Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-16
ECLI:NL:RBROT:2024:4821
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
872 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/506
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit Maassluis, eiseres
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
het college van burgemeester en wethouders van Maassluis, het college
(gemachtigde: mr. W.A. Kremer).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 16 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M. Kaplan als vervanger van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.
Overwegingen
1. Ter beoordeling staat of het college terecht de aanvraag van eiseres om ontheffing van de arbeidsverplichtingen heeft afgewezen. Aan de afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres geen enkele onderbouwing heeft gegeven waaruit blijkt dat zij niet kan voldoen aan de arbeidsverplichtingen.
2. Eiseres heeft in haar aanvraag niet meer vermeld dan dat zij niet in staat is te voldoen aan de arbeidsverplichtingen voor zover deze op haar van toepassing zijn. Op basis daarvan was het college nog niet gehouden een medisch onderzoek te laten verrichten. Eiseres had daarvoor met (een begin van) bewijs moeten komen, bijvoorbeeld door enig inzicht te geven in wat zij, gelet op haar medische situatie, wel en niet kan. De enkele stelling dat het college bekend is met haar problematiek, betekent niet dat eiseres haar aanvraag niet diende te onderbouwen. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres niet kan voldoen aan haar arbeidsverplichtingen.
3. Het betoog van eiseres dat zij gelijk moet worden gesteld met een alleenstaande ouder slaagt niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot niet voor hun kind kan zorgen. Het enkele feit dat hij tijdelijk en gedeeltelijk van de arbeidsverplichtingen is vrijgesteld, is daarvoor onvoldoende.
4. Het college heeft de aanvraag dan ook, bij gebrek aan onderbouwing, terecht afgewezen.
5. De beroepsgronden slagen niet. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2024 door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.