Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-08
ECLI:NL:RBROT:2024:4552
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,612 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11020359 VV EXPL 24-171
datum uitspraak: 8 mei 2024 (bij vervroeging)
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Woningbouwvereniging Oost West Wonen,
vestigingsplaats: Middelharnis,
eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. Remmelts,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.R. de Kok.
De partijen worden hierna ‘Oost West’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 25 april 2024, met bijlagen;
de e-mail van de zijde van Oost West van 30 april 2024, met bijlagen;
de e-mail van de zijde van [gedaagde] van 2 mei 2024, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
Op 3 mei 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
namens Oost West: mevrouw [persoon A] (gebiedsbeheerder) en de heer [persoon B] (woonconsulent), bijgestaan door mr. Remmelts;
[gedaagde] met mr. De Kok.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt de woning aan de [adres] in [woonplaats] van Oost West. Tijdens een doorzoeking van de woning door de politie op 9 februari 2024 is onder meer 4,7 gram 2MMC, 34,1 gram Amfetamine, 93,9 gram MDMA, een kleine kruisboog en scherpe jachtpijlen in de woning aangetroffen. De burgemeester van de gemeente Goeree-Overflakkee heeft vervolgens het besluit genomen om de woning voor 6 maanden te sluiten.
2.2.
In deze zaak eist Oost West dat [gedaagde] de woning ontruimt. Primair legt Oost West daaraan ten grondslag dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft, omdat Oost West de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. Oost West mocht dit doen vanwege het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning, welke sluiting oorspronkelijk gepland stond voor 23 april 2024, aldus Oost West. Subsidiair legt Oost West aan haar eis ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen en dat hij ook om deze reden de woning moet verlaten. [gedaagde] is het niet eens met de eis en heeft verweer gevoerd.
2.3.
De eis van Oost West wordt toegewezen. [gedaagde] moet de woning dus verlaten. Hierna wordt toegelicht waarom.
Toetsingskader en spoedeisend belang
2.4.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Oost West heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.5.
Oost West heeft een spoedeisend belang bij haar eis, omdat [gedaagde] – als de kantonrechter Oost West volgt in haar stellingen – de woning onder zich houdt zonder dat hij daar recht op heeft en daarmee inbreuk maakt op het eigendomsrecht van Oost West. Oost West heeft er in dat geval belang bij dat deze situatie zo snel mogelijk wordt beëindigd en dat zij de woning kan verhuren aan een nieuwe huurder Bovendien is de bevoegdheid tot buitengerechtelijke ontbinding ook juist bedoeld om zo spoedig mogelijk (en niet pas na een bodemprocedure) tot ontbinding van de huurovereenkomst over te kunnen gaan als de omstandigheden daartoe aanleiding geven.
2.6.
[gedaagde] heeft er in dit kader nog op gewezen dat de woning zal zijn gesloten tot en met 21 november 2024 en dat tegen die tijd een eventuele bodemprocedure, die ongeveer 6 maanden duurt, al kan zijn afgerond. Dit verweer gaat niet op, omdat het de kantonrechter ambtshalve bekend is dat een bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk langer zal duren.
Onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft. De redenen daarvan zijn als volgt.
2.8.
Bij brief van haar gemachtigde van 7 maart 2024 heeft Oost West aan [gedaagde] aangekondigd dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk zal ontbinden als de burgemeester de woning zal sluiten. Daarnaast heeft Oost West bij exploot van dagvaarding van 25 april 2024 aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat zij de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbindt. Volgens [gedaagde] was Oost West daartoe echter niet bevoegd, omdat de woning op dat moment niet was gesloten. Deze sluiting zou eigenlijk plaatsvinden op 23 april 2024, maar staat nu gepland voor 21 mei 2024, een datum die in de toekomst ligt.
2.9.
De kantonrechter is het met Oost West eens dat zij niet hoeft te wachten met het doen van een (buitengerechtelijke) ontbindingsverklaring tot de woning feitelijk gesloten is. Een ontbindingsverklaring mag namelijk ook voorafgaand aan de daadwerkelijke reeds aangekondigde sluiting worden verzonden, mits de daarin aangezegde ontbinding pas effect sorteert op het moment van de feitelijke sluiting. In deze zaak heeft de sluiting van de woning echter nog niet plaatsgevonden, waardoor de door Oost West aangezegde ontbinding nog niet aan de orde is. Omdat de huurovereenkomst op dit moment nog in stand is, is het onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure op basis van de voornoemde omstandigheden tot het oordeel zal worden gekomen dat [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. De eis kan daarom niet worden toegewezen op de primaire grondslag.
[gedaagde] heeft zich niet als goed huurder gedragen
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat wel voldoende aannemelijk is geworden dat de rechter in een eventuele bodemprocedure de huurovereenkomst alsnog zal ontbinden, omdat [gedaagde] zich niet als goed huurder heeft gedragen en daardoor tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit hoofde van de huurrelatie tussen partijen (artikel 7:213 BW).
2.11.
[gedaagde] heeft het aanwezig hebben van drugs en wapens in de woning erkend. Partijen verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of deze tekortkoming van [gedaagde] , gelet op alle omstandigheden van het geval, van voldoende gewicht is om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen.
2.12.
Uit de politierapportage blijkt dat de doorzoeking van de woning heeft plaatsgevonden na twee anonieme meldingen over de mogelijke handel in drugs en, zoals door [gedaagde] erkend, zijn er toen inderdaad verschillende soorten drugs, in een aanzienlijke hoeveelheid, en wapens in de woning aangetroffen. Het is van algemene bekendheid dat drugsgerelateerde activiteiten de woonomgeving in negatieve zin kunnen beïnvloeden en tot overlast kunnen leiden. De in het kader van de belangenafweging door [gedaagde] overgelegde verklaringen van omwonenden zijn te algemeen om het bestaan van mogelijke overlast te ontkrachten. Deze verklaringen zijn immers identiek en vormen geen weergave van de eigen waarneming van de omwonenden.
2.13.
Bij de belangenafweging speelt volgens [gedaagde] verder een rol dat hij werk en een inkomen heeft. Uit de door hem overgelegde stukken blijkt echter niet, zoals door Oost West terecht is aangevoerd, dat hij op dit moment een baan heeft. De vermoedelijke einddatum die op het contract staat is 3 maart 2024 en de overgelegde salarisspecificaties gaan niet verder tot week 12 van 2024, wat overeenkomt met de periode tot en met 24 maart 2024.
2.14.
De stelling van [gedaagde] dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat hij geen antecedenten heeft op het gebied van de Opiumwet maakt ook niet dat de belangenafweging daarom in zijn voordeel zou moeten uitvallen, omdat uit deze rapportage blijkt dat er in 2022 tot twee keer toe rijden onder invloed van drugs is geconstateerd en hij op het gebied van drugs dus geen onbekende van de politie is.
2.15.
Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat het verlies van de woning reden kan zijn om zijn schuldhulpverlening te beëindigen. Hij heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit een concreet vooruitzicht is.
2.16.
Tegenover het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning staat het belang van Oost West bij uitvoering van haar strikte zerotolerancebeleid en om te kunnen optreden ter bescherming van de woonomgeving van andere huurders en omwonenden. Dit belang weegt zwaar, met name ook omdat tussen partijen niet in geschil is dat de aangetroffen hoeveelheid drugs ongeveer 200 keer groter is dan de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 7 dagen na de datum van dit vonnis de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Oost West te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Oost West worden begroot op € 944,72;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
43416
Gerechtshof Den Haag 19 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:277