Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-26
ECLI:NL:RBROT:2024:3994
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,062 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10784916 CV EXPL 23-29682
datum uitspraak: 26 april 2024 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd en kantoorhoudende te Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. Yilmaz, advocaat te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
gevestigd te Barcelona (Spanje),
gedaagde,
gemachtigde: mr. E.P.J. Mazaira, advocaat te Rotterdam.
Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 april 2023, met bijlagen, waarbij [gedaagde] gedagvaard is om te verschijnen voor de handelskamer van deze rechtbank;
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, met bijlagen;
het antwoord in incident;
het vonnis in het incident van 11 oktober 2023 van de handelskamer van deze rechtbank, waarbij de handelskamer zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het tussen partijen gerezen geschil en de zaak in de stand waarin deze zich bevindt ter verdere berechting heeft verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank, omdat de verhuurverbintenis de meeste kenmerkende verbintenis is van de overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van 15 januari 2024, waarin door de kantonrechter een mondelinge behandeling is bepaald;
de akte van [eiseres] , met bijlagen.
1.2.
Op 3 april 2024 is de zaak tijdens een zitting door de kantonrechter met partijen besproken. Daarbij waren namens [eiseres] aanwezig de heer [persoon A] (managing director) met de heer T. Cetinkaya (tolk in de Spaanse taal) en bijgestaan door de gemachtigden mr. E. Yilmaz en mr. N. Margetson. Namens [gedaagde] waren aanwezig de heer [persoon B] (bestuurder), de heer [persoon C] (bestuurder), mr. F. Pelledero (huisadvocaat) en mevrouw C. de Wind (tolk in de Spaanse taal), bijgestaan door de gemachtigde mr. E.P.J. Mazaira. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden.
1.3.
De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bij vervroeging bepaald op vandaag.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[gedaagde] is een bedrijf dat zich bezig houdt met technische en logistieke maritieme diensten in Spanje. Tevens biedt [gedaagde] zogeheten Cargo Load Testen aan, waarmee de belasting van hijs-en/of reddingsapparatuur wordt getest door daaraan een waterzak te hangen die gevuld wordt met water. [eiseres] levert c.q. verhuurt waterzakken en andere materialen die nodig zijn voor het uitvoeren van deze belastingtesten.
2.2.
[gedaagde] heeft in december 2020 aan [eiseres] verzocht om materiaal voor het testen van de belasting van hijs- en/of reddingsapparatuur aan haar te verhuren voor een periode van veertien dagen en die materialen te leveren in Cádiz (Spanje). [eiseres] heeft per e-mail van 23 december 2020 aan [gedaagde] medegedeeld dat de kosten voor de huur van het testmateriaal € 50.000,- exclusief transportkosten bedragen. [gedaagde] heeft per e-mail van 12 februari 2021 laten weten daarmee akkoord te gaan. Op diezelfde dag heeft [eiseres] per e-mail haar algemene voorwaarden (“General Conditions of [eiseres] for Leasing/Hire”) en een pro forma factuur aan [gedaagde] gestuurd. [eiseres] heeft de testmaterialen op 1 maart 2021 aan [gedaagde] in Spanje ter beschikking gesteld. Op 2 maart 2021 heeft [gedaagde] aan [eiseres] medegedeeld dat de opdracht, in verband waarmee het testmateriaal was gehuurd, geen doorgang zou vinden. [eiseres] heeft vervolgens op 5 maart 2021 een factuur aan [gedaagde] gestuurd voor een bedrag van € 46.750,-. [gedaagde] heeft die factuur niet betaald. Daarom vordert [eiseres] in deze procedure dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de betaling van de factuur van 5 maart 2021 en dat [gedaagde] wordt veroordeeld € 46.750,-, met de wettelijke handelsrente, aan [eiseres] te betalen.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Zij voert aan dat partijen op 27 april 2017 een vijfjarige samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten, die - kort samengevat - inhoudt dat [eiseres] gratis testmateriaal aan [gedaagde] ter beschikking stelt en dat de kosten en opbrengsten, die voortvloeien uit het uitvoeren van de belastingtesten, in gelijke delen tussen partijen worden gedeeld (in het geval dat zowel [eiseres] als [gedaagde] bij de test aanwezig zijn) dan wel in de verhouding 60%-40% (in het geval slechts één van de partijen bij de test aanwezig is). Volgens [gedaagde] hebben partijen ten aanzien van de levering van het testmateriaal op 1 maart 2023 uitvoering gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst en is niet beoogd een nieuwe (huur)overeenkomst - los van de samenwerkingsovereenkomst - te sluiten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat uit de balans, die is opgemaakt naar aanleiding van alle op grond van de samenwerkingsovereenkomst uitgevoerde belastingstesten, volgt dat er in totaal over het jaar 2021 door beide partijen een verlies is geleden, dat is toegerekend aan beide partijen. Volgens [gedaagde] is zij dan ook niet gehouden het bedrag van € 46.750,- aan [eiseres] te betalen.
2.4.
De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindbeslissing nemen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[eiseres] wordt toegelaten tot bewijslevering
2.5.
