank zal deze voorlopige zorgregeling, op verzoek van partijen, opnemen in de beschikking.
3.1.7.
Partijen hebben echter geen overeenstemming bereikt over het halen en brengen op de omgangsmomenten. De rechtbank zal daarom daarover een beslissing nemen.
De rechtbank vindt het redelijk dat partijen het halen en brengen verdelen. Niet is gebleken dat er zwaarwegende redenen zijn die dit anders zouden moeten maken.
De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw de minderjarige naar de man toebrengt (bij alle omgangsmomenten) en de man de minderjarige weer bij de vrouw terugbrengt (bij alle omgangsmomenten). Een fijne bijkomstigheid is dat de minderjarige op deze manier duidelijk (emotionele) toestemming krijgt om naar de andere ouder te gaan.
3.1.8.
De rechtbank zal in afwachting van het resultaat van de mediation de beslissing over een definitieve zorgregeling en over de kinderbijdrage aanhouden.
3.2.
Vervangende toestemming wijziging achternaam
3.2.1.
De vrouw verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – vervangende toestemming te verlenen om de achternaam van de minderjarige te kunnen wijzigen in ‘ [naam 4] ’.
3.2.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Met ingang van 1 januari 2024 is artikel 1:5 BW gewijzigd, inhoudende dat ouders voor kinderen die geboren zijn vanaf 1 januari 2024 kunnen kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam. Deze regeling houdt in dat ouders op het moment van erkenning, huwelijk of geregistreerd partnerschap gezamenlijk kunnen kiezen voor een gecombineerde geslachtsnaam voor hun kind(eren). In de wet is ook geregeld welke naam een kind krijgt indien ouders geen keuze maken.
3.2.4.
Voor kinderen geboren tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2024 is het overgangsrecht van toepassing. In artikel IIIB van het overgangsrecht staat:
1. Tot en met een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet kunnen kinderen van dezelfde ouders de geslachtsnaam van beide ouders in een door hen te bepalen volgorde verkrijgen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de ouders verklaren gezamenlijk dat de kinderen een geslachtsnaam behoren te krijgen die bestaat uit een combinatie van de geslachtsnamen van beide ouders in een door hen eensluidend gekozen volgorde;
het oudste kind dat in familierechtelijke betrekking tot beide ouders staat, is geboren op of na 1 januari 2016 en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet;
de verklaring betreft alle kinderen van dezelfde ouders.
2. (…)
3. Een gemeenschappelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid onder a, kan worden afgelegd ten overstaan van iedere ambtenaar van de burgerlijke stand. Van deze verklaring maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van naamskeuze op.
4. De vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing indien een ouder en zijn echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, van rechtswege het gezag als bedoeld in artikel 253sa van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek over het kind uitoefenen.
3.2.5.
Volgens artikel IIIB van het overgangsrecht is dus voor een gecombineerde geslachtsnaam een gemeenschappelijke verklaring van de ouders nodig. Omdat de man niet instemt met naamswijziging, ontbreekt deze gemeenschappelijke verklaring. Er bestaat geen wettelijke basis om vervangende toestemming te verlenen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw afwijzen.
3.3.
Proceskosten
3.3.1.
Omdat ten aanzien van de zorgregeling en kinderbijdrage nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
neemt op de onderlinge regeling die partijen over de voorlopige zorgregeling hebben afgesproken, te weten dat de minderjarige elke woensdag van 13:00 uur tot 18:00 uur bij de man zal zijn;
4.2.
stelt vast dat de minderjarige in het kader van de zorgverdeling bij de omgangsmomenten door de vrouw bij de man wordt gebracht en door de man weer bij de vrouw wordt gebracht;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.4.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling en de kinderbijdrage wordt aangehouden tot 1 oktober 2024 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over de resultaten van de mediation en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke manier volgens partijen moet worden voort geprocedeerd.
Indien partijen niet zijn gekomen tot overeenstemming over de kinderbijdrage, kan de man uiterlijk op 1 oktober 2024 verweer tegen dit verzoek voeren.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Buizer, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. A.M. Bakker, griffier, op 10 juni 2024.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.