Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-23
ECLI:NL:RBROT:2024:4166
Civiel recht
Kort geding
1,265 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/676461 / KG ZA 24-264
Vonnis in kort geding van 23 april 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Bergschenhoek,
gedaagde,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘de vrouw’ en ‘de man’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 4 april 2024, met bijlagen 1 tot en met 8;
de mondelinge behandeling op 16 april 2024.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
De vrouw en de man hebben samengewoond, maar doen dat sinds april 2023 niet meer. Zij zijn op dit moment nog wel met elkaar getrouwd, maar de vrouw heeft begin april 2024 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. De vrouw stelt dat de man haar sinds december 2023 tot en met vandaag constant uitscheldt, haar beledigt, haar met de dood bedreigt en haar lastigvalt en controleert. Daarom vordert de vrouw in deze zaak – kort gezegd – een contactverbod voor de duur van één jaar op verbeurte van een dwangsom.
Verstekverlening tegen de man
2.2.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen de man. De man is namelijk niet verschenen in deze procedure, terwijl bij de oproeping van de man in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels in acht zijn genomen.
De vordering van de vrouw wordt grotendeels toegewezen
2.3.
De vrouw heeft de vordering onder I. tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De vorderingen onder II. en III. van de vrouw komen de voorzieningenrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor. Daarom worden die toegewezen, met inachtneming van het volgende. De vrouw heeft onder II. onder meer gevorderd dat de man zich gedurende een jaar niet uitlaat over de vrouw. Tijdens de mondelinge behandeling is gevraagd om een onderbouwing van dit deel van de vordering. Hierop heeft de vrouw toegelicht dat de man ook haar ouders heeft gebeld om beledigingen over de vrouw te uiten en dat ook de ouders van de man naar de vrouw hebben gebeld. Mede gelet op de toelichting van de vrouw tijdens de mondelinge behandeling leest de voorzieningenrechter de vordering onder II. zo dat de vrouw daarmee heeft bedoeld dat het de man wordt verboden om direct en/of indirect, mondeling en/of schriftelijk contact op te nemen met de vrouw, haar te benaderen of zich over haar uit te laten tegenover de familie van de vrouw. De vordering wordt in die zin toegewezen. Dat een ruimer en/of algemener verbod op dit punt nodig is, heeft de vrouw niet onderbouwd en bovendien is zo’n ruimer / algemener verbod niet goed te handhaven. Daarnaast maakt een te ruim / algemeen verbod een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht van de man op vrijheid van meningsuiting en dus op het recht van de man om zich, bijvoorbeeld, tegenover zijn eigen familie of vrienden over de vrouw uit te laten. De gevorderde dwangsom wordt tot slot gematigd tot € 500,00 per overtreding met een maximum van € 50.000,00.
De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen
2.4.
De proceskosten worden gecompenseerd, omdat deze zaak samenhangt met de afwikkeling van de relatie / het huwelijk tussen partijen. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De voorzieningenrechter:
3.1.
verbiedt de man om gedurende één jaar na betekening van dit vonnis – direct en/of indirect, mondeling en/of schriftelijk – op welke wijze dan ook (bijvoorbeeld per e-mail, sms, Facebook, WhatsApp of andere sociale media) contact op te nemen met de vrouw, de vrouw te benaderen of zich tegenover de familie van de vrouw over de vrouw uit te laten;
3.2.
bepaalt dat de man een dwangsom van € 500,00 verbeurt voor iedere overtreding van (een gedeelte van) het verbod onder 3.1., met dien verstande dat de man maximaal € 50.000,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2024.
3349 / 1582