Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-28
ECLI:NL:RBROT:2024:3279
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,750 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 28 maart 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[plaatsnaam],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 13 maart 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 maart 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 maart 2024.
Ter zitting van 21 maart 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer mr. E.R. Butin Bik, werkzaam bij Advocatenkantoor Moerdijk (hierna: advocaat).
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Op 27 maart 2024 heeft de advocaat van verzoeker het betalingsbewijs van de maand maart 2024 overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van deze rechtbank op 7 juli 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft inkomen uit arbeid als elektromonteur, hij werkt als zelfstandig ondernemer. Verzoeker heeft een aanzienlijke afloscapaciteit, waardoor hij binnen een redelijke tijd tot 100% aflossing van zijn schulden kan komen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij op 22 maart 2024 de huur van maart 2024 zal betalen. Ook zal verzoeker de huur van april 2024 tijdig voldoen. Verzoeker heeft bij de schuldhulpverlener de mogelijkheid tot budgetbeheer, waardoor voldoende gewaarborgd kan worden dat de lopende termijnen zullen worden voldaan. Verzoeker heeft met verweerster een afspraak gemaakt dat als hij € 3.000,- zou betalen de ontruiming zou worden voorkomen. Verzoeker is de afspraak nagekomen. Doordat de mondelinge behandeling van het moratorium verzoek al stond gepland, heeft verzoeker besloten het verzoek moratorium te handhaven.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het proces-verbaal van de Rechtbank Rotterdam van 7 juli 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 4 maart 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 19 maart 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van deze rechtbank van 7 juli 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft onweersproken gesteld een bedrag van € 3.000,- te hebben betaald aan verweerster. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de gemaakte afspraak tussen verzoeker en verweerster te twijfelen. Verzoeker heeft daarnaast op 21 maart 2024 de huur van maart 2024 betaald. Ook heeft verzoeker verklaard dat hij de huur van april 2024 tijdig zal voldoen. Doordat verzoeker gebruik kan maken van budgetbeheer is in de ogen van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 juli 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 14 maart 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2024.