Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-01-23
ECLI:NL:RBROT:2024:489
Civiel recht
Kort geding
2,420 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/668871 / KG ZA 23-1015
Vonnis in kort geding van 23 januari 2024
in de zaak van
[eiser01]
,
woonplaats: Rotterdam,
eiser,
advocaat mr. T. Erdal te Rotterdam,
tegen
1
[gedaagde01] ,
2.
[gedaagde02]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagden,
advocaat mr. G. Kartal te Rotterdam,
3.
LANDELIJK BUREAU INNING ONDERHOUDSBIJDRAGEN
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna de man, de vrouw, de dochter en het LBIO genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 november 2023, met bijlagen 1 tot en met 8;
de conclusie van antwoord van de vrouw, met bijlage 1;
de conclusie van antwoord van de dochter, met bijlage 1;
de brief van 13 december 2023 van de man, met bijlagen 9 tot en met 11;
de mondelinge behandeling op 19 december 2023;
het tussenvonnis van 20 december 2023;
het deurwaardersexploot van 8 januari 2024, waarmee het LBIO is opgeroepen om op 16 januari 2024 in deze zaak te verschijnen;
de brief van 11 januari 2024 van de man, met bijlagen 12 tot en met 14;
de voortzetting van de mondelinge behandeling op 16 januari 2024.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
De man en de vrouw zijn getrouwd geweest. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, waaronder de dochter. In de echtscheidingsbeschikking van 8 februari 2022 is, onder meer, opgenomen dat de man maandelijks een financiële bijdrage aan de vrouw en de dochter moet betalen. Volgens de man bedroeg die bijdrage in 2023 € 207,38 per maand voor de vrouw en € 366,04 per maand voor de dochter. De man stelt dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft om deze maandelijkse bijdragen nog te kunnen betalen en dat hij daardoor in een financieel onhoudbare situatie terecht is gekomen. Daarom eist de man in deze zaak dat het de vrouw en de dochter wordt bevolen om de tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking te staken totdat in een bodemprocedure (die de man al is gestart) definitief is beslist op zijn verzoek tot nihilstelling, dan wel verlaging van zijn bijdrageverplichtingen, op straf van een dwangsom. Verder eist de man dat de vrouw en de dochter worden veroordeeld om het LBIO de opdracht te geven om het in opdracht van hen gelegde loonbeslag onder de werkgever van de man op te heffen, op straf van een dwangsom. De vrouw en de dochter zijn het niet eens met de eisen van de man, omdat de man verwijtbare en vermijdbare schulden heeft gemaakt, er een te luxe levensstandaard op nahoudt en onvoldoende zijn best doet en heeft gedaan om zijn uitgaven zodanig in te richten dat hij aan zijn bijdrageverplichtingen tegenover de vrouw en de dochter kan voldoen. De voorzieningenrechter schort de tenuitvoerlegging van de beschikking op voor zover daarin is beslist dat de man maandelijks een financiële bijdrage aan de vrouw en de dochter moet betalen, totdat in de door de man gestarte bodemprocedure op zijn verzoek tot nihilstelling, dan wel verlaging van zijn bijdrageverplichtingen is beslist. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de vrouw en de dochter om het LBIO opdracht te geven om het in opdracht van hen gelegde loonbeslag onder de werkgever van de man op te heffen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Verstekverlening tegen het LBIO
2.2.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen het LBIO. Het LBIO is namelijk niet verschenen tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 16 januari 2024, terwijl bij de oproeping van het LBIO in deze zaak alle wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen.
Het executiegeschil in het algemeen
2.3.
In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een uitspraak slechts schorsen, als zij van oordeel is dat de executant – mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat kan het geval zijn als de te executeren uitspraak klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of als de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Aannemelijk is dat de man op dit moment niet aan zijn maandelijkse bijdrageverplichtingen tegenover de vrouw en de dochter kan voldoen
2.4.
Uit salarisspecificaties die de man in het geding heeft gebracht, blijkt dat hij in de maanden augustus tot en met december 2023 ten hoogste een nettosalaris van € 2.428,61 heeft genoten.
Op dat nettosalaris van de man is al een bedrag van € 444,44 ingehouden door zijn werkgever in verband met een lening die de man heeft afgesloten om een woning te kunnen kopen. Van dat nettosalaris wordt iedere maand een bedrag van ten minste € 841,09 gereserveerd voor het LBIO dat loonbeslag onder de werkgever van de man heeft gelegd, waardoor voor de man in de maanden augustus tot en met december 2023 ten hoogste € 1.586,71 resteerde. De man heeft in de dagvaarding een overzicht van zijn vaste lasten opgenomen dat uitkomt op € 2.160,73 per maand. De man heeft die vaste lasten met bankafschriften onderbouwd.
