Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-26
ECLI:NL:RBROT:2024:4979
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
885 tokens
Dictum
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres],
ten kantore van mr. M.J. van Berlo.
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Het gerechtshof s’Gravenhage heeft aan de veroordeelde bij arrest van 14 juni 2022 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van
€ 9.250,-. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden nadat de Hoge Raad op
21 maart 2023 het cassatieberoep niet-ontvankelijk heeft verklaard. De veroordeelde heeft tot 12 december 2023, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van
€ 350,- betaald.
Procedure
Het verzoek van de veroordeelde is op 12 december 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De advocaat van de veroordeelde heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft op 26 april 2024 het verzoek op de openbare terechtzitting behandeld. De rechtbank heeft de veroordeelde, de advocaat mr. M.J. van Berlo en de officier van justitie mr. L. Visser, op zitting gehoord.
Verzoek
Het verzoek strekt tot vermindering met 50% van de aan de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting.
Door en namens de veroordeelde is aangevoerd dat zij vanwege haar beperkte inkomen en geestelijke- en lichamelijke gezondheid niet in staat is om het volledige bedrag van de ontnemingsvordering te betalen. De betalingsregeling van € 50,- per maand is te veel om op te brengen en zij ervaart hierdoor stress.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de veroordeelde onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van betalingsonmacht. De door haar ter onderbouwing overgelegde stukken over haar financiële positie zijn daarvoor onvoldoende. In de executiefase is nog maar weinig tijd verstreken en vooralsnog is de veroordeelde steeds in staat geweest om het maandbedrag te voldoen.
Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor de gevraagde vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de veroordeelde de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij haar geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde dat onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft tot nu steeds aan de toegestane betalingsregeling van € 50,- kunnen voldoen. Ter zitting heeft zij het schriftelijke staatje van haar inkomsten en uitgaven verder toegelicht een aangevuld. Daarin waren nog niet de door haar genoten toeslagen meegenomen. Hoewel de rechtbank erkent dat de veroordeelde het financieel niet breed heeft, overweegt zij dat wanneer ook de door haar genoten toeslagen worden meegeteld – zij over voldoende ruimte beschikt om in ieder geval aan de betalingsregeling van €50,- per maand te (blijven) voldoen. Betalingsonmacht is dan ook niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mr. A.M.G. van de Kragt en mr. H. Wielhouwer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024.