Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-10
ECLI:NL:RBROT:2024:4724
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Verzet
2,603 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10853922 CV EXPL 23-33636
datum uitspraak: 10 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Forsyte Advocaten B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. F. Amien,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘Forsyte’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het vonnis van de kantonrechter van 2 februari 2024 en de daarin genoemde stukken;
de akte eiswijziging/eisvermeerdering van Forsyte, met bijlagen.
1.2.
Op 8 april 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
namens Forsyte mr. Amien;
[gedaagde] met zijn broer en gemachtigde [persoon A] .
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Forsyte heeft op basis van een overeenkomst van opdracht juridische werkzaamheden voor [gedaagde] verricht; meer specifiek heeft zij [gedaagde] bijgestaan in een (spoed) hoger beroepsprocedure. Forsyte heeft [gedaagde] hiervoor drie facturen gestuurd. [gedaagde] heeft deze facturen niet helemaal betaald en daarom is Forsyte een procedure gestart om nog een bedrag van € 3.849,04 met rente en kosten betaald te krijgen. Dit bedrag plus buitengerechtelijke kosten en rente is toegewezen bij verstekvonnis van 5 september 2023.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis en het verstekvonnis. Hij voert aan dat de advocaat van Forsyte (mr. Siddiqui, hierna ‘de advocaat’) meer uren in rekening heeft gebracht dan hij werkelijk aan de zaak heeft besteed. De advocaat was het ermee eens en zou het totaalbedrag verminderen, maar dat is niet gebeurd. [gedaagde] is bereid om de werkelijk gemaakte uren te betalen, maar niet de overbodige reisuren en de ingebrachte uren van de secretaresse. Verder is er een schikking bereikt voor € 2.000,00. [gedaagde] heeft dit bedrag op 18 november 2023 betaald.
2.3.
Voorafgaand aan de zitting van 8 april 2024 heeft Forsyte haar eis gewijzigd. Zij eist nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de volgende bedragen aan haar te betalen:
de (restant-)hoofdsom van € 1.849,04, met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 9 februari 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
€ 509,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
€ 1.287,23 aan gemaakte deurwaarderskosten, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betekening van het vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
de kosten van deze procedure.
De uitkomst
2.4.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de (restant-)hoofdsom van € 1.849,04 moet betalen, plus buitengerechtelijke incassokosten en rente. De deurwaarderskosten worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Aan de (pre-)contractuele verplichtingen is voldaan
2.5.
De kantonrechter vindt dat Forsyte voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst voldoende duidelijke en begrijpelijke informatie heeft gegeven om [gedaagde] in staat te stellen met de nodige voorzichtigheid en met volledige kennis van de financiële consequenties van het sluiten van die overeenkomst zijn beslissing te nemen. Dit wordt in de volgende rechtsoverwegingen nader toegelicht.
2.6.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is en Forsyte een handelaar, zodat sprake is van een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 6:230h lid 1 BW. Aangezien geen van de uitzonderingen van artikel 6:230h lid 2 BW zich voordoet, is afdeling 6.5.2B BW op de overeenkomst van toepassing. Omdat zich hier een andere overeenkomst voordoet dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte, moet de zaak worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf als gegeven in artikel 6:230l BW. Daarin is bepaald dat de handelaar de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze bepaalde informatie moet verstrekken, voor zover deze niet al duidelijk uit de context blijkt, waaronder (samengevat en voor zover nu van belang): (a) de voornaamste kenmerken van de diensten, (b) de identiteit van de handelaar en (c) de totale prijs van de diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de dienst de prijs redelijkerwijze vooraf niet kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend.
2.7.
