Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-24
ECLI:NL:RBROT:2024:5290
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,783 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/677596 / JE RK 24-833
Datum uitspraak: 24 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Zuidwest Nederland,
gevestigd te Breda, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. J.J.R. Albicher, kantoorhoudende te Roosendaal,
[naam 2]
,
hierna te noemen: de stiefvader, wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. J.J.R. Albicher, advocaat te Roosendaal,
[naam 3]
, hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 3],
advocaat: mr. S.O. Zengin, kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de GI JBB, gevestigd te Etten-Leur,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI JBRR gevestigd te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 april 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
het e-mailbericht met bijlage van de Raad van 13 mei 2024;
het e-mailbericht met bijlagen van mr. S.O. Zengin van 23 mei 2024, inhoudende het verweerschrift met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de Raad, [naam 4];
een tweetal vertegenwoordigers van de GI JBB, [naam 5] en [naam 6];
- een vertegenwoordigster van de GI JBRR, [naam 7].
1.3.
De stiefvader is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 30 april 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van GI JBRR met ingang van 30 april 2024 tot 30 mei 2024. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 30 april 2024 tot 30 mei 2024. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De Raad heeft verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Er resteert een beslissing over een periode van elf maanden. Tevens heeft de Raad verzocht [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen in gezinsvervangende omgeving (pleeggezin) voor de duur van drie maanden. Er resteert een beslissing over een periode van twee maanden.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er zijn ernstige zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er is nog steeds sprake van een conflictscheiding tussen de ouders en zij hebben sterke meningsverschillen over het ouderschap. Hierdoor zitten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem tussen de ouders en bevinden zij zich in een loyaliteitsconflict. De moeder heeft samen met de stiefvader de zorg voor zes kinderen.
Het gaat de kinderen goed in het pleeggezin. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven inmiddels ieder weekend bij de vader. Deze contactmomenten verlopen zeer positief. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben aangegeven dat zij bij de vader willen wonen. De inzet van gedwongen hulpverlening is noodzakelijk om onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden van de ouders. De Raad is van mening dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twee maanden nodig is, om rust te creëren en meer duidelijkheid te scheppen over het perspectief van de kinderen.
4. De standpunten
4.1.
De GI JBB stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. Er is de afgelopen periode ingezet op het contact tussen de ouders en de kinderen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben recht op een fijn verblijf bij beide ouders zonder spanningen. Het is van belang dat er hulpverlening wordt ingezet gericht op het loyaliteitsconflict van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Doordat de moeder van Noord-Brabant naar [woonplaats 1] is verhuisd, is het hulpverleningstraject nog niet gestart. De vader doet een groot beroep op zijn netwerk aangaande de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat hij in wisseldiensten werkt.
4.2.
De GI JBRR stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. Er dient stabiliteit te komen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het heeft de voorkeur om de kinderen, vanuit het pleeggezin, bij de moeder dan wel de vader te plaatsen na de zomervakantie, omdat zij al meerdere keren van school zijn gewisseld. Tot op heden heeft de GI niet met moeder gesproken, aangezien de moeder tijdens de geplande afspraak op vakantie was. Er dient een nieuwe afspraak met de moeder te worden gepland. De GI is van mening dat er bij beide ouders ondersteuning binnen de opvoedsituatie nodig is. De GI betwijfelt, gezien de wachtlijsten, of een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee maanden voldoende is om een thuisplaatsing tijdig te kunnen bewerkstelligen. De GI denkt op dit moment aan hulpverlening vanuit Enver en aan gezinsopname.
4.3.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de Raad om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De moeder staat open voor hulpverlening gericht op de opvoeding van de kinderen. Zij draagt samen met de stiefvader de zorg voor zes kinderen en ieder kind heeft een eigen aanpak nodig. De moeder is het niet eens met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij zijn onterecht bij haar weggehaald. Het politieonderzoek naar de stiefvader, naar aanleiding van vermoedens van kindermishandeling, is nog niet afgerond. De moeder benadrukt dat dit onderzoek betrekking heeft op de stiefvader en niet op haar. Bij de moeder en de stiefvader is de veiligheid van de kinderen gegarandeerd. De moeder heeft de zorg voor de kinderen altijd op zich genomen en zij hebben bij haar gewoond. De moeder en stiefvader zijn recentelijk terugverhuisd naar [woonplaats 1], zodat de kinderen kunnen wonen in hun vertrouwde omgeving. De moeder heeft de afgelopen periode geen contact gehad met de GI en voelt zich buitenspel gezet. Ook is er de afgelopen periode geen hulpverlening opgestart. De moeder is blij dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het naar hun zin hebben in het pleeggezin. Wel wil de moeder de kinderen vaker zien, eventueel zonder de aanwezigheid van de stiefvader. Zij heeft hieromtrent contact opgenomen met de jeugdbeschermer, echter is er tot op heden niets gewijzigd. Als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet bij de moeder thuisgeplaatst worden, heeft de moeder de voorkeur om de kinderen te plaatsen bij oma (moederszijde). De moeder benadrukt dat zij niet wil dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geplaatst worden bij de vader. Uit stukken en verklaringen in de bodemprocedure, die op dit moment aanhangig is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, blijkt dat de vader een kort lontje heeft en agressief is. De vader heeft tevens in onderzoek bij Mentaal Beter aangegeven dat hij te streng is voor de kinderen. Dit dient nader onderzocht te worden.
