Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-02
ECLI:NL:RBROT:2024:4603
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,787 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/674528 / JE RK 24-404 & C/10/674249 / JE RK 24-372
Datum uitspraak: 2 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI JBRR,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI WSS.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
C/10/674528 / JE RK 24-404
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI JBRR van 12 februari 2024,
C/10/674249 / JE RK 24-372
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI JBRR van 12 februari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
een tweetal vertegenwoordigsters van de GI JBRR, mw. [persoon A] en mw. [persoon B] ,
een vertegenwoordigster van de GI WSS, mw. [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven. [voornaam minderjarige 2] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling is de brief voorgelezen door de moeder. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] verblijft bij de Fjord en [voornaam minderjarige 2] verblijft bij Auriga.
2.3.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 december 2023 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] verlengd tot 3 januari 2025. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2023 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 3 juli 2024. Tevens is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 juli 2024.
3De verzoeken
3.1.
De GI JBRR verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling voor zowel [voornaam minderjarige 1] als [voornaam minderjarige 2] uitvoert, te vervangen door de GI WSS, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verzoek aangaande [voornaam minderjarige 1] is geregistreerd onder C/10/674249 / JE RK 24-372 en het verzoek aangaande [voornaam minderjarige 2] onder C/10/674528 / JE RK 24-404.
4De standpunten
4.1.
De GI JBRR heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt gemotiveerd. Er wordt verzocht om een overheveling van GI, omdat de GI WSS beter kan aansluiten bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gezien hun licht verstandelijke beperking. Als er voor [voornaam minderjarige 2] een andere plek nodig is, kan de GI WSS dat beter regelen vanwege hun expertise.
4.2.
De GI WSS heeft het volgende naar voren gebracht. De GI WSS heeft inderdaad expertise als het gaat om lvb-problematiek. Er dient echter wel meegewogen te worden dat zowel de moeder als [voornaam minderjarige 2] het niet eens zijn met het verzoek en dat van [voornaam minderjarige 1] niet duidelijk is wat zij vindt van het verzoek. De GI WSS heeft wel de mogelijkheid om het gelijk op te pakken als het verzoek toch zou worden toegewezen.
4.3.
Door de moeder is het volgende naar voren gebracht tijdens de mondelinge behandeling. Het voelt voor de moeder alsof zij en haar dochters worden afgescheept. Inmiddels is de GI JBRR immers al ruim 11 jaar betrokken bij het gezin en is er een vertrouwensband opgebouwd. Er is nu een goede jeugdbeschermer betrokken en de bezoeken tussen de moeder en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlopen goed. Er is vertrouwen in de GI JBRR. Niets ten nadele van de GI WSS maar de moeder geeft aan dat zij niet alles weer opnieuw wil moeten opbouwen. De moeder verzoekt dan ook om het verzoek van de GI af te wijzen.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter overweegt het volgende. Volgens de wet kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, dit op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. De huidige GI is inmiddels al vele jaren betrokken bij het gezin. De kinderrechter begrijpt dat er bij de GI WSS speciale expertise is ten aanzien van lvb-problematiek, maar de vertrouwensband die inmiddels is opgebouwd tussen de huidige jeugdbeschermer en het gezin acht de kinderrechter van groter belang. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voelen een klik met de huidige jeugdbeschermer en ook de moeder merkt dit. Moeder en dochters werken mee met de benodigde hulpverlening. Zij zouden bij een nieuwe GI het gevoel krijgen weer opnieuw te moeten beginnen zonder dat daartoe een heel duidelijke reden bestaat. Temeer nu de samenwerking naar behoren verloopt en een vertrouwensband is ontstaan tussen moeder, dochters en de GI JBRR is het in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] dat de huidige GI de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uit zal blijven voeren.
5.2.
Dit betekent dat de verzoeken afgewezen zullen worden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst de verzoeken af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2024 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken als griffier, en op schrift gesteld op 14 mei 2024.