Aan de vereisten van artikel 6:230l sub a en b BW is voldaan, omdat de voornaamste kenmerken van de te leveren diensten en de identiteit van de handelaar voldoende duidelijk zijn gebleken in zowel de mailwisseling tussen partijen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst als in de tekst van de overeenkomst zelf. Over het vereiste van artikel 6:230l sub c BW wordt overwogen dat Forsyte in haar e-mail van 12 januari 2023 aan [gedaagde] een uurtarief van € 289,00 en een voorschotbedrag van in totaal € 5.000,00 exclusief btw en derdenkosten heeft vermeld. Uiteindelijk heeft Forsyte een totaalbedrag van € 5.924,50 exclusief btw en derdenkosten bij [gedaagde] in rekening gebracht. Dit is aanzienlijk meer dan vooraf besproken. Dit betekent echter niet dat Forsyte [gedaagde] onvoldoende heeft geïnformeerd. Uit het feit dat er een voorschot in rekening wordt gebracht, blijkt al dat de uiteindelijke kosten hoger (of lager) kunnen uitvallen. Normaal gesproken moet een advocaat een cliënt wel waarschuwen als het voorschotbedrag overschreden gaat worden. In deze zaak ligt dit anders. De dienstverlening van Forsyte zag namelijk op het bijstaan van [gedaagde] tijdens een procedure bij het hof, waarvan de hoger beroepstermijn al op 24 januari 2023 zou aflopen. De werkzaamheden van Forsyte hebben in een kort tijdsbestek plaatsgevonden, namelijk van 16 januari tot en met 1 februari 2023. Gelet hierop kon niet van Forsyte worden verwacht dat zij [gedaagde] zou waarschuwen dat de eindfactuur hoger zou gaan uitvallen dan de voorschotfactuur.
Forsyte en [gedaagde] hebben geen schikking getroffen
2.8.
[gedaagde] stelt dat hij met de advocaat een schikking heeft getroffen voor een bedrag van € 2.000,00. Dit blijkt echter nergens uit. Uit e-mails die in november 2023 zijn verzonden blijkt wel dat [gedaagde] en de advocaat over een schikking hebben gesproken, maar nergens blijkt uit dat Forsyte akkoord is gegaan met een schikking. In een e-mail van 20 november 2023 heeft de advocaat juist duidelijk aan [gedaagde] laten weten dat er geen schikking is getroffen.
[gedaagde] moet de restant hoofdsom van € 1.849,04 betalen
2.9.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de restant hoofdsom van € 1.849,04 te betalen. Forsyte heeft de urenoverzichten waarop haar facturen zijn gebaseerd overgelegd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze overzichten niet kloppen, maar de kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit verweer. Dit wordt hierna uitgelegd.
2.10.
[gedaagde] stelt allereerst dat de advocaat heeft toegezegd minder uren in rekening te brengen. Dit blijkt echter nergens uit. [gedaagde] maakt ook niet concreet wanneer hij deze afspraak heeft gemaakt en wat er toen precies is afgesproken. Deze toezegging komt daarom niet vast te staan.
2.11.
[gedaagde] stelt verder dat Forsyte te veel uren bij hem in rekening heeft gebracht voor de zitting bij het hof op 26 januari 2023. Het gaat om 1,5 uur reistijd heen, 0,5 uur reistijd terug en 2,2 uur voor de zitting en de nabespreking van die zitting. De kantonrechter acht de reistijd redelijk. Forsyte heeft gesteld dat de heenreis tijdens spitsuur plaatsvond. Het is logisch dat de advocaat extra tijd heeft genomen om ervoor te zorgen dat hij op tijd bij het hof zou zijn. De kantonrechter ziet verder geen aanleiding om te twijfelen aan 2,2 uur aan zittingstijd en nabespreking. Op de zitting is een schikking tot stand gekomen die ook in een vaststellingsovereenkomst is neergelegd. Het is zeer aannemelijk dat dit alles ongeveer 2 uur heeft geduurd. [gedaagde] heeft ook niet concreet kunnen aangeven hoe lang het volgens hem dan wel heeft geduurd.
2.12.
[gedaagde] stelt ook nog dat de advocaat de gewerkte uren van “zijn secretaresse” in rekening heeft gebracht. Dit blijkt echter niet uit de overgelegde urenoverzichten. Hieruit blijkt enkel dat er ook uren in rekening worden gebracht van mr.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
vernietigt het op 5 september 2023 tussen de partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 10663151 \ CV EXPL 23-23048;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Forsyte te betalen € 2.358,94, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over:
€ 1.849,04 vanaf 9 februari 2023, en over
€ 509,90 vanaf 9 augustus 2023
tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Forsyte worden begroot op € 1.271,84;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44240
HvJEU 12 januari 2023, zaak C-395/21, ECLI:EU:2023:14.