4.4.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de Raad om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen. De vader betreurt dat het contact tussen hem en de kinderen een tijd verbroken is geweest. Hij is niet van plan om het contact tussen de moeder en de kinderen te verbreken, ondanks de vermoedens van kindermishandeling. Een ondertoezichtstelling is nodig, om de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen te realiseren. De vader staat open voor hulpverlening gericht op zijn opvoedvaardigheden, maar is bang dat de noodzakelijke hulpverlening niet tijdig kan worden opgestart, vanwege de wachtlijsten en de betrokkenheid van cluster 7 van JBRR.
De vader verzoekt primair om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te plaatsen en subsidiair om de kinderen per 8 juli 2024 bij de vader te plaatsen. De kinderen kunnen dan de zomervakantie bij de vader doorbrengen en wennen aan de nieuwe thuissituatie, voordat het volgende schooljaar begint. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven ieder weekend bij de vader en vinden het hier prettig. Ook in het pleeggezin voelen de kinderen zich blij en veilig. Wel geven zij steeds vaker aan dat zij bij de vader willen blijven en behoefte hebben aan duidelijkheid. Na ieder weekend wordt het afscheid tussen de vader en de kinderen moeilijker en emotioneler. De vader begrijpt niet dat de moeder van mening is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hem niet veilig zouden zijn. De reden dat zij uithuisgeplaatst zijn in een pleeggezin, is vanwege de zorgen bij moeder en stiefvader en het feit dat de vader op dat moment geen contact mocht hebben met de kinderen daar zij van hem werden weggehouden. De contactmomenten tussen de vader en de kinderen zijn inmiddels gelukkig opgestart en verlopen positief. De kinderen genieten van het contact met vader. De Raad en de GI hebben geen zorgen geuit over de veiligheid van de kinderen bij de vader.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is nog steeds sprake van een conflictscheiding. Hierdoor zitten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem tussen de ouders en bevinden zij zich in een loyaliteitsconflict. De ouders zijn op dit moment onvoldoende in staat onder eigen verantwoordelijkheid deze bedreiging weg te nemen, doordat de moeder niet bereid is de zorgen te erkennen en vindt dat de kinderen naar de oude opvoedsituatie terug moeten keren. De vader is lange tijd niet betrokken geweest bij de opvoeding van de kinderen. Het is positief dat ouders tijdens de mondelinge behandeling hebben aangegeven open te staan voor hulpverlening. De kinderrechter acht het, samen met de Raad en de GI, van belang dat er hulpverlening moet worden ingezet om meer zicht te krijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer binnen het ots-kader is hierbij van belang.
5.2.
Nu het hulpverleningstraject nog niet is opgestart en er nog onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de ouders, acht de kinderrechter het van belang dat het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het pleeggezin de komende periode gecontinueerd wordt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voelen zich goed en veilig in het pleeggezin. De contactmomenten tussen de vader en de kinderen verlopen positief en dienen verder te worden uitgebreid. Gelet hierop moet de komende periode bekeken worden of de kinderen inderdaad bij vader geplaatst kunnen worden. De kinderrechter acht, nog los van de wachtlijstproblematiek, een gezinsopname hiertoe niet van toepassing daar niet duidelijk is welk gezin dit zou betreffen. Daarnaast dient uiteraard ook aandacht besteed te worden aan het contact tussen de moeder en de kinderen. Tevens is het belangrijk dat de ouders zich inzetten voor een positieve samenwerking onderling en met de GI.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van elf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de resterende duur van twee maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 30 april 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 juli 2024;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2024 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M. Buurman en A.L.I. Janssen als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.