Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-04-17
ECLI:NL:RBROT:2024:3656
Strafrecht
Raadkamer
2,548 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf
Parketnummer: 71-094894-22
Raadkamernummer: 23-031236
Datum uitspraak: 17 april 2024
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het bezwaarschrift van:
[veroordeelde] , de veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam PI] ,raadsvrouw mr. S. Petković, kantoorhoudende te Amsterdam-Duivendrecht.
Procesgang
Op 15 december 2023 heeft de veroordeelde bij de rechtbank een bezwaarschrift op grond van artikel 52, tweede lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) ingediend. Het bezwaarschrift richt zich tegen het voornemen van de Minister van Rechtsbescherming (hierna: de Minister) van 28 november 2023 om de verdere tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf van zeven jaar over te dragen aan de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.
De rechtbank heeft op 3 april 2024 de veroordeelde, zijn raadsvrouw en de officier van justitie mr. P.J.A. Huttenhuis in raadkamer gehoord. De veroordeelde is bijgestaan door een tolk in de Engelse taal.
Voorgaande procedure
De veroordeelde is bij rechterlijke uitspraak van 29 augustus 2023 door deze rechtbank – voor zover hier van belang – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar ter zake van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Dit vonnis is mede tot stand gekomen aan de hand van procesafspraken tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie (hierna ook: het OM). De rechterlijke beslissing is op 13 september 2023 in kracht van gewijsde gegaan en is (dus) voor tenuitvoerlegging vatbaar. Het vonnis wordt thans in Nederland ten uitvoer gelegd.
De veroordeelde heeft de Britse nationaliteit. In de beschikking (terugkeerbesluit) van 27 maart 2023 heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat de veroordeelde het grondgebied van de Europese Unie (behalve Ierland) en Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein direct moet verlaten. Aan de veroordeelde is daarbij een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet). De veroordeelde heeft geen bezwaar tegen dit besluit gemaakt.
Overgelegde stukkenDe rechtbank heeft, naast voormeld bezwaarschrift en de daarbij gevoegde bijlagen, gezien:- de oproepingen;- de informatiestaat SKDB van de veroordeelde; - het vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2023, met hierin opgenomen de proces-afspraken;- het terugkeerbesluit en inreisverbod inzake de veroordeelde, gedateerd 27 maart 2023;- een verklaring over strafoverdracht van de veroordeelde, gedateerd 13 oktober 2023;- een advies van het OM, gedateerd 16 november 2023; - een brief van de Minister in de Engelse taal gesteld, gericht aan de veroordeelde met het voornemen tot overdracht, gedateerd 28 november 2023;- het schrijven van de Minister van 30 januari 2024, met bijlagen, gericht aan de Officier van Justitie;- een aanvulling op het bezwaarschrift van 22 maart 2024 en de daarbij gevoegde bijlagen.
Bevoegdheid De rechtbank is bevoegd van het onderhavige bezwaarschrift kennis te nemen nu zij, overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, tweede lid WOTS, de hoogste feitelijke instantie is die de tot vrijheidsbeneming strekkende sanctie aan de veroordeelde heeft opgelegd.
OntvankelijkheidDe veroordeelde heeft op 15 december 2023, binnen een termijn van veertien dagen na het bovengenoemde voornemen van de Minister van 28 november 2023, welke is uitgereikt op 6 december 2023, zijn bezwaarschrift ingediend, zodat het bezwaarschrift op grond van artikel 52, tweede lid van de WOTS ontvankelijk is.
Standpunt veroordeelde
De raadsvrouw heeft in het bezwaarschrift en op de terechtzitting de gegrondheid van het bezwaarschrift bepleit en heeft - zakelijk samengevat - aangevoerd:
Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn partij bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (hierna: VOGP). Het verdrag beoogt de internationale samenwerking op het gebied van een goede rechtsbedeling en het resocialiseren van veroordeelden. Deze doeleinden vereisen dat vreemdelingen die gedetineerd zijn als gevolg van het plegen van een strafbaar feit, die veroordeling binnen hun eigen samenleving kunnen ondergaan. Uit de stukken blijkt dat de veroordeelde geen band (meer) heeft met het Verenigd Koninkrijk: de laatste jaren heeft hij in Dubai en in Portugal gewoond. De veroordeelde woont al sinds 2003 niet meer in het Verenigd Koninkrijk. Hij heeft daar geen familie meer, en ook geen huisvesting. Het enige dat hem feitelijk nog bindt aan het Verenigd Koninkrijk, is zijn nationaliteit. De Minister miskent daarmee in de visie van de verdediging de kerngedachte die ten grondslag ligt aan de WOTS en het VOGP, namelijk resocialisatie van veroordeelden in hun “eigen” land. De Minister heeft de belangen niet juist afgewogen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaarschrift en heeft - zakelijk samengevat - aangevoerd:
Er wordt verwezen naar de brief van de Minister van 30 januari 2024. Juridisch gezien is een aantal kaders van belang. De veroordeelde heeft geen rechtmatig verblijf meer in Nederland. Dubai wordt aangevoerd als land waar de veroordeelde zakelijk en sociaal het meest geworteld is, maar met Dubai is geen strafoverdracht mogelijk. Het is niet te verifiëren of de veroordeelde geen familie of onderkomen heeft in het Verenigd Koninkrijk.
