Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-21
ECLI:NL:RBROT:2024:3898
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,589 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/674021 / JE RK 24-332
Datum uitspraak: 21 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
Geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg,
[naam 2]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.H.P. Feiner te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 9 februari 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 3] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen de ene helft van de week bij de moeder en de andere helft van de week bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 maart 2023 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 27 maart 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Op dit moment zijn de doelen van de ondertoezichtstelling deels behaald, maar de GI is van mening dat ondersteuning de komende periode nog wenselijk is. [minderjarige 2] is aangemeld bij de GGZ omdat zij in toenemende mate zorgelijk gedrag laat zien. Op school laat zij een achterstand zien, maar hier wordt aan gewerkt. Verder wil de GI het gezin aanmelden bij het Wijkteam, zodat er een warme overdrachto naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden. Het is wenselijk als ook Pameijer bij het gezin betrokken kan blijven. [minderjarige 1] ontwikkelt zich boven verwachting positief en het gaat goed op school. De afgelopen periode heeft er bij [minderjarige 1] een onderzoek plaatsgevonden om te kijken of er sprake is van autisme. Uit het onderzoek volgt dat hiervan geen sprake is, maar wel dat er sprake is van kenmerken van autisme. [minderjarige 1] is op zoek naar veiligheid. Er zou meer gericht onderzoek moeten worden gedaan naar de hechtingsrelatie. Hiervoor wil de GI Youz inzetten. Het is nog onduidelijk hoelang de wachttijd hiervoor is aangezien Youz en de GI een andere aanmelddatum in acht nemen.
De communicatie tussen de ouders is nog steeds een probleem. Gezien wordt dat de ouders reageren vanuit hun emoties. De ouders moeten werken aan een verbetering van de onderlinge communicatie. Daarbij is het nodig dat er duidelijkheid komt over de omgang. Binnenkort zal er vanuit de GI nog een verzoek betreffende de omgang worden ingediend. Ook wordt een mediation-traject overwogen door de GI, maar een dergelijk traject is op dit moment lastig in verband met de traumabehandeling van de moeder. Tot slot wil de GI urinecontroles inzetten bij de vader, om helderheid te krijgen over een eventuele verslaving van de vader.
De GI verwacht zes maanden nodig te hebben om deze doelen te behalen.
4.1.
Door en namens de moeder is het volgende ter zitting aangevoerd. De moeder is het eens met het verzoek, maar zou liever willen dat de ondertoezichtstelling met de duur van een heel jaar wordt verlengd. De ondertoezichtstelling is nog hard nodig. De kinderen ervaren nog onvoldoende rust. De moeder ervaart veel steun vanuit de GI en hecht waarde aan een vast contactpersoon. De moeder erkent de problemen in de communicatie tussen haar en de vader en onderschrijft dat hieraan de komende periode nog aan moet worden gewerkt. Beide ouders hebben deze ondersteuning nodig. De moeder is aangemeld bij Antes voor traumatherapie. Tot slot geeft de moeder aan dat de vader – volgens haar –nog steeds verslaafd is en zij zich zorgen maakt om de veiligheid van de kinderen.
4.2.
Door en namens de vader is ter zitting ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De vader heeft zorgen over de uitvoering van het co-ouderschap en de communicatie tussen de ouders. Co-ouderschap is nog altijd het uitgangspunt. De vader wenst duidelijke afspraken te maken zodat er geen onenigheid over kan ontstaan. De vader erkent dat hij flink kan communiceren als er iets niet gaat zoals is afgesproken. De kinderen groeien en de afspraken kunnen veranderen. De vader zou het liefst zien dat er een mediator komt, zodat de ouders kunnen leren hoe zij om kunnen gaan met veranderende situaties. Dat zou rust kunnen brengen voor zowel de vader als voor de moeder. De vader zoekt erkenning in gelijkwaardig ouderschap. De angst van de vader is dat hij zijn kinderen minder zal zien. De vader ontkent dat hij verslaafd is, Hij weet niet hoe de moeder erbij komt dat hij verslaafd zou zijn.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Tot op heden zitten [minderjarige 1] en [minderjarige 2] klem tussen de ouders. Hierdoor kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen onbelast contact hebben met zowel de moeder als de vader. De communicatie tussen de ouders onderling is nog altijd ernstig verstoord. Toch worden er ook positieve ontwikkelingen gezien en is de GI voornemens het gezin in de komende periode over te dragen aan het Wijkteam in het vrijwillig kader. De ouders zijn namelijk bereid aan de hulpverlening mee te werken en zij zijn bijna in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding terug op zich te nemen. Hier zal de komende tijd naartoe worden gewerkt. Voordat een overdracht naar het vrijwillig kader kan plaatsvinden, zijn er nog een aantal zaken die afgerond moeten worden. Zo dient [minderjarige 2] aangemeld te worden bij de GGZ en zal er worden gekeken hoe de communicatie tussen de ouders kan worden verbeterd. Hierbij wordt er gedacht aan mediation of een soortgelijk traject waarbij duidelijke afspraken kunnen worden gemaakt. Het is van belang dat er duidelijkheid komt over de omgangsregeling en datbeide ouders met hun individuele hulpverlening verder met zichzelf aan de slag gaan. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat het de ouders lukt om gezamenlijk afspraken te maken over de kinderen, dat de ouders zich aan die afspraken te houden en, wanneer daar aanleiding voor is, dat zij in goed overleg de afspraken te kunnen wijzigen. Alleen dan zullen de kinderen onbelast contact kunnen hebben met beide ouders.
De kinderrechter acht een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk omdat er nog het nodige moet gebeuren voordat het gezin wordt overgedragen aan het Wijkteam.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 27 september 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2024 door mr. J.S. van den Berge, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 9 april 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.