Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-11
ECLI:NL:RBROT:2024:5288
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,819 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4813
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. P.A.M. Badal).
Inleiding
1.1.
Met het primaire besluit van 22 april 2024 heeft het college verzoekster uitgeschreven uit de basisregistratie personen (de brp). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2. Het college heeft aan verzoekster op 1 augustus 2023 een brief gestuurd met de vraag om haar juiste adresgegevens binnen vier weken aan het college door te geven. Dit heeft verzoekster niet gedaan. Het college weet niet waar verzoekster woont. Vervolgens heeft het college het primaire besluit genomen.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoekster is het niet eens met dit besluit. Zij voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht en het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verzoekster heeft in januari 2024 alle benodigde gegevens via e-mail naar het college gestuurd. Vervolgens heeft verzoekster gebeld en heeft het college aangegeven deze gegevens over het hoofd te hebben gezien. Desondanks heeft het college het primaire besluit genomen. Verzoekster wordt als gevolg van dit besluit gekort op de huurtoeslag en heeft nu problemen met diverse andere instanties. Verzoekster heeft daarnaast een inwonende dochter. Door de betrokken belangen is sprake van onverwijlde spoed zodat verzoekster de voorzieningenrechter vraagt om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
5. Het besluit tot uitschrijving uit de brp heeft grote (financiële) consequenties voor verzoekster, zoals voor haar huurtoeslag. Verzoekster heeft dit ook onderbouwd met stukken en het college betwist dit niet. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Wanneer kan het college iemand ambtshalve uitschrijven uit de brp?
6. Het doel van de brp is dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. Gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat deze gegevens in principe juist zijn. In de brp moeten daarom dus gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene worden geregistreerd. In artikel 2.22, eerste lid, van de Wet brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve uitschrijft als ingezetene uit de brp. Er moet voldaan zijn aan drie voorwaarden:
1) de ingezetene kan niet worden bereikt (op het brp-adres);
2) er is geen aangifte van wijziging van adres of van vertrek ontvangen; en
3) na gedegen onderzoek zijn geen (andere) verblijf- en adresgegevens van die persoon bekend geworden.
Wat vindt de voorzieningenrechter van de zaak?
7. De voorzieningenrechter kan niet (goed) vaststellen of het college (on)voldoende onderzoek heeft gedaan naar de woonsituatie van verzoekster op het brp-adres. Uit het overgelegde dossier blijkt dat het college wel onderzoek heeft verricht naar de woonsituatie van verzoekster, dit dossier is echter niet compleet. Het college heeft vlak voor de zitting nog nadere dossierstukken aangeleverd. Tijdens de zitting is namens het college nog aangegeven dat het dossier hiermee nog steeds niet compleet is. Uit de wel overgelegde stukken blijkt in ieder geval dat het college een aantal huisbezoeken (onder meer op 10 november 2023 en 30 januari 2024) heeft afgelegd bij het brp-adres van verzoekster. Verzoekster was op die momenten steeds niet thuis. Daarnaast bevindt zich in het dossier een verklaring van inschrijving van de dochter van verzoekster op de [naam school]. Ook blijkt uit het dossier dat verzoekster onvoldoende gegevens heeft aangeleverd waaruit blijkt dat zij op het brp-adres woont.
8. De voorzieningenrechter kan op basis van de beschikbare informatie dan ook niet vaststellen of aan de voorwaarden van artikel 2.22 van de Wet Brp is voldaan of niet. Een uitschrijving uit de brp heeft wel zwaarwegende gevolgen voor zowel verzoekster als haar dochter. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat verzoekster, ook gelet op de omstandigheid dat zij slachtoffer is van de Toeslagenaffaire, niet direct genegen is om alle gevraagde privé-informatie aan het college over te leggen, toch zal zij tijdens de bezwaarprocedure meer openheid van zaken moeten geven. Dit kan zij doen door de gevraagde stukken over te leggen aan het college. De voorzieningenrechter geeft daarbij aan het college mee dat zij zorg moeten dragen voor een volledige heroverweging op basis van de door verzoekster aangeleverde stukken én een volledig dossier.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat verzoekster vooralsnog weer ingeschreven staat in de brp.
10. Het college heeft voorafgaand aan het primaire besluit geprobeerd om informatie te verkrijgen over de woonsituatie van verzoekster. Het college heeft deze informatie niet (volledig) gekregen. Het is daarom aan verzoekster zelf te wijten dat zij een verzoek om een voorlopige voorziening moest indienen. Er bestaat daarmee geen aanleiding om het college te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Ook krijgt verzoekster het door haar betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2024.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1658
Wet basisregistratie personen