In het bezwaarschrift wordt ook ingegaan op de detentie-omstandigheden in het Verenigd Koninkrijk en gunstigere regeling omtrent de strafonderbreking in Nederland. Op die punten wordt gereageerd in de brief van de Minister van 30 januari 2024, waarnaar wordt verwezen.In de toelichting van het OM advies van 16 november 2023 staat dat procesafspraken zijn gemaakt tussen het OM en de veroordeelde. In deze procesafspraken is op initiatief van de veroordeelde opgenomen dat het OM zich niet zal verzetten tegen een verzoek op basis van de WOTS. Derhalve heeft het OM geen bezwaar tegen de strafoverdracht op grond van de WOTS naar het Verenigd Koninkrijk.
Beoordeling
Op grond van artikel 52, derde lid, van de WOTS dient de rechtbank te onderzoeken of de Minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing kan komen
In artikel 51 van de WOTS is - voor zover hier van belang - bepaald dat, als het Openbaar Ministerie het in het belang van een goede rechtsbedeling gewenst acht dat een vreemde Staat een door de Nederlandse rechter opgelegde straf of maatregel ten uitvoer legt of verder ten uitvoer legt, het, onder overlegging van het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis of arrest en eventuele andere met het oog op de tenuitvoerlegging van belang zijnde stukken, aan Onze Minister een met redenen omkleed advies geeft tot overdracht van de tenuitvoerlegging aan die Staat. Een dergelijk initiatief heeft het Openbaar Ministerie in deze zaak niet genomen. Bij het maken van de procesafspraken is dat ook niet opgenomen. Er is in dat kader afgesproken dat het Openbaar Ministerie zich niet zou verzetten indien de veroordeelde een verzoek tot overdracht van de tenuitvoerlegging zou doen.
Op 16 november 2023 heeft de officier van justitie bericht dat hij in beginsel geen bezwaar tegen de overdracht heeft en heeft hij voldaan aan het verzoek om stukken over te leggen.
Deze brief van 16 november 2023 kan naar het oordeel van de rechtbank niet als een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 51 van de WOTS worden beschouwd. De officier van justitie heeft in deze brief slechts aangegeven dat hij in beginsel geen bezwaar heeft tegen een overdracht. De officier van justitie heeft geen argumenten gegeven voor de overdracht noch een zelfstandig oordeel gegeven over de vraag of overdracht met het oog op een goede rechtsbedeling gewenst is.
Uit het voornemen van de Minister van 28 november 2023 blijkt niet dat de Minister op enige wijze - hoe summier dan ook – de in de WOTS bedoelde belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de belangen van een goede rechtsbedeling én de aangevoerde persoonlijke belangen van de veroordeelde in ogenschouw zijn genomen.Uit het voornemen blijkt niet dat is meegewogen dat de veroordeelde voorafgaand aan zijn detentie niet woonachtig was in het Verenigd Koninkrijk. Evenmin blijkt in welk land(en) de veroordeelde zijn (daadwerkelijke) woon- en verblijfplaats heeft gehad. Ook blijkt niet van andere feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat een verdere tenuitvoerlegging in het Verenigd Koninkrijk in het belang van een goede rechtsbedeling geraden voorkomt. Het enkele noemen van de resocialisatiegedachte en het vermelden van de omstandigheid dat de veroordeelde in Nederland geen verblijfsrecht meer heeft, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van een belangenafweging.
Reeds vanwege het ontbreken van deze belangenafweging dient het bezwaar van veroordeelde gegrond te worden verklaard.
Hetgeen voor het overige door de raadsvrouw en officier van justitie ten aanzien van de detentie-omstandigheden in het Verenigd Koninkrijk en de regeling omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling dan wel strafonderbreking is aangevoerd, behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.
Toepasselijke artikelen
Artikel 52 WOTS.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond.
Deze beschikking is op 17 april 2024 gegeven door:mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,mr. J.L.M. Boek en mr. drs. K. Th. van Barneveld, rechters,in tegenwoordigheid van mr. L.C. Suiker, griffier.
Bij ontstentenis van de voorzitter wordt deze beschikking ondertekend door de jongste rechter.