Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-29
ECLI:NL:RBROT:2024:2825
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,394 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 10725664 \ CV EXPL 23-3731
datum uitspraak: 29 februari 2024 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] ,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarderskantoor LikiFin,
tegen
[gedaagde]
, handelend onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 september 2023, met bijlagen;
het antwoord van [gedaagde] , ingekomen op 4 oktober 2023,
de brief van [eiseres] van 15 februari 2024, met bijlagen;
de brief van [gedaagde] , ingekomen op 21 februari 2024.
1.2.
Op 22 februari 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Namens [eiseres] was [persoon A] , directeur van [eiseres] , aanwezig, bijgestaan door mr. N. van Trierum. [gedaagde] was niet aanwezig.
Beoordeling
2.1.
De vordering strekt tot betaling van een aantal facturen, in totaal € 2.028,36, op grond van een tussen partijen gesloten afvalverwijderingsovereenkomst, in welk verband [eiseres] aan [gedaagde] een door [eiseres] regelmatig te legen container ter beschikking is gesteld. Tevens heeft [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot betaling van buitenrechtelijke incassokosten (€ 368,14), wettelijke handelsrente (tot 11 september 2023 berekend op € 264,79) en proceskosten gevorderd.
2.2.
[gedaagde] heeft de overeenkomst en facturen als zodanig niet betwist, maar heeft in zijn op 4 oktober 2023 door de kantonrechter ontvangen antwoord aangevoerd dat de container met medeweten van [eiseres] is verhuisd naar de [straatnaam 1] te Maasdam en dat toen [gedaagde] weg was [eiseres] de container zonder zijn toestemming heeft meegenomen, waarna hij er nooit meer iets van heeft vernomen; dat de container weg was vond [gedaagde] geen probleem. In zijn op 21 februari 2024 door de kantonrechter ontvangen reactie heeft hij daarentegen verklaard dat hij aan de [eiseres] heeft doorgegeven dat de container verplaatst zou worden naar de [straatnaam 2] .
2.3.
[eiseres] heeft in reactie hierop verklaard en ook ter zitting toegelicht dat zij geen berichten van [gedaagde] heeft ontvangen dat de container door hem verplaatst zou worden naar de [straatnaam 1] of de [straatnaam 2] , maar dat zij door de gemeente benaderd is toen de gemeente de container had aangetroffen in de polder bij de [straatnaam 2] . Daarop heeft [eiseres] verschillende keren geprobeerd [gedaagde] telefonisch te bereiken en hem hierover ook gemaild bij een door [eiseres] overgelegd e-mailbericht van 16 april 2021.
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] haar standpunt voldoende toegelicht en met genoemd e-mailbericht onderbouwd, terwijl [gedaagde] zijn stellingen en met name de gestelde berichten die hij aan [eiseres] gestuurd zou hebben niet heeft onderbouwd. In het bijzonder is niet gebleken van enige reactie op het e-mailbericht van [eiseres] van 16 april 2021. Ook valt zonder toelichting, die niet is gegeven, niet te begrijpen dat iemand die een container huurt het geen probleem vindt als de container verdwenen is. Veeleer zou voor de hand liggen dat daarover onmiddellijk, al dan niet boos, contact met [eiseres] zou zijn opgenomen.
2.5.
Gelet op voorgaande zijn de vorderingen van [eiseres] , die voor het overige niet zijn betwist, toewijsbaar als na te melden.
2.6.
[gedaagde] wordt veroordeeld om de proceskosten te betalen, omdat hij de in het ongelijk gestelde partij is (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiseres] op € 133,13 aan dagvaardingskosten, € 487,- aan griffierecht, € 476,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.231,13. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
2.7.
Dit vonnis zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv). Dit betekent dat wanneer het geschil ook nog aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van die uitspraak voorlopig toch al naleving van dit vonnis kan worden afgedwongen door de partij die in het gelijk is gesteld, zij het op eigen risico (de hogere rechter kan anders oordelen).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.661,29 met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.028,36 vanaf 11 september 2023 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.231,13;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. P.G.J. van den Berg en in het openbaar uitgesproken.
31688