Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-16
ECLI:NL:RBROT:2024:4621
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,732 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 10760471 CV EXPL 23-4094
datum uitspraak: 16 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: Inkassier gerechtsdeurwaarders & incasso,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 oktober 2023, met bijlagen;
het antwoord;
de aktes van 18 januari 2024 met bijlagen en 15 februari 2024 van VGZ;
de rolbeslissing van deze rechtbank van 21 maart 2024.
1.2.
[gedaagde] heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet gereageerd op de aktes van VGZ.
Geschil
2.1.
VGZ vordert een hoofdsom van € 1.608,11. Hiervan heeft een bedrag van
€ 1.277,45 betrekking op onbetaalde premies (maanden mei en december 2022, januari, februari, maart, mei, juni en juli 2023), € 285,45 op het eigen risico en € 45,21 op de eigen bijdrage. Verder vordert VGZ € 29,22 aan verschenen rente tot en met 22 augustus 2023 en € 243,61 aan buitengerechtelijke incassokosten. VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort schiet in de nakoming van haar betalingsverplichting. Op de vordering wordt in mindering gebracht een bedrag van € 265,88, dat [gedaagde] wel heeft betaald.
2.2.
[gedaagde] betwist de vordering. Volgens haar wordt de premie automatisch via de zorgtoeslag voldaan en krijgt zij conform haar verzekering een volledige vergoeding van haar kijkoperatie.
Beoordeling
3.1.
VGZ baseert haar vordering op nakoming van de tussen haar en [gedaagde] gesloten zorgovereenkomst. De Richtlijn Consumentenrechten is niet van toepassing op verzekeringen, waaronder zorgverzekeringen, zodat niet hoeft te worden getoetst of is voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 6:230m BW.
3.2.
Wel moet ambtshalve worden onderzocht of de bedingen die in de tussen partijen gesloten overeenkomst staan niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
De vordering van VGZ ziet op premietermijnen en eigen risico c.q. eigen bijdrage op grond van artikel 3 van de polisvoorwaarden. Dit artikel 3 is een kernbeding en moet voldoen aan het transparantievereiste.
Naar het oordeel van de kantonrechter is artikel 3.3 voldoende transparant. Uit artikel 3 volgt duidelijk dat de verzekeringnemer verplicht is de premie maandelijks vooruit te betalen tenzij anders overeengekomen en uit artikel 3.3 volgt duidelijk dat er naast premie eigen risico en eigen bijdrage betaald moeten worden. Het eigen risico en de eigen bijdrage zijn ook wettelijk verplichte onderdelen van een zorgverzekering. Dit wordt nog verder uitgewerkt in artikel 7 en 8 van de polisvoorwaarden. Nu artikel 3 duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is het rechtsgeldig.
3.3.
Op grond van de zorgovereenkomst met VGZ moet [gedaagde] de overeengekomen premie en overige genoemde kosten aan VGZ betalen. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze kosten niet betaald zijn, maar voert aan dat dit via haar zorgtoeslag betaald had moeten worden. Voor zover dit ten onrechte niet is gebeurd, komt dit echter niet voor rekening en risico van VGZ, maar is dit het probleem van [gedaagde] zelf. Zij moet er voor zorgen dat haar premie, op welke wijze dan ook (door haar zelf of door de sociale dienst in mindering op haar zorgtoeslag) wordt betaald aan VGZ. Voorts betekent het feit dat genoemde kijkoperatie onder de dekking van de verzekering valt, niet dat [gedaagde] geen eigen risico en/of eigen bijdrage verschuldigd is. Dit maakt dat de gevorderde hoofdsom met betrekking tot de premies en het eigen risico c.q. eigen bijdrage van in totaal € 1.608,11 toewijsbaar is.
3.4.
De bepaling over de buitengerechtelijke kosten is oneerlijk. Artikel 3.5.2 luidt namelijk “Wij brengen de volgende kosten bij u in rekening in geval van niet-tijdig betalen:
incassokosten vanaf de dag na de uiterste betaaldatum van de aanmaning.”
Deze bepaling wijkt in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de handelaar geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. Artikel 3.5.2 noemt geen bedragen en verwijst niet naar de wet voor een (maximum)bedrag. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de gevorderde vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
3.5.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen in de polisvoorwaarden staan, voor zover in deze zaak van belang. Dat is niet het geval. De gevorderde rente op grond van artikel 3.5.2 wordt toegewezen.
3.6.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van VGZ op
€ 130,48 aan dagvaardingskosten, € 365,- aan griffierecht, € 408,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,-) en € 102,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.005,48.
Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
3.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan VGZ te betalen € 1.371,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.342,23 vanaf 23 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van VGZ worden begroot op € 1.005,48;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
745