Het staat niet ter discussie dat partijen in februari 2021 zijn overeengekomen dat [eiseres] testmateriaal aan [gedaagde] zou verhuren en dat dit testmateriaal op 1 maart 2021 ook daadwerkelijk door [eiseres] aan [gedaagde] ter beschikking is gesteld. Ook zijn partijen het erover eens dat de kantonrechter Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van het tussen hen gerezen geschil en dat Nederlands recht van toepassing is. De vraag die in deze procedure centraal staat, is op basis waarvan de verhuur van het testmateriaal heeft plaatsgevonden. Is sprake van een afzonderlijke huurovereenkomst, zoals [eiseres] stelt, of hebben partijen afgesproken dat het testmateriaal aan MBR ter beschikking wordt gesteld in het kader van de hiervoor bedoelde samenwerkingsovereenkomst, zoals [gedaagde] stelt. Partijen staan op dit punt lijnrecht tegenover elkaar.
2.6.
[eiseres] heeft het bestaan van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen niet betwist. Ook heeft zij niet betwist dat het op grond van die samenwerkings-overeenkomst gebruikelijk was dat het testmateriaal in beginsel kosteloos aan [gedaagde] ter beschikking werd gesteld en dat dat de kosten en opbrengsten van de uit te voeren belastingtesten tussen partijen werden verdeeld. [eiseres] heeft haar vordering echter gebaseerd op de stelling dat partijen een overeenkomst hebben gesloten die los stond van deze samenwerkingsovereenkomst, oftewel een zogenaamde ‘ad hoc overeenkomst’ en dat [gedaagde] de daaruit voortvloeiende factuur aan [gedaagde] moet betalen, ook nu de uiteindelijke opdracht, in verband waarmee het testmateriaal ter beschikking was gesteld aan [gedaagde] , geen doorgang heeft gevonden. [gedaagde] heeft het bestaan van de door [eiseres] gestelde ad hoc overeenkomst gemotiveerd betwist en heeft aangevoerd dat de ter beschikkingstelling van het testmateriaal heeft plaatsgevonden in het kader van de samenwerkingsovereenkomst.
2.7.
Tegenover de betwisting door [gedaagde] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiseres] de bewijslast van haar stelling dat dat de terbeschikkingstelling van de materialen, zoals genoemd in de factuur van 5 maart 2021, voortvloeit uit een ad hoc overeenkomst. In dat kader heeft zij verwezen naar de e-mailcorrespondentie die tussen partijen is gevoerd op 12 februari 2021.
2.8.
[eiseres] heeft op 12 februari 2021 om 11.44 uur een e-mail aan [gedaagde] gestuurd waarin zij uitleg geeft over het te leveren materiaal, in het bijzonder de aantallen en de totale prijs daarvan. In reactie daarop heeft [gedaagde] op diezelfde dag om 17.38 uur een e-mail aan [eiseres] gestuurd, waarin zij (onder meer) het volgende heeft medegedeeld:
“(…) We confirm the prices below (…)”.
Anders dan [eiseres] stelt, volgt uit deze bevestiging dat [gedaagde] akkoord gaat met de prijzen nog niet dat partijen hiermee een ad hoc overeenkomst hebben gesloten, die los staat van de samenwerkingsovereenkomst. [gedaagde] heeft immers terecht gesteld dat het ook in het kader van de samenwerkingsovereenkomst van belang was dat er tussen partijen overeenstemming over de prijs bestond, gelet op de wijze waarop de kosten en opbrengsten op grond van de samenwerkingsovereenkomst zouden worden verdeeld.
2.9.
Ook uit het feit dat [eiseres] in haar e-mail van 12 februari 2021 om 10.57 haar algemene voorwaarden en een pro forma factuur aan [gedaagde] heeft toegestuurd kan het bestaan van een ad hoc overeenkomst niet worden afgeleid. Uit de e-mail kan niet worden opgemaakt met welk doel [eiseres] deze stukken aan [gedaagde] heeft toegezonden. Het enkele toezenden van de algemene voorwaarden en een pro forma factuur sluit bovendien nog niet de mogelijkheid uit dat de kosten, zoals genoemd in de pro forma factuur, zouden worden verdeeld op de in de samenwerkingsovereenkomst genoemde wijze.
2.10.
Met de tot op heden door [eiseres] overgelegde e-mailcorrespondentie is vooralsnog niet komen vast te staan dat er tussen partijen sprake is van een ad hoc (huur)overeenkomst. Een daarop gericht aanbod van [eiseres] en een expliciete aanvaarding door [gedaagde] kunnen naar het oordeel van de kantonrechter uit die e-mails niet worden afgeleid.
2.11.
Ter zitting heeft [eiseres] een bewijsaanbod gedaan, onder meer door het horen van getuigen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
laat [eiseres] toe tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de terbeschikkingstelling van de materialen, zoals genoemd in de factuur van 5 maart 2021, voortvloeit uit een ad hoc (huur)overeenkomst, die is gesloten los van de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als [eiseres] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk de dag voor de rolzitting van dinsdag 28 mei 2024 om 11:30 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als [eiseres] getuigen wil laten horen, zij uiterlijk de dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden juni, juli en augustus 2024;
3.4.
wijst erop dat [eiseres] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als [eiseres] op een andere manier bewijs wil leveren, zij uiterlijk de dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe en op welke wijze;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487