Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-22
ECLI:NL:RBROT:2024:4879
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Proces-verbaal
1,091 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/6592
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
22 mei 2024 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. J. Berkouwer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: mr. C. Nobel).
Inleiding
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 22 mei 2024 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 875,-.
Overwegingen
1. Op 6 december 2022 heeft het UWV een werkplan voor de re-integratie van eiser opgesteld. Op grond van dit werkplan zal eiser aangemeld worden voor een Werkfit-traject. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2023 heeft het UWV het bezwaar van eiser hiertegen ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2. Ter zitting heeft het UWV het eindrapport van het Werkfit-traject van
15 september 2023 aan de rechtbank en eiser verstrekt.
3. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.
4. Eiser heeft met het instellen van het beroep tegen het bestreden besluit nagestreefd dat hij niet hoeft mee te werken aan het in het werkplan genoemde Werkfit-traject. Uit het door het UWV ingediende eindrapport blijkt dat eiser het Werkfit-traject inmiddels heeft doorlopen en dat het traject daarmee is afgerond. Eiser heeft dan ook geen procesbelang meer bij de behandeling van zijn beroep. De stelling dat er belang is in de zin van erkenning van eisers medische klachten of de kosten die gemoeid gaan met de zitting in beroep, leidt niet tot een ander oordeel. Een principieel belang of een vergoeding van proceskosten in beroep leveren geen procesbelang op. Eiser is daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep.
5. Partijen zijn verdeeld over het al dan niet toekennen van een vergoeding van de proceskosten. Gelet op de gang van zaken dat het UWV het eindrapport van het Werkfit-traject pas op de zitting heeft ingediend, oordeelt de rechtbank dat de kosten van het bijwonen van deze zitting voor vergoeding in aanmerking komen. Het UWV wordt daarom veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-
(1 punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht). Er zijn geen andere kosten die in aanmerking komen voor een vergoeding.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2024 door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Damen, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.