Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-22
ECLI:NL:RBROT:2024:5020
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,612 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/655208 / HA ZA 23-307
Herstelvonnis van 22 mei 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INGENIOS B.V.,
gevestigd te Badhoevedorp,
eiseres,
advocaat mr. M. Van Schoonhoven te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROTTERDAMSE MOBILITEIT CENTRALE RMC B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.O. Bijloo te Rotterdam.
Partijen worden hierna Ingenios en RMC genoemd.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Ingenios heeft bij brief van 25 april 2024 aan de rechtbank verzocht om het vonnis van 27 maart 2024 te verbeteren door in r.o. 4.14 en in het dictum de aanduiding artikel 6:119 BW te vervangen door artikel 6:119a BW. Zij legt daaraan het volgende ten grondslag. Blijkens r.o. 3.1 van het vonnis heeft Ingenios gevorderd haar vorderingen toe te wijzen te vermeerderen met de wettelijke rente, zonder nadere aanduiding van het wetsartikel waarop zij de wettelijke rente heeft gegrond aangezien dit voor haar evident is gegrond op de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Ingenios en RMC zijn immers professionele partijen en de vorderingen vloeien voort uit een tussen partijen gesloten handelsovereenkomst, hetgeen uit het vonnis blijkt. De rechtbank heeft ten onrechte de vorderingen van Ingenios toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW zonder de toevoeging a. Dit betreft een kennelijke (schrijf)fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 Rv aangezien voor beide partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen.
1.2.
RMC heeft als volgt op dit verzoek gereageerd bij brief van eveneens 25 april 2024. RMC betwist dat sprake is van een kennelijke schrijffout. Ingenios heeft zowel in het lichaam als in het dictum (de rechtbank leest: petitum) van haar dagvaarding de wettelijke rente gevorderd en niet de wettelijke handelsrente. Dit is in lijn met meerdere aanmaningen van Ingenios en de brief van haar advocaat (producties 14, 22 en 24 bij dagvaarding). Aldus valt niet in te zien dat sprake is van een verschrijving in de dagvaarding.
Uit artikel 23 Rv volgt dat niet meer kan worden toegewezen dan wat is gevorderd in het petitum. RMC verwijst hiervoor naar een uitspraak van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2012:BX6052) en een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:70). Nu de beslissing van de rechtbank is gebaseerd op het petitum van de dagvaarding, valt niet in te zien dat sprake is van een vergissing van de rechtbank. In de visie van RMC moet het verzoek tot het verbeteren van het vonnis dus worden afgewezen.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke fout in het vonnis van 27 maart 2024 die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van artikel 31 Rv. Zij overweegt daartoe als volgt.
Als een eisende partij, zoals Ingenios in deze zaak, slechts “wettelijke rente” vordert, kan zowel de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW als de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW zijn bedoeld. In dat geval dient de rechtbank te beoordelen wat de bedoeling is geweest aan de hand van de stellingen van de eisende partij. Deze beoordeling brengt mee dat Ingenios heeft bedoeld wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW te vorderen. Uit de stellingen van Ingenios volgt immers dat zij haar vordering baseert op de tussen professionele partijen overeengekomen dienstverleningsovereenkomst. In onderdeel 61 van de dagvaarding benoemt Ingenios ook met zoveel woorden dat de dienstverleningsovereenkomst is aan te merken als een handelsovereenkomst.
Met Ingenios is de rechtbank van oordeel dat de dienstverleningsovereenkomst is aan te merken als een handelsovereenkomst. Dit wordt door RMC ook niet betwist. Ingenios heeft dus recht op de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over de toegewezen bedragen.
Het verweer van RMC dat niet meer kan worden toegewezen dan is gevorderd, gaat niet op. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank (na uitleg van de vordering) ervan uit dat Ingenios wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW heeft gevorderd. Met toewijzing van deze rente, wordt dus niet meer toegewezen dan is gevorderd. Dit zou anders zijn als Ingenios expliciet wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW had gevorderd. Hiervan is echter geen sprake.
De rechtbank zal het verzoek van Ingenios dan ook toewijzen.
Dictum
De rechtbank
3.1.
bepaalt dat in nr. 4.14 van het op 27 maart 2024 tussen Ingenios en RMC gewezen vonnis, waar staat:
“De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.”
dat wordt gewijzigd in:
“De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.”
3.2.
bepaalt dat in nr. 5.2 van het op 27 maart 2024 tussen Ingenios en RMC gewezen vonnis, waar staat:
“veroordeelt RMC om aan Ingenios te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW (…)”
dat wordt gewijzigd in:
“veroordeelt RMC om aan Ingenios te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW (…)”
3.3.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 22 mei 2024 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 27 maart 2024,
3.4.
gelast elk der partijen, voor zover zij dat niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 27 maart 2024 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2024.3597/1582