Als de voorzieningenrechter uitgaat van deze door de man gestelde bedragen, komt de man maandelijks ten minste een bedrag van € 574,02 tekort om zijn vaste lasten te betalen, met dien verstande dat de man dan nog geen hap heeft gegeten en ook nog geen cent aan andere dagelijkse kosten heeft betaald. Als geen rekening wordt gehouden met de inhouding voor het LBIO houdt de man maandelijks ten hoogste een bedrag van € 267,88 over na betaling van zijn vaste lasten, maar ook dan heeft de man nog geen hap gegeten en is ook geen rekening gehouden met andere dagelijkse kosten. Dat de man er een te luxe levensstijl op nahoudt en dat daar rekening mee moet worden gehouden in het bepalen van de draagkracht van de man, hebben de vrouw en de dochter onvoldoende onderbouwd.
2.5.
Zelfs als de vrouw en de dochter worden gevolgd in hun verweer dat de man voor een alleenstaande wel een erg hoog maandelijks voorschotbedrag aan Eneco lijkt te betalen en de voorzieningenrechter er rekening mee houdt dat de man niets stelt over een vooralsnog wel aannemelijk belastingtegemoetkoming wegens aftrek van hypotheekrente, houdt de man maandelijks nog steeds niet genoeg geld over van zijn nettosalaris om na betaling van zijn vaste lasten en andere (incidentele) uitgaven aan de bijdrageverplichtingen tegenover de vrouw en de dochter van in totaal € 573,42 per maand te kunnen voldoen. Uit de verweerschriften van de vrouw en de dochter in de door de man gestarte bodemprocedure blijkt overigens dat volgens hen de maandelijkse bijdrageverplichtingen van de man in 2023 in totaal € 584,77 per maand bedragen, welke bijdragen in 2024 weer geïndexeerd zijn, zodat de maandelijkse bedragen inmiddels nog hoger liggen.
2.6.
De voorzieningenrechter volgt de vrouw en de dochter tot slot niet in hun verweer dat de man verwijtbare en vermijdbare schulden heeft gemaakt en dat die schulden daarom niet mogen worden meegenomen in het bepalen van de draagkracht van de man. De vrouw en de dochter wijzen vooral op de lening die de man heeft afgesloten om een woning mee te kunnen kopen. Volgens de vrouw en de dochter had de man zijn koopwoning kunnen verhuren en zelf een andere woning kunnen huren of überhaupt alleen een woning kunnen huren. Dat miskent dat het huren van een woning in de huidige woningmarkt veelal duurder is dan het kopen van een woning en dat hypotheekovereenkomsten standaard een clausule bevatten op grond waarvan de hypotheekgever zijn woning niet mag verhuren zonder toestemming van de hypotheekhouder. In het licht hiervan hebben de vrouw en de dochter onvoldoende onderbouwd dat de lening die de man heeft afgesloten verwijtbaar en vermijdbaar is. De lening die de man heeft afgesloten om een woning te kunnen kopen, wordt daarom in dit kort geding meegenomen bij de, voorlopige, beoordeling van de draagkracht van de man.
2.7.
Dictum
De voorzieningenrechter:
3.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de echtscheidingsbeschikking van 8 februari 2022 met zaaknummer C/10/624811 / FA RK 21-6659 voor zover daarin is beslist dat de man maandelijks een financiële bijdrage aan de vrouw en de dochter moet betalen, totdat in de door de man gestarte bodemprocedure met zaaknummer C/10/666297 / FA RK 23-7093 op zijn verzoek tot nihilstelling, dan wel verlaging van zijn bijdrageverplichtingen is beslist;
3.2.
veroordeelt de vrouw en de dochter om het LBIO uiterlijk binnen twee dagen na vandaag de opdracht te geven – onder gelijktijdige toezending van een kopie van die opdracht aan de man – om het in opdracht van hen gelegde loonbeslag onder de werkgever van de man per direct op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per (gedeelte van een) dag dat de vrouw en de dochter hiermee in gebreke blijven, met dien verstande dat de vrouw en de dochter maximaal € 5.000,00 aan dwangsommen kunnen verbeuren;
3.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2024.
3349 / 2009
Bijlagen 8 en 12 van de man.
Bijlage 8